Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4272

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
13/137610-20 en 05/165100-19 (TUL) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man krijgt 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 209 dagen voorwaardelijk, omdat hij in Amsterdam een aantal lachgastanks met geweld uit een bestelbus wegnam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/137610-20 en 05/165100-19 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 2 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het [naam] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf, van de vordering van de benadeelde partij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. H.J.M. Nijenhuis naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – verkort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich in Amsterdam op 22 mei 2020 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld van een geldbedrag en één of meerdere lachgastanks.


De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vaststaande feiten

De volgende feiten kunnen op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage 2 zijn opgenomen, als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt dienen voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 22 mei 2020 is verdachte met één ander persoon naast zich in zijn auto naar het Opveld in Amsterdam gereden om daar één lachgastank te kopen. Aangever stond hier met een bestelbus met lachgastanks op hen te wachten. Verdachte en aangever hebben ieder een andere lezing van wat er na de aankomst van verdachte precies gebeurd is. Vaststaat in ieder geval dat verdachte op enig moment zijn auto naast de bestelbus heeft gezet, uit zijn auto is gekomen en op aangever is afgestapt. De persoon die naast verdachte zat, bleef in de auto zitten. Er vond toen een worsteling tussen verdachte en aangever plaats, die uit duw- en trekbewegingen bestond. Verdachte heeft zich tijdens en ook na deze worsteling de toegang tot de bestelbus verschaft en hieruit meerdere lachgastanks gehaald om deze in zijn auto te leggen. Verdachte is hierna weggereden.

4.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal met geweld bewezen kan worden verklaard. Dit geldt volgens hem dan enkel voor het wegnemen van de lachgastanks. Dat verdachte volgens aangever ook een geldbedrag heeft weggenomen, vindt onvoldoende steun in ander bewijs. Ook de verklaring van aangever dat verdachte hem een klap zou hebben gegeven, vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. De officier van justitie ziet daarnaast onvoldoende bewijs voor medeplegen, gelet op de minimale betrokkenheid van de tweede persoon, en heeft daarom tot een bewezenverklaring van het plegen van de diefstal met geweld gerekwireerd. Dat verdachte naar eigen zeggen de weggenomen lachgastanks had gekocht van aangever, gelooft de officier van justitie niet.

4.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft over het wegnemen van het geld, het uitdelen van een klap en het medeplegen van de diefstal eveneens betoogd dat hiervoor onvoldoende bewijs is. Voor wat betreft het wegnemen van de lachgastanks heeft hij zich op het standpunt gesteld dat dit wegnemen niet wederrechtelijk was, omdat verdachte voor deze tanks had betaald aan aangever. Dit heeft hij na aankomst op het Opveld gedaan. Het is weliswaar onbehoorlijk dat hij de tanks vervolgens zelf heeft gepakt en daarbij aangever heeft geduwd, maar hij heeft dat enkel gedaan omdat hij anders zijn tanks misschien niet zou krijgen. De raadsman vindt dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken. Als de rechtbank wel tot een bewezenverklaring voor de diefstal komt, is volgens de raadsman van geweld of de dreiging hiermee in ieder geval geen sprake.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage 2 zijn opgenomen tot het oordeel dat verdachte op 22 mei 2020 meerdere lachgastanks heeft gestolen en dat hij daarbij geweld heeft gebruikt, door verdachte vast te grijpen en hem meerdere malen weg te duwen. De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat er onvoldoende bewijs is voor de vaststelling dat verdachte daarbij ook een geldbedrag heeft weggenomen en een klap heeft uitgedeeld of dat sprake was van medeplegen. De verklaringen van aangever vinden daarvoor onvoldoende steun in andere wettige bewijsmiddelen.

Dat de lachgastanks zijn weggenomen door verdachte, heeft hij ook niet ontkend op zitting. Anders dan de verdediging komt de rechtbank tot het oordeel dat dit wegnemen wederrechtelijk was. Zij vindt hiervoor niet redengevend of verdachte al dan niet had betaald voor de tanks. De rechtbank acht het van doorslaggevend belang dat verdachte zich de tanks eigenmachtig heeft toegeëigend. Dit kan worden opgemaakt uit de aangifte, de verklaringen van verdachte op zitting, de getuigenverklaring van [getuige 1] en de (beschrijving van de) door getuige [getuige 1] gemaakte videobeelden. Hieruit blijkt dat aangever voor de bestelbus is gaan staan en verdachte zowel fysiek als verbaal heeft geprobeerd tegen te houden. Verdachte heeft desondanks toch doorgezet en geweld toegepast, door aangever eerst vast te grijpen en vervolgens meermaals weg te duwen, terwijl voor hem duidelijk was dat hij de tanks op dat moment niet mocht pakken. De rechtbank acht het tenlastegelegde in zoverre dan ook bewezen en verwerpt het verweer.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 22 mei 2020 te Amsterdam, op het Opveld, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere lachgastanks toebehorende aan [benadeelde partij] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij opzettelijk gewelddadig voornoemde [benadeelde partij] heeft vastgepakt en vervolgens in worsteling met voornoemde [benadeelde partij] is gekomen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 196 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Hij heeft daarnaast gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarden, verkort weergegeven, de volgende bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden: een meldplicht bij reclassering Leger des Heils, ambulante behandeling en zowel een locatiegebod als -verbod (gecontroleerd door een elektronisch controlemiddel).

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte nog jong is en het zwaar heeft in detentie.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal van lachgastanks. Verdachte was op dat moment onder invloed van lachgas en is er enkel op uit geweest om nog meer lachgas te kunnen krijgen. Hij heeft daarbij het gebruik van enig geweld niet geschuwd en lijkt zich niet om de gevolgen voor het slachtoffer te hebben bekommerd. Dit soort misdrijven hebben niet alleen impact op het slachtoffer, maar ook op de samenleving als een geheel omdat zij ervoor zorgen dat gevoelens van onveiligheid toenemen. Een en ander gebeurde op straat en omstanders konden het waarnemen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en heeft aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor ‘straatroof met licht geweld’ is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een half jaar. De rechtbank heeft dit als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de op te leggen straf.

Het strafblad van verdachte van 29 juli 2020 heeft de strafoplegging beïnvloed. Hieruit is namelijk gebleken dat verdachte in 2017 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 13 augustus 2020, opgesteld door M. van Dort. Verkort weergegeven staat in dit rapport dat er een delictpatroon zichtbaar is in het strafblad van verdachte en dat er sprake lijkt te zijn van een (deels) negatief netwerk. De reclassering vermoedt dat het middelengebruik van verdachte, zijn financiën en het sociaal netwerk negatief hebben bijgedragen aan het onderhavig delict. Er zijn volgens hen aanwijzingen dat verdachte in de periode dat hij in Amsterdam verbleef regelmatig lachgas gebruikte. Als beschermende factoren noemt de reclassering de familiebanden, de schoolgang en het werk van verdachte. De reclassering heeft geadviseerd om bij een bewezenverklaring aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met bijzondere voorwaarden die gericht zijn op het versterken van deze beschermende factoren. Concreet heeft de reclassering als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling geadviseerd. In het Deeladvies Elektronische Controle van 11 augustus 2020 wordt daarnaast een combinatie van een locatiegebod en een locatieverbod met elektronische controle geadviseerd.

Ter terechtzitting heeft verdachte ook zelf over zijn persoonlijke omstandigheden verteld. Verdachte heeft onder meer gezegd dat hij zijn school belangrijk vindt en binnenkort graag aan zijn tweede leerjaar begint. Hij zou er verder geen problemen mee hebben om niet meer in Amsterdam te komen en heeft zich bereid verklaard om aan de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, mee te werken.

Gelet op dit alles ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting enigszins af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit een gevangenisstraf rechtvaardigt en sluit bij de bepaling van de duur daarvan aan bij voornoemd uitgangspunt. Zij houdt daarbij rekening met de jonge leeftijd van verdachte en het belang van zijn schoolgang. Ook acht de rechtbank reclasseringstoezicht geïndiceerd voor de bij verdachte spelende problematiek en om hem in de toekomst ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Voor wat betreft het onvoorwaardelijke deel, zal de gevangenisstraf gelijk zijn aan het aantal dagen dat verdachte op 20 augustus 2020, de dag van de opheffing van zijn voorlopige hechtenis, in voorarrest heeft doorgebracht.

9 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk is, omdat de onderbouwing van de schade ontbreekt. Ook de raadsman heeft gesteld dat de vordering eigenlijk onvoldoende onderbouwd is, maar heeft daarbij aangegeven dat verdachte zich wel verantwoordelijk voelt voor wat aangever heeft moeten meemaken en dat hij begrijpt dat hij aangever angst heeft bezorgd. Verdachte heeft daarom toegezegd dat hij bereid en in staat is om € 200,- te vergoeden aan [benadeelde partij] .

De rechtbank oordeelt als volgt. Zij begrijpt het standpunt van de verdediging zo, dat verdachte de vordering erkent maar de hoogte daarvan betwist. Op grond van deze erkenning en rekening houdend met de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,-.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en het bieden van gelegenheid om de vordering nader te onderbouwen een onevenredige vertraging van het strafproces zou meebrengen. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 10 augustus 2020 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 05/165100-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 24 juli 2019 van de politierechter van de rechtbank Gelderland, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 dagen, met bevel dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken voor de hiervoor genoemde vordering een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

10.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tot ten uitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling toe te wijzen.

10.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman verzet zich tegen de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling en verzoekt de rechtbank om de proeftijd daarvan met één jaar te verlengen.

10.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat die tenuitvoerlegging in de gegeven omstandigheden niet opportuun is.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf door de duur van 300 (driehonderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat een gedeelte, groot 209 (tweehonderdnegen) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd van twee jaren melden bij het Leger des Heils Oost-Nederland op het adres Tubantiasingel 5, 7514 AA in Enschede, dan wel in overleg met die instelling met een afdeling van de reclassering dichter bij de woonplaats van veroordeelde. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Daarbij houdt hij zich aan de aanwijzingen die hem worden gegeven.

 Veroordeelde moet zich laten behandelen door Forensisch Psychiatrische Polikliniek Kairos Nijmegen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start vanaf het moment dat de behandeling beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde werkt mee aan diagnostiek, houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

 Veroordeelde is gedurende het reclasseringstoezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatiegebod. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische controle nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen. Het huidige verblijfadres is [verblijfadres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.

 Veroordeelde bevindt zich zolang de reclassering noodzakelijk acht niet in de gemeente Amsterdam. Veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatieverbod. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische controle nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft.

Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.

Geeft aan het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 200,- (tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 mei 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 200,- (tweehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 mei 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 (vier) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 20 augustus 2020, welk bevel op 19 augustus 2020 afzonderlijk is vastgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en R.P.F. de Groot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 september 2020.