Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4261

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
13-073580-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 25 augustus 2018 rond 01:25 uur heeft op de kruising van de Marnixstraat met de Nieuwe Passeerdersstraat te Amsterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een lijnbus en een fiets met twee opzittenden. Het slachtoffer zat op het bagagerekje aan de voorzijde van de fiets. De verdachte heeft als bestuurder van zijn fiets, terwijl hij onder invloed was van alcohol, niet opgelet tijdens het oversteken van een tram-/busbaan op de Marnixstraat te Amsterdam en is tegen de linker voorzijde van de lijnbus aangereden. Dit atypische, voor fietsers gevaarzettende, rijgedrag van verdachte heeft het 20 jarige- slachtoffer haar leven gekost. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-073580-19

Datum uitspraak: 2 september 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I. Djordjevic, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,

1. primair:

hij op of omstreeks 25 augustus 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets, daarmee rijdend over de weg, Marnixstraat en/of de kruising van de Marnixstraat met de Nieuwe Passeerdersstraat, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, zijnde [slachtoffer] is gedood,

bestaande dat gedrag hieruit, verdachte heeft gereden over de Marnixstraat komende uit de richting van het Leidseplein en gaande in de richting van de Elandsgracht, terwijl

- het donker was en/of het regende, en/of

- verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet, en/of

- [slachtoffer] op de voordrager en/of het transportrekje aan de voorzijde van zijn fiets zat,

verdachte is op de Marnixstraat (onverhoeds) links af geslagen in de richting van de Nieuwe Passeerdersstraat en/of kruist vervolgens met een (onverhoeds) beweging de Marnixstraat (terug) in de richting van het fietspad gaande in richting van de Elandsgracht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans onvoldoende vergewist dat voornoemde kruising vrij was van enig verkeer en/of zonder de aldaar rijdende lijnbus, rijdend over de lijnbusbaan op de Marnixstraat komende uit de richting van het Leidseplein gaande in de richting van de Elandsgracht voorrang te verlenen, althans voor te laten gaan en/of heeft verdachte (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken voor die lijnbus, waarna hij verdachte met zijn fiets en voornoemde [slachtoffer] (terwijl zij op de voordrager en/of het transportrekje aan de voorzijde van zijn fiets zat) tegen de lijnbus is aangereden en/of aangebotst waardoor voornoemde [slachtoffer] is gedood.

1. subsidiair:

hij op of omstreeks 25 augustus 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets, daarmee rijdend over de weg, Marnixstraat en/of de kruising van de Marnixstraat met de Nieuwe Passeerdersstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit, verdachte heeft gereden over de Marnixstraat komende uit de richting van het Leidseplein en gaande in de richting van de Elandsgracht, terwijl

- het donker was en/of het regende, en/of

- verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet, en/of

- [slachtoffer] op de voordrager en/of het transportrekje aan de voorzijde van zijn fiets zat,

verdachte is op de Marnixstraat (onverhoeds) links af geslagen in de richting van de Nieuwe Passeerdersstraat en/of kruist vervolgens met een (onverhoeds) beweging de Marnixstraat (terug) in de richting van het fietspad gaande in richting van de Elandsgracht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans onvoldoende vergewist dat voornoemde kruising vrij was van enig verkeer en/of zonder de aldaar rijdende lijnbus, rijdend over de lijnbusbaan op de Marnixstraat komende uit de richting van het Leidseplein gaande in de richting van de Elandsgracht voorrang te verlenen, althans voor te laten gaan en/of heeft verdachte (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken voor die lijnbus, waarna hij verdachte met zijn fiets en voornoemde [slachtoffer] (terwijl zij op de voordrager en/of het transportrekje aan de voorzijde van zijn fiets zat) tegen de lijnbus is aangereden en/of aangebotst.

2.

hij op of omstreeks 25 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een fiets, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,74 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 25 augustus 2018 heeft in Amsterdam op de kruising van de Marnixstraat met de Nieuwe Passeerdersstraat rond 01:25 uur een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een lijnbus van GVB en een fiets betrokken waren. Op de fiets zaten twee personen. Verdachte was de bestuurder van de fiets. Het slachtoffer, [slachtoffer] , zat op het bagagerekje aan de voorzijde van de fiets. Verdachte reed met zijn fiets op het fietspad en de bestuurder van de lijnbus op de busbaan van de Marnixstraat, beide komende uit de richting van het Leidseplein en gaande in de richting van de Elandsgracht. Nadat verdachte vanaf het fietspad van de Marnixstraat linksaf is geslagen in de richting van de Nieuwe Passeerdersstraat en vervolgens weer rechtsaf terug in de richting van het fietspad naar de Marnixstraat, waarbij hij de Marnixstraat overstak, is verdachte met zijn fiets tegen de linker voorzijde van de lijnbus aangereden. Het slachtoffer is als gevolg van dit ongeval overleden.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir, naar voren gebracht dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

De verdachte kan zich van de toedracht van het ongeval niets meer herinneren. Hij weet nog dat hij samen met het slachtoffer, [slachtoffer] , op zijn fiets zat en dat het heel hard regende. Hij had haar eerder die avond ontmoet in Club Air in de stad. [slachtoffer] zat voorop op het bagagerekje en navigeerde met de telefoon van verdachte de weg naar haar huis. De verdachte is op de Marnixstraat naar links de weg, en bus/trambaan, overgestoken richting de Nieuwe Passeerdersstraat en hij is weer terug gefietst de Marnixstraat overstekend, richting het fietspad op die straat waar hij vandaan kwam. Verdachte heeft op dat moment niet gekeken of er verkeer van rechts aankwam, waardoor hij onvoldoende zicht heeft gehad op de weg en de aankomende bus niet heeft gezien. Verdachte is de Marnixstraat overgestoken zonder voorrang te verlenen, met als gevolg dat hij tegen de linker voorzijde van de bus is aangereden en van zijn fiets is gevallen. [slachtoffer] is ter plaatse aan haar verwondingen overleden. Na onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat verdachte als bestuurder van een fiets een hoeveelheid alcohol in zijn bloed had waarmee het verboden is om aan het verkeer deel te nemen. Die vastgestelde hoeveelheid van 0,74 milligram betreft het resultaat van de bloedafname om 06:15 uur, terwijl het ongeval om 01:27 uur heeft plaatsgevonden. Gelet op deze gedragingen is volgens de officier van justitie sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag (feit 1 primair), alsmede rijden onder invloed op een fiets (feit 2).

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar haar pleitnota, aangevoerd dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van bewijs voor het vaststellen van de aanmerkelijke schuld en het causaal verband tussen de verweten gedraging en het ongeluk. Het onder 2 ten laste gelegde rijden onder invloed op een fiets kan worden bewezen.

Dat verdachte op de Marnixstraat onverhoeds linksaf is geslagen in de richting van de Nieuwe Passeerdersstraat en daarna weer met een onverhoedse beweging terug is gereden in de richting van het fietspad op de Marnixstraat, blijkt niet uit de getuigenverklaringen dan wel uit andere bewijsmiddelen. Onverhoeds houdt onder meer in: “Abrupt, onverwacht, plotseling”. Nu niet kan worden bewezen dat hij dit onverhoeds heeft gedaan, dient dit onderdeel van de tenlastelegging te worden weggestreept. De raadsvrouw heeft verder bepleit dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte de lijnbus wel heeft zien aankomen, maar bij de poging de bus te passeren of te ontwijken een inschattingsfout heeft gemaakt. Nu het cruciale moment van de aanrijding door niemand is waargenomen, kan hooguit worden geconstateerd dat de fiets met verdachte en het slachtoffer de bus heeft geraakt. Hoewel verdachte niet meer weet hoe hij heeft gehandeld, kan uit het bewijs worden afgeleid dat verdachte zich heeft gedragen zoals van een normale oplettende bestuurder van een fiets mag worden verwacht. Het niet verlenen van voorrang kan een moment van onoplettendheid geweest zijn, maar voor schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid. De omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan het ongeval alcohol heeft gedronken, maakt dat niet anders. Daarnaast is het causaal verband tussen het verkeersgedrag van verdachte en het ongeval niet eenduidig vast te stellen, aangezien een beschouwing met betrekking tot de vermijdbaarheid in het dossier ontbreekt. Naar het gedrag van de buschauffeur is uitvoerig onderzoek gedaan en gelet op diens verkeersgedrag dienen er vraagtekens te worden gezet bij het moment van de aanrijding en het aandeel hierin van de buschauffeur. In het geval dat verdachte de situatie verkeerd heeft ingeschat en heeft gedacht dat hij de bus nog kon passeren, had het op de weg van de buschauffeur gelegen om te voorkomen dat een aanrijding zou plaatsvinden.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit en betrekt in haar overwegingen de standpunten van de verdediging.1

Op 25 augustus 2018 heeft op de Marnixstraat in Amsterdam, ter hoogte van de kruising van de Marnixstraat met de Nieuwe Passeerdersstraat, een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een fiets met twee opzittenden en een gelede lijnbus waren betrokken. Verdachte was de bestuurder van de fiets. Hij reed op het fietspad. De bestuurder van de bus reed op de tram-/busbaan. Zij kwamen beiden uit de richting van het Leidseplein en reden in de richting van de Elandsgracht.2 De Marnixstraat bestond ter hoogte van het ongeval uit één rijbaan, verdeeld in twee rijstroken gescheiden door middel van een ononderbroken asstreep met aan weerszijden een fietspad. Op de rijbaan is tramverkeer mogelijk in beide richtingen. Het ongeval heeft plaatsgevonden op het weggedeelte in de richting van de Elandsgracht.3

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich van het ongeval niets meer kan herinneren. Hij had het slachtoffer die avond ontmoet in Club Air in Amsterdam. Zij hadden afgesproken om op de fiets van verdachte naar haar woning te fietsen. Het regende die avond pijpenstelen. Het slachtoffer had plaatsgenomen op het bagagerekje aan de voorkant van de fiets. De verdachte heeft verder verklaard dat hij onder invloed van alcohol is gaan fietsen. Hij had vanaf het eind van de middag tussen de 7 en 10 glazen bier gedronken.4

Getuigen ter plaatse hebben gezien dat er twee personen op de fiets zaten. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij getuige is geweest van de aanrijding. Terwijl hij met een vriend, [getuige 2] , stond te praten op het trottoir ter hoogte van het Raamplein zag hij een jongen en een meisje op de fiets voorbij komen. Zij reden over het fietspad op de Marnixstraat, komende uit de richting van het Leidseplein en gaande in de richting van de Elandsgracht. De jongen en het meisje vielen hem op, omdat de jongen fietste en het meisje voor op een bagagerekje zat en de fietser vrij plotseling linksaf sloeg in de richting van de Nieuwe Passeerdersstraat. De getuige heeft niet gezien of zij daadwerkelijk de Nieuwe Passeerdersstraat in zijn gereden, maar hij hoorde plotseling een klap en een gil uit de richting van de Nieuwe Passeerdersstraat. Hij hoorde [getuige 2] zeggen: “Dat is niet goed.” Hij zag dat er een blauw met witte bus stil stond op de Marnixstraat en hij zag dat er een fiets en een persoon aan de achterzijde van de bus lagen. Het was de fiets met een bagagerek aan de voorzijde.5

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het op de bewuste avond, omstreeks 01:25 uur, hard regende. Terwijl hij op de kruising van de Marnixstraat met het Raamplein stond te praten met zijn vriend [getuige 1] zag hij dat er een man met een vrouw op een fiets vanaf het Leidseplein over de Marnixstraat aan kwam fietsen. De vrouw zat op de voordrager van de fiets. Hij zag dat de vrouw vooruit zat met haar gezicht in de rijrichting. Hij zag dat ze ter hoogte van de Nieuwe Passeerdersstraat linksaf de Marnixstraat oversteken en vermoedde dat zij de Nieuwe Passeerdersstraat in wilden fietsen. De getuige zag verder, nadat ze waren overgestoken en bijna de Nieuwe Passeerdersstraat in fietsten, ze weer rechtsaf sloegen en terug de Marnixstraat overstaken. Zij deden dit met een grote boog weer terug richting het fietspad aan de waterzijde van de Marnixstraat. De getuige hoorde dat er vanaf het Leidseplein een stadsbus over de Marnixstraat aan kwam rijden in de richting van de Elandsgracht. Op dat moment keek hij nog steeds naar de fietser. Hij zag dat de bus in zijn gezichtsveld kwam en zag dat de verlichting van de bus aan was omdat het Raamplein slecht verlicht was. De getuige zag dat de fietser op de tegemoetkomende trambaan fietste en op dat moment ontnam de voorbijgaande bus het zicht van [getuige 2] op de fietser. Toen de bus gepasseerd was en direct daarna tot stilstand kwam, zag hij dat er een persoon, de man, op de grond lag en dat de fiets een stuk verder richting de bus lag. Hij zag dat er bij de voeten van de man twee damesschoenen stonden. Vlak voor de achterwielen van de bus lag een persoon.6

De verkeersregelaar, getuige [getuige 3] , heeft verklaard dat hij aan werk was op de Marnixstraat met de hoek Raamplein. Zijn taak was het verkeer tegen te houden dat vanuit de Marnixstraat richting het Leidseplein wilde rijden. Hierdoor keek hij uit op de Marnixstraat. De getuige heeft gezien dat een bus hem van achteren is gepasseerd. Het was die nacht heel regenachtig. De getuige heeft verder de fietser gezien die vóór hem, ter hoogte van het Dance Centre, haaks de weg over stak, van links naar rechts. Volgens de getuige keek de fietser totaal niet. De getuige keek tegen de zijkant van de fiets aan en zag de rechterzijde van de jongen, de bestuurder van de fiets. De jongen stak langzaam rijdend en haaks de weg over. De jongen had een hoodie op en keek niet naar links/rechts. Hij zag de jongen het midden van de trambaan halen, dat is 3m of zo. Hij zag dat de jongen werd geraakt door de linker voorkant van de bus en dat de fietser een aantal meters, naar linksvoor, door de lucht werd geslingerd.7

De verbalisanten ter plaatse hoorden de personen die naast het mannelijke slachtoffer van het ongeval stonden, zeggen dat er ook een vrouw op de fiets had gezeten. Eén van de verbalisanten zag vervolgens ter hoogte van de achterste as van de gelede bus een hand liggen. Op hard roepen en na aanraking van de hand kwam geen reactie van het slachtoffer onder de bus. Personeel van de ambulance heeft gecontroleerd of ze een hartslag bij de pols van het slachtoffer onder de bus konden waarnemen. Dit was niet het geval.8 Door het ongeval is de passagier van de fiets, [slachtoffer] , overleden.9

De verdachte heeft op 25 augustus 2018 om 03:52 uur, na een medisch onderzoek in het ziekenhuis, zijn medewerking verleend aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Het resultaat van deze ademtest was alcoholindicatie ‘A/G’ en leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende vervolgens toestemming voor een bloedonderzoek, waarna een arts om 06:15 uur bloed heeft afgenomen bij de verdachte.10 Volgens het eindresultaat van dit onderzoek bevatte het bloed van verdachte een hoeveelheid van 0,74 milligram alcohol per milliliter bloed.11

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals onder 1 primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verdachte als bestuurder van zijn fiets op 25 augustus 2018 rond 01:25 uur, met [slachtoffer] als passagier op het bagagerekje aan de voorzijde van zijn fiets, over het fietspad van de Marnixstraat in de richting van de Elandsgracht reed. Het regende flink die avond en het was donker. Verdachte had meer alcohol gedronken dan toegestaan voor een bestuurder van een fiets en zowel verdachte als [slachtoffer] hadden de keuze gemaakt om onder deze omstandigheden naar haar huis te fietsen. Verdachte heeft ter zitting van 19 augustus 2020 verklaard dat er losse fietslampjes op de voor- en achterzijde van de fiets waren bevestigd, wat ook is gebleken uit het proces-verbaal ‘Onderzoek plaats ongeval’ van 10 november 2018 (p. 130). Aan de bovenzijde van het transportrekje van de fiets was een wit licht uitstralend lampje bevestigd. De rechtbank concludeert dat het lampje niet goed zichtbaar kan zijn geweest voor andere verkeerdeelnemers, omdat het lampje was bevestigd aan het bagagerekje waar [slachtoffer] op zat en zij dus voor het lampje zat.

Op de Marnixstraat is verdachte ter hoogte van de Nieuwe Passeerdersstraat naar links afgeslagen in de richting van die straat. Dat is gezien door getuigen ter plaatse. Nadat verdachte de Marnixstraat van rechts naar links was overgestoken en bijna de Nieuwe Passeerdersstraat in was gefietst, is hij met een grote boog terug, van links naar rechts de Marnixstraat over gestoken, in de richting van het fietspad op de Marnixstraat. Op dat moment, dat verdachte weer de rijbaan van de Marnixstraat wilde oversteken om kennelijk zijn weg te vervolgens over het fietspad van de Marnixstraat in de richting van de Elandsgracht, heeft hij zich niet (voldoende) vergewist van de aanwezigheid van ander verkeer op de Marnixstraat. Verdachte heeft de – voor hem van rechts komende en voor hem zichtbare – rechtdoor rijdende gelede en verlichte lijnbus op de tram-/busbaan van de Marnixstraat niet gezien en is met zijn fiets tegen de linker voorzijde van de lijnbus aangereden. De rechtbank concludeert dat het niet anders kan dan dat verdachte niet of niet voldoende naar rechts heeft gekeken. De stelling van de raadsvrouw van verdachte dat hij misschien wel heeft gekeken en vervolgens een inschattingsfout heeft gemaakt, volgt de rechtbank niet omdat dit niet strookt met hetgeen blijkt uit de hierboven weergegeven getuigenverklaringen.

Verdachte heeft tijdens het oversteken van de Marnixstraat geen rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers, waardoor een ongeval heeft plaatsgevonden. Als gevolg van deze aanrijding is [slachtoffer] overleden. Dat deze gevolgen zo ernstig zijn is mede veroorzaakt doordat zij had plaatsgenomen op het bagagerekje aan de voorzijde van de fiets, dat niet bedoeld is om op te zitten.

De rechtbank stelt verder vast dat in deze zaak sprake is van meerdere verkeersovertredingen. Uit de hiervoor vastgestelde gedragingen en omstandigheden kan worden afgeleid dat het rijgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest. In het verkeer heeft iedere verkeersdeelnemer de plicht om te reageren op zich aandienende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de aanwezigheid van ander verkeer waaraan voorrang moet worden verleend. Verkeerdeelnemers moeten op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld. Dat geldt ook voor fietsers. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van een hoeveelheid alcohol de concentratie en het reactievermogen aanzienlijk doet verminderen. Het vastgestelde promillage alcohol in het bloed van verdachte was, na een tijdsverloop van bijna vijf uur tussen het ongeval en de bloedafname, anderhalve keer de toegestane limiet. De rechtbank merkt daarbij op dat het promillage een stuk hoger zou zijn geweest als de bloedafname eerder had plaatsgevonden. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de verdediging dat de verdachte zich heeft gedragen zoals van een normale oplettende bestuurder van een fiets mag worden verwacht. Dat verweer kan gelet op het hiervoor overwogene niet slagen.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat kritisch moet worden gekeken naar het verkeersgedrag van de chauffeur van de lijnbus. De rechtbank stelt vast dat de lijnbus reed op een vrije tram-/busbaan en niet harder dan de toegestane snelheid ter plaatse. Hij had voorrang ten opzichte van het verkeer dat van links uit de Nieuwe Passeerdersstraat kwam. Dat het verkeersgedrag van de bestuurder van de lijnbus heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, is uit het dossier niet gebleken. Bovendien is het zo dat, zou al sprake zijn van verkeersfouten van de bestuurder van de lijnbus kort voorafgaand aan het ongeval, hiermee de schuld aan de zijde van verdachte niet kan worden opgeheven. Als verdachte zich had gedragen zoals van hem verwacht mocht worden, dan had het ongeval niet plaatsgevonden.

De rechtbank acht ten slotte, net als de officier van justitie, een onderzoek naar de vermijdbaarheid niet opportuun, aangezien de verdachte geen herinnering heeft aan het ongeval en zo’n onderzoek zich onder de gegeven omstandigheden niet leent voor een verkeerssituatie als de onderhavige.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde,

op 25 augustus 2018 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een fiets, daarmee rijdend over de weg, de Marnixstraat en de kruising van de Marnixstraat met de Nieuwe Passeerdersstraat, zich zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, zijnde [slachtoffer] is gedood,

bestaande dat gedrag hieruit,

verdachte heeft gereden over de Marnixstraat komende uit de richting van het Leidseplein en gaande in de richting van de Elandsgracht, terwijl

- het donker was en het regende, en

- verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet, en

- [slachtoffer] op het transportrekje aan de voorzijde van zijn fiets zat,

verdachte is op de Marnixstraat links af geslagen in de richting van de Nieuwe Passeerdersstraat en kruist vervolgens de Marnixstraat terug in de richting van het fietspad gaande in de richting van de Elandsgracht,

verdachte heeft zich er hierbij niet, althans onvoldoende, van vergewist dat voornoemde kruising vrij was van enig verkeer en is, zonder de aldaar rijdende lijnbus, rijdend over de lijnbusbaan op de Marnixstraat komende uit de richting van het Leidseplein gaande in de richting van de Elandsgracht, voor te laten gaan, met zijn fiets en voornoemde [slachtoffer] (terwijl zij op het transportrekje aan de voorzijde van zijn fiets zat) tegen de lijnbus aangereden, waardoor voornoemde [slachtoffer] is gedood.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

op 25 augustus 2018 te Amsterdam als bestuurder van een fiets, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,74 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en de verdachte

5.1.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5.2.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten dient te worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, waarvan 80 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Bij het bepalen van deze eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verdachte studeert, heeft een bijbaan en veel schuldgevoelens. Hij heeft psychische hulp gehad om het ongeval te verwerken, maar moet nog steeds aan het ongeval denken als hij een bus ziet en/of op zijn fiets stapt. De familie van het slachtoffer houdt de verdachte verantwoordelijk voor de aanrijding en het overlijden van [slachtoffer] . Hun leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Geen enkele straf zal recht doen aan het feit dat [slachtoffer] er niet meer is. De officier van justitie acht een gevangenisstraf in deze zaak niet passend en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet noodzakelijk, omdat de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van de rechtbank van toepassing zijn op bestuurders van motorrijtuigen en niet bedoeld zijn voor fietsers.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte nog dagelijks wordt geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Hij durft niet meer samen met mensen te fietsen en de carrière en toekomstdromen die hij voor ogen had, dreigen in duigen te vallen bij een strafrechtelijke veroordeling. Geen enkele straf zal [slachtoffer] terugbrengen. Gelet op de bijzondere en uitzonderlijke aard van de zaak is het verzoek van de verdediging te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en anders de straf te beperken tot een geldboete.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval, zoals hiervoor bewezen is verklaard, waardoor de 20-jarige [slachtoffer] is overleden. Doordat verdachte als bestuurder van zijn fiets, terwijl hij onder invloed was van alcohol, niet heeft opgelet tijdens het oversteken van een tram-/busbaan op de Marnixstraat te Amsterdam is hij tegen een lijnbus aangereden. Dit atypische, voor fietsers gevaarzettende, rijgedrag van verdachte heeft [slachtoffer] haar leven gekost. Als verdachte zich had gedragen in het verkeer zoals van hem verwacht mocht worden, had het ongeval niet plaatsgevonden.

Verdachte heeft geen strafblad en hij is na het ongeval in 2018 ook niet meer betrokken geweest bij een verkeersovertreding. Verdachte heeft direct na het ongeval en ook ter zitting er blijk van gegeven dat hij veel spijt heeft en vooral een schuldgevoel heeft naar de nabestaanden. Hij heeft geen blijvend letsel overgehouden aan het ongeval. Vanwege zijn schuldgevoelens en het verwerken van dit trauma heeft hij gedurende anderhalf jaar gesprekken gevoerd met een psycholoog. Verdachte is student en heeft een bijbaan. Hij heeft zijn eerste studie bij de Vrije Universiteit afgerond en begint in de maand september aan zijn tweede master.

Het staat buiten kijf dat deze zaak gevolgen heeft voor het verdere leven van verdachte, maar dat weegt niet op tegen het verlies en het grote verdriet van de nabestaanden, zoals dat op een invoelbare wijze onder woorden is gebracht door de zus van het slachtoffer in de slachtofferverklaringen van de zus en de ouders van het slachtoffer. Het leed en het grote verdriet dat verdachte door zijn rijgedrag heeft veroorzaakt, is zeer ingrijpend en niet weg te nemen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een slachtoffer dat is overleden en er sprake is van alcoholgebruik, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt een gevangenisstraf van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaar opgelegd. De rechtbank is, net als de officier van justitie, van mening dat deze oriëntatiepunten in beginsel zijn bedoeld voor bestuurders van motorrijtuigen en niet voor bestuurders van een fiets. Het opleggen van een taakstraf in plaats van een gevangenisstraf doet daarom meer recht aan de aard en ernst van de zaak. De rechtbank houdt er verder rekening mee dat het ernstige gevolg van de aanrijding, de dood van [slachtoffer] , mede is veroorzaakt doordat zij zelf op het bagagerekje van de fiets is gaan zitten.

Alles overwegende acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 160 uur passend en geboden. De rechtbank ziet geen enkele reden om te veronderstellen dat verdachte zich ooit nog eens op deze wijze in het verkeer zal begeven, zodat een voorwaardelijke straf als stok achter de deur niet nodig is.

De rechtbank overweegt tenslotte dat het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen aan de bestuurder van een fiets niet mogelijk is. Deze bijkomende straf kan, gelet op het bepaalde in artikel 179 van de WVW, alleen aan de bestuurder van een motorrijtuig worden opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van

1. primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet

en

2. overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. L. Dolfing en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 september 2020.

De voorzitter is buiten staat

mede te ondertekenen

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf van 18 november 2018 (p. 1-9).

3 Proces-verbaal “Onderzoek plaats ongeval” van 10 november 2018 (p. 117-140-88, in het bijzonder p. 119-123).

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 augustus 2020.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige B.M. [getuige 1] van 25 augustus 2018 (p. 53-54).

6 Proces-verbaal van verhoor getuige D.P.D. [getuige 2] van 25 augustus 2018 (p. 57-58).

7 Proces-verbaal van verhoor getuige K. [getuige 3] van 2 oktober 2019.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 25 augustus 2018 (p. 77-78).

9 Proces-verbaal Schouw stoffelijk overschot van 26 augustus 2018, met als bijlage een schouwverslag betreffende een niet natuurlijk dood (p. 154-158).

10 Proces-verbaal rijden onder invloed van 25 augustus 2018 (p. 172-174).

11 Een verslag, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 september 2018, opgemaakt door deskundige Forensische Toxicologie K.S. Kruseman (p. 178-180).