Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4247

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
C/13/672620 / HA ZA 19-1004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aflevering van het SBS 6 programma “Moord of zelfmoord” van 18 januari 2018 was onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0613
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/672620 / HA ZA 19-1004

Vonnis van 2 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.F. de Jong te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TALPA TV B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SIMPEL MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk Talpa TV en Simpel Media en gezamenlijk Talpa worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 september 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 6 mei 2020, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 juli 2020, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Talpa TV exploiteert de landelijke televisiezender SBS6. Op deze zender werd gedurende twee seizoenen op donderdagavond het tv-programma ‘Moord of zelfmoord’ uitgezonden, waarin presentator en misdaadjournalist [presentator] (hierna: [presentator] ) zaken onderzoekt die door de politie als zelfmoord zijn bestempeld. Het programma is geproduceerd door Simpel Media.

2.2.

De op 18 januari 2018 uitgezonden aflevering besteedt aandacht aan de dood van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), die op 19 juli 2016 op 46-jarige leeftijd overleed na een val uit het raam van zijn op de derde verdieping gelegen woning in [woonplaats] .

2.3.

In de aflevering interviewt [presentator] onder meer familieleden van [slachtoffer] en de advocaat van [slachtoffer] ’s nabestaanden. Ook spreekt hij met een forensisch onderzoeker die stelt dat er aanwijzingen zijn dat er een worsteling in [slachtoffer] ’s kamer heeft plaatsgevonden. De voice-over vertelt dat [slachtoffer] psychiatrisch patiënt was en dat familie en omwonenden hebben verklaard dat hij in de periode vlak voor zijn dood labiel en verward was. Vermeld wordt dat de politie op grond van die verklaringen en omdat de deur van [slachtoffer] ’s woning op slot was gedraaid terwijl de sleutel binnen op de vloer lag, heeft geconcludeerd dat hij alleen in zijn woning moet zijn geweest voordat hij uit het raam viel en dus zelfmoord heeft gepleegd. [presentator] trekt de deugdelijkheid van het politieonderzoek in twijfel, met name omdat daarin geen aandacht wordt besteed aan het kantelraam waaruit [slachtoffer] is gevallen dat na zijn dood in de kiepstand werd aangetroffen; volgens [presentator] volgt daaruit dat in de woning een tweede persoon moet zijn geweest die, nadat [slachtoffer] uit het raam is gevallen, het raam in die stand heeft gezet. Ook merkt [presentator] op dat de politie getuigen die verklaarden dat zij vanaf de straat een tweede persoon in de woning van [slachtoffer] zagen, ongeloofwaardig achtte.

2.4.

In de aflevering komt onder meer het volgende aan bod.

2.4.1.

Vanaf de 23e minuut wordt een gesprek getoond tussen [presentator] en de huisbaas van het complex waar [slachtoffer] woonde, waarin onder meer het volgende wordt gezegd.

[presentator] : “Is er iemand die de beschikking zou kunnen hebben, buiten [slachtoffer] , over zijn sleutel?”

Huisbaas: “Eh ja dat zou kunnen, dat is de overbuurman van [slachtoffer] want die heeft de sleutels in handen gehad om te kunnen kopiëren.”

(…)

Huisbaas: “Uh ja, ik zou hem toch willen beschrijven als geen aardige persoon. Hij had mij een keer beschuldigd voor dingen die ontbraken in zijn woning. Terwijl dat gewoon niet kon en ook niet zo was. En op dat ogenblik heeft hij dus ook dreigementen geuit.”

(…)

[presentator] : “Hoe heet ‘ie?”

Huisbaas: “ [eiser] [achternaam weggebliept, rb.]”

(…)

Huisbaas: “Ik ben hem eigenlijk kwijt sinds dat de heer [slachtoffer] overleden is.”

[presentator] : “Heb je hem nooit meer gezien?”

Huisbaas: “Nee.”

[presentator] : “Dus hij is gewoon met de noorderzon vertrokken.”

Huisbaas: “Hij is met de noorderzon vertrokken.”

Voice-over: “ [eiser] is dus al een jaar zoek. Weet hij meer? Zoals de huisbaas al zei, is hij in geen velden of wegen te bekennen in het complex. [eiser] is wel behoorlijk actief op facebook. We zien dat hij na de fatale val van zijn buurman naar Barcelona is gegaan. Maar of hij daar nog steeds zit, is onduidelijk. Het is op zijn minst een zeer interessante getuige.”

2.4.2.

Vanaf het moment dat de voice-over vertelt dat [eiser] actief is op facebook, worden beelden getoond van hoe [presentator] en zijn collega de facebookpagina van [eiser] bekijken. Daarbij wordt een aantal op die pagina geplaatste foto’s van het gezicht van [eiser] ‘geblurd’ in beeld gebracht.

2.4.3.

Vervolgens interviewt [presentator] een ooggetuige van de val van [slachtoffer] , die in hetzelfde complex woont en de avond dat [slachtoffer] uit het raam viel over straat liep. Het interview bevat onder meer het volgende.

Ooggetuige: “He just fell in front of me. (…) And then I was like totally shocked. I remember that I looked up and there was someone, like, looking down like that. He said something but I couldn’t understand (…). And then I was like really scared.”

Voice-over: “Juist. Nu weten we het zeker. [slachtoffer] was niet alleen. Alle aanwijzingen worden bevestigd. En er is meer. Deze getuige is zelfs bang geweest voor de man die erbij was.”

(…)

[presentator] : “Did you recognize this guy?”

Ooggetuige: “Yeah, I think it’s the neighbor.”

(…)

Voice-over: “Ik laat hem een foto van [eiser] zien, maar hij lijkt hem niet te herkennen. Heeft hij hem op die fatale avond wel goed kunnen zien?”

Ooggetuige: “I was on the ground, he was on the third floor, in the night.”

[presentator] : “So it was difficult to tell.”

Ooggetuige: “Yes. I know he has like dark skin and he was really skinny.”

Voice-over: “Ik probeer het met een recente foto van de facebookpagina van [eiser] . En dan…”

[presentator] : “Yes. On this picture, yes. On this picture, yes. It could be him.”

Voice-over: “Deze getuigenis maakt [eiser] een direct betrokkene en misschien wel een verdachte. Het is ongelofelijk dat de politie hier nooit iets mee heeft gedaan.”

2.4.4.

In de 33e minuut van de aflevering, nadat de ooggetuige op straat het raam aanwijst waardoor hij de tweede persoon zou hebben gezien, klinkt het volgende.

Voice-over: “Maar wie stond hier dan naar buiten te kijken? Onze getuige denkt buurman [eiser] te herkennen. [eiser] die kort voor [slachtoffer] ’s dood de beschikking over diens sleutels had. [eiser] ook die sinds de fatale val door niemand meer is gezien in het appartement. Na nogal wat speurwerk ontdekken we dat ‘ie vaak rondhangt in de Paleistuin in Den Haag.”

2.4.5.

In het volgende fragment is te zien hoe [presentator] door de Paleistuin loopt en [eiser] aantreft en aanspreekt. Op de beelden van het daarop op rustige toon gevoerde gesprek, gemaakt door [presentator] met een verborgen camera, is het gezicht van [eiser] ‘geblurd’. In het gesprek antwoordt [eiser] op de vragen van [presentator] dat hij ten tijde van de val van [slachtoffer] niet in zijn kamer was en dat hij zijn sleutel niet had. Verder vertelt [eiser] dat hij na de dood van [slachtoffer] eerst naar zijn vriendin is gegaan en daarna naar Barcelona en dat hij destijds depressief was omdat hij zijn vier kinderen niet meer zag.

2.4.6.

In de laatste minuten van de aflevering haalt [presentator] een brief van het Openbaar Ministerie aan waarin staat dat het onderzoek niet wordt heropend en spreekt hij met de advocaat van [slachtoffer] ’s nabestaanden, die vertelt dat hij de zaak opnieuw onder de aandacht van het Openbaar Ministerie zal brengen.

2.5.

De aflevering is op 18 januari 2018 door 484.000 mensen op tv bekeken. Daarna is de aflevering online beschikbaar gesteld op de website van Talpa TV.

2.6.

Bij brief van 8 februari 2018 heeft de advocaat van [eiser] Talpa TV gesommeerd de uitzending offline te halen en een rectificatie te plaatsen. Nadat Talpa TV hem doorverwees naar Simpel Media, heeft de advocaat van [eiser] de sommatie herhaald.

2.7.

Simpel Media heeft op 16 februari 2018 gereageerd en verklaard de aflevering niet onrechtmatig te vinden, maar evenwel bereid te zijn de naam van [eiser] aan te passen en hem verder onherkenbaar te maken.

2.8.

De aflevering is daarop offline gehaald en vervolgens in aangepaste vorm op de website van Talpa TV geplaatst; de naam [eiser] is ‘weggebliept’ en behalve het gezicht is nu ook deels het lichaam van [eiser] ‘geblurd’.

2.9.

Op 28 maart 2019 heeft de advocaat van [eiser] naar Simpel Media geschreven dat de aanpassing de onrechtmatigheid niet heeft weggenomen en verzocht om betaling van schadevergoeding.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat de aflevering onrechtmatig is jegens [eiser] ;

  2. Talpa hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 35.000,00 aan schadevergoeding;

  3. Talpa hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.125,00 aan buitengerechtelijke kosten;

  4. Talpa hoofdelijk te veroordelen in de kosten, waaronder de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat Talpa, door te suggereren dat hij betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] zonder dat daarvoor steun in het feitenmateriaal was, zijn eer en goede naam heeft aangetast en inbreuk heeft gemaakt op zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer alsook op zijn portretrecht. Voor dit onrechtmatig handelen houdt hij Talpa TV, die de aflevering openbaar maakte, en Simpel Media, die als producent de inhoud daarvan bepaalde, hoofdelijk aansprakelijk. Ook na aanpassing is de aflevering onrechtmatig, omdat [eiser] nog steeds herkenbaar is en de uitlatingen ongewijzigd zijn gebleven. [eiser] stelt dat de aflevering grote impact op hem heeft gehad doordat hij door mensen in zijn omgeving werd herkend en daarop aangesproken. Zijn relatie met zijn kinderen is negatief beïnvloed, hij kwam ineens niet meer in aanmerking voor een huurwoning en hij is, na weer te zijn gaan drinken, opgenomen geweest in een verslavingsinstelling. [eiser] begroot de als gevolg van het onrechtmatig handelen geleden immateriële schade op € 35.000,00.

3.3.

Talpa voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een botsing tussen enerzijds het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat Talpa toekomt, zoals vastgelegd in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mensen en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), en anderzijds het recht van [eiser] op privacy en bescherming van zijn eer, goede naam en reputatie zoals geregeld in artikel 8 EVRM. Daarbij houdt toewijzing van de vorderingen van [eiser] een beperking in van de vrijheid van meningsuiting van Talpa, hetgeen op grond van artikel 10 lid 2 EVRM slechts mogelijk is als dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van Talpa onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De beperking moet verder voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.2.

Voor beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige uitlatingen door Talpa, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van Talpa is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiser] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen die zijn eer en goede naam beschadigen. Welk van deze in beginsel gelijkwaardige belangen de doorslag moet geven, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

Belangenafweging

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat Talpa de vrijheid heeft om door middel van haar tv-programma’s door haar gesignaleerde misstanden onder de aandacht van het publiek te brengen in de vorm die haar goeddunkt. Het tv-programma ‘Moord of zelfmoord’ beoogt volgens Talpa zaken waarbij gegronde twijfel bestaat over de conclusie dat sprake is van zelfmoord en er dus mogelijk sprake is van een ernstig strafbaar feit, opnieuw onder de aandacht van politie en justitie te brengen. In de betreffende aflevering wordt aandacht besteed aan (de deugdelijkheid van) het door de politie verrichte onderzoek naar de dood van [slachtoffer] en daarmee het functioneren van de opsporingsdiensten. De daarop geuite kritiek komt hoofdzakelijk voort uit een aspect dat volgens [presentator] ten onrechte door de politie en het Openbaar Ministerie over het hoofd is gezien, namelijk dat het raam waardoor [slachtoffer] is gevallen, is aangetroffen in de kiepstand.

4.4.

Voornoemd belang bij dergelijk journalistiek onderzoek laat onverlet dat bij het verrichten van dat onderzoek en vervolgens bij de wijze waarop (het resultaat van) dat onderzoek wordt gepresenteerd, de benodigde zorgvuldigheid moet worden betracht. Hieruit volgt onder meer dat zodra (privé)personen bij het onderzoek worden betrokken en vervolgens in beeld worden gebracht, met gepaste terughoudendheid moet worden gehandeld. Dit geldt met name als beschuldigingen van een strafbaar feit rechtstreeks worden geuit of als betrokkenheid daarbij wordt gesuggereerd. In hoeverre dergelijke uitingen zijn toegelaten, hangt in grote mate af van de steun die zij vinden in het voorhanden zijnde feitenmateriaal.

4.5.

De tweede voornaam van [eiser] , [eiser] , wordt in de aflevering zoals die op 18 januari 2018 werd uitgezonden voor het eerst genoemd in de 23e minuut door de huisbaas, die vertelt dat [eiser] mogelijk beschikte over de huissleutel van [slachtoffer] (zie onder 2.4.1). In totaal wordt deze naam dertien keer genoemd. Dat niet zijn eerste voornaam, maar zijn tweede voornaam wordt genoemd is voor de beoordeling niet relevant, met name nu [eiser] heeft toegelicht dat hij al zijn hele leven wordt genoemd bij zijn tweede naam - wat ook verklaart dat de huisbaas hem zo noemde - en het een weinig voorkomende en daarmee juist eenvoudiger tot [eiser] te herleiden naam betreft.

Daarnaast wordt [eiser] een aantal keren in beeld gebracht; eerst door foto’s van zijn facebookpagina en vervolgens de confrontatie met [presentator] in de Paleistuin te tonen (zie onder 2.4.2 en 2.4.5). In beide gevallen is het gezicht van [eiser] ‘geblurd’. Anders dan Talpa stelt, is de rechtbank van oordeel dat dit ‘blurren’ onvoldoende is om hem onherkenbaar te maken. De combinatie van zijn opvallende lichaamshouding, wijze van kleden en manier van bewegen die op de beelden zichtbaar zijn gebleven, zijn karakteristieke (onvervormde) stem en manier van spreken, de vermelding van een aantal persoonlijke details (waaronder zijn verblijf in Barcelona, depressiviteit en vaderschap van vier kinderen) en de locatie waarop het gesprek plaatsvond waarbij is vermeld dat [eiser] daar vaak aanwezig is, heeft tot gevolg dat [eiser] op een manier in beeld is gebracht waardoor hij in voldoende mate herkenbaar is voor zijn directe omgeving. De nadien doorgevoerde wijzigingen (zie hiervoor onder 2.8), bestaande uit de verwijdering van de naam [eiser] en het gedeeltelijk ‘blurren’ van zijn lichaam, hebben zijn herkenbaarheid onvoldoende kunnen wegnemen, zodat ook voor de aangepaste aflevering geldt dat [eiser] herkenbaar is gebleven. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het argument van Talpa dat [eiser] alleen voor bekenden herkenbaar zou zijn en niet voor het algemene publiek, nu dit impliceert dat herkenbaarheid slechts een rol kan spelen bij personen die reeds bekendheid bij het algemene publiek genieten en voor een dergelijk standpunt geen grond wordt gezien.

4.6.

Van belang is voorts dat de voornoemde confrontatie in de Paleistuin is opgenomen met een verborgen camera. Het gebruik van een verborgen camera is op zichzelf niet steeds ontoelaatbaar, met name wanneer moet worden aangenomen dat geen andere middelen voorhanden zijn om bepaalde informatie te verkrijgen. In dit geval heeft [eiser] ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij waarschijnlijk niet met [presentator] zou hebben gesproken als hij wist dat het gesprek werd opgenomen. Ook als het gebruik van een verborgen camera passend is, moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat deze wijze van filmen bijdraagt aan een bepaald beeld dat aan de kijker wordt overgebracht, namelijk - in situaties zoals deze - het beeld dat sprake is van een (mogelijke) verdachte. In die zin kunnen dergelijke beelden, net zoals het ‘blurren’ van een gezicht en/of lichaam, een criminaliserend effect hebben. Hiervan is met name sprake omdat de gesprekken van [presentator] met de overige personen in de aflevering op normale wijze met een zichtbare camera zijn gefilmd en [eiser] als enige anders wordt benaderd, zoals de kijker zal interpreteren: als mogelijke verdachte.

4.7.

Talpa heeft nog naar voren gebracht dat [presentator] tijdens het gesprek met [eiser] slechts heeft gevraagd naar zijn eventuele betrokkenheid en geen rechtstreekse beschuldigingen heeft geuit. Dit neemt echter niet weg dat die beschuldigingen wel worden gesuggereerd in andere fragmenten, namelijk door op te werpen dat een tweede persoon in de kamer van [slachtoffer] moet zijn geweest, dat [eiser] beschikte over de sleutel van [slachtoffer] , dat hij door een ooggetuige is herkend en dat hij vervolgens “met de noorderzon is vertrokken”. De opmerkingen van de voice-over, en dan met name dat “deze getuigenis maakt [eiser] een direct betrokkene en misschien wel een verdachte”, maken dat uit de aflevering niet anders kan worden afgeleid dan dat [eiser] ten minste als mogelijke verdachte wordt gezien.

4.8.

De vraag is dan in hoeverre de gesuggereerde betrokkenheid van [eiser] steun kan vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Uit de aflevering volgt dat die wordt gebaseerd op twee elementen, namelijk (i) de verklaring van de huisbaas dat [eiser] destijds de beschikking over [slachtoffer] ’s sleutel zou kunnen hebben gehad, en (ii) de verklaring van de ooggetuige dat de persoon die hij uit het raam zag [eiser] kon zijn geweest (“it could be him”). Met betrekking tot die laatste verklaring wordt opgemerkt dat de ooggetuige [eiser] niet herkende op de eerste foto die [presentator] hem toonde en dat hij toelichtte dat een en ander lastig te zien was (het was in het midden van de nacht, dus donker en op enige afstand omdat het raam zich op de derde verdieping bevindt ) en dat hij op dat moment erg was geschrokken. De overige elementen die in de aflevering worden aangevoerd, zien niet concreet op betrokkenheid van [eiser] . Zo kan de omstandigheid dat het raam is aangetroffen in de kiepstand, die voor [presentator] de ‘trigger’ vormde voor zijn verdere onderzoek, weliswaar steun geven aan de conclusie dat mogelijk geen sprake is geweest van zelfmoord, maar daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat [eiser] daarbij betrokken kan zijn geweest. Het beschikbare feitenmateriaal bestaat uit niet meer dan twee onzekere verklaringen en kan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun geven aan de jegens [eiser] geuite (suggesties van) verdachtmakingen. Gelet op het gebrekkige ondersteunende feitenmateriaal mocht van Talpa worden verwacht dat zij zorgvuldig en terughoudend verslag doet, zonder lichtvaardig dusdanig ernstige aantijgingen te uiten.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van [eiser] . De onrechtmatigheid van het handelen van Talpa is daarmee vast komen te staan, hetgeen met zich brengt dat de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van Talpa voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 10 lid 2 EVRM. De door [eiser] ingeroepen bescherming op grond van het portretrecht voegt aan het voorgaande in dit geval niets toe, zodat die grondslag geen behandeling behoeft. Gelet op het voorgaande komt de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat de aflevering jegens hem onrechtmatig is voor toewijzing in aanmerking.

Schadevergoeding

4.10.

Nu vast is komen te staan dat Talpa met de aflevering inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] , maakt hij aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 sub b BW (zie Hoge Raad 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:851). Bij de vaststelling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag wordt onder meer in ogenschouw genomen dat de betrokkenheid van [eiser] niet als vaststaande feiten wordt gepresenteerd, maar wel op zodanige wijze wordt gesuggereerd dat die indruk wordt gewekt, dat hij daarbij als enige mogelijke verdachte wordt aangedragen en dat het gaat om een ernstige verdachtmaking. Op grond van die omstandigheden komt de rechtbank op een toe te rekenen bedrag van € 4.500,00.

Kosten

4.11.

De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten die hij stelt te hebben gemaakt, zullen worden toegewezen voor zover zij zijn berekend volgens de wettelijke staffel, zoals vermeld in de beslissing.

Proceskosten

4.12.

Talpa zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 81,00

- salaris advocaat 922,00 (2,0 punten × tarief € 461,00)

Totaal € 1.102,01

4.13.

Tot slot zal Talpa worden veroordeeld in de nakosten, zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de aflevering van ‘Moord of zelfmoord’, zoals op 18 januari 2018 uitgezonden en vervolgens - in oorspronkelijke dan wel aangepaste vorm - online beschikbaar is gesteld, onrechtmatig is jegens [eiser] ,

5.2.

veroordeelt Talpa TV en Simpel Media hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 4.500,00,

5.3.

veroordeelt Talpa TV en Simpel Media hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.102,01,

5.4.

veroordeelt Talpa TV en Simpel Media in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Talpa niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. M.A. Kloppenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.

De griffier is buiten staat

dit vonnis te ondertekenen