Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4226

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
C/13/688135 / KG ZA 20-701 CdK/LO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, uitleg algemene voorwaarden.

Hilton heeft de overeenkomst met schoonmaakbedrijf CSU opgezegd, maar hoeft het schoonmaakpersoneel niet over te nemen, omdat er geen sprake is van inbesteding, maar van minder werk. Volgens CSU blijkt uit de algemene voorwaarden dat Hilton verplicht is om bij uitbesteding aan een nieuw schoonmaakbedrijf en bij inbesteding, het schoonmaakpersoneel van CSU over te nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van inbesteding. Doordat de kamerbezetting en de zalenverhuur als gevolg van de coronacrisis sterk zijn teruggelopen is er minder werk en kan Hilton het werk dat er is met haar eigen schoonmaakpersoneel uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/253
RAR 2020/159
RCR 2020/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/688135 / KG ZA 20-701 CdK/LO

Vonnis in kort geding van 27 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU SERVICES II B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseres bij dagvaarding van 10 augustus 2020,

advocaten mrs. R. van der Jagt en M.L.G. Otto te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HILTON INTERNATIONAL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. T. Timmermans en I.M. van Erkel te Amsterdam.

Partijen zullen hierna CSU en Hilton worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van 21 augustus 2020 heeft CSU de vordering(en) zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Hilton heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Vonnis is bepaald op heden.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de kant van CSU: [naam 1] , business unit directeur in dienst bij CSU Holding B.V., met mr. Otto;

aan de kant van Hilton: [naam 2] , assistent HR manager, [naam 3] , inkoopmanager, met mr. Van Erkel en mr. Timmermans.

2 De feiten

2.1.

CSU voert een schoonmaak- en servicebedrijf als onderdeel van de CSU Groep.

2.2.

Hilton exploiteert hotels, onder andere in Amsterdam, onder de handelsnaam Amsterdam Hilton.

2.3.

In mei 2013 zijn [naam B.V.] . (hierna: [naam B.V.] ) - onderdeel van de [naam B.V.] Groep - en Hilton een overeenkomst tot het verrichten van schoonmaakdiensten voor Hilton aangegaan, nadat [naam B.V.] reeds sinds 2006 deze diensten voor Hilton verrichtte (hierna: de overeenkomst). Per 27 januari 2020 heeft CSU de activa en passiva van de [naam B.V.] groep overgenomen.

2.4.

Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten 2007 (hierna ook wel: de OSB-voorwaarden 2007) van toepassing.

2.5.

In geval Hilton de schoonmaakdiensten vervolgens aan een ander uitbesteedt geldt artikel 15 onder b van de OSB-voorwaarden 2007:

(…) Artikel 15 Contractswisseling en werkgelegenheid

b. De aannemer verbindt zich jegens de opdrachtgever zich te gedragen conform het bepaalde omtrent werkgelegenheid bij contractswisseling in de Collectieve Arbeidsovereenkomst in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (cao). De aannemer zal derhalve zowel bij het aangaan van de overeenkomst met de opdrachtgever, alsook bij beëindiging ervan – voorzover hierbij sprake zal zijn van contractswisseling – in overleg treden met de andere in het geding zijnde aannemer, teneinde zoveel mogelijk werkgelegenheid te behouden, èn om uitvoering te geven aan een, conform cao, mogelijk op één van beide aannemers rustende verplichting tot het aanbieden van een arbeidsovereenkomst aan het schoonmaakpersoneel. (…)

2.6.

In geval Hilton de schoonmaakdiensten vervolgens inbesteedt geldt artikel 15 onder c van de OSB-voorwaarden 2007:

(…) c. Voor zover de opdrachtgever, na beëindiging van de overeenkomst met de aannemer, de werkzaamheden zoals genoemd in artikel 1 lid a niet uitbesteedt aan een ander doch inbesteedt, zijn de artikelen BW 7:662 e.v. inzake overgang van onderneming van toepassing. (…)

2.7.

Onder de overeenkomst verricht CSU op dit moment met 16 werknemers schoonmaakwerkzaamheden in de publieke ruimtes en in de hotelkamers van Hilton Amsterdam. Hilton heeft ook eigen schoonmaakpersoneel in dienst, thans 22 werknemers (19,7 fte).

2.8.

Hilton heeft de overeenkomst bij brief van 14 mei 2020 opgezegd tegen 31 augustus 2020, waarbij zij heeft meegedeeld ervan uit te gaan dat de medewerkers van CSU die bij Hilton werkzaam zijn door CSU intern kunnen worden herplaatst.

2.9.

CSU heeft de opzegging bij brief van 16 juni 2020 geaccepteerd, maar heeft Hilton erop attent gemaakt dat zij of het opvolgende schoonmaakbedrijf het schoonmaakpersoneel een arbeidsovereenkomst moet aanbieden.

2.10.

Op 30 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] van CSU en [naam 3] , van Hilton. [naam 1] heeft dat gesprek samengevat in een brief van 6 juli 2020, waarin hij schrijft dat Hilton16 schoonmaakmedewerkers van CSU die bij Hilton actief zijn een aanbod zal doen conform het bepaalde van art. 15 sub c OSB-voorwaarden 2007.

2.11.

In reactie daarop heeft [naam 4] van Hilton bij brief van 7 juli 2020 laten weten dat hij de weergave van de afspraken ontkent. In die brief staat onder meer het volgende.

(…) Het gesprek van 30 juni jl. is door Hilton geïnitieerd om te onderzoeken of een gewijzigde propositie (met vermindering van uren/werkzaamheden) tot de mogelijkheden zou behoren en, zo nee, om te onderzoeken of er een oplossing gevonden kan worden voor het schoonmaakpersoneel, omdat er binnen Hilton geen/nauwelijks schoonmaakwerk voorhanden is. (…)

Er is niet besproken over de wijze waarop Hilton uitvoering zal gaan geven aan de schoonmaakactiviteiten na het einde van onze overeenkomst. Van enige continuering is namelijk geen sprake; de werkzaamheden stoppen op het einde van het contract. Er is door mij zéker niet aangegeven dat Hilton zelf de werkzaamheden zal gaan uitvoeren, de werkzaamheden zijn immers grotendeels niet meer nodig/aanwezig gezien de werkvermindering. (…)

2.12.

Bij brief van 9 juli 2020 heeft mevrouw [naam 2] van Hilton in navolging van het op 30 juni 2020 gevoerde gesprek gegevens van de werknemers opgevraagd om uitvoeringsafspraken te maken.

2.13.

Bij e-mail van 10 juli 2020 heeft [naam 1] van CSU (met als bijlage een brief gedateerd 6 juli 2020) Hilton verzocht om uiterlijk 14 juli 2020 te bevestigen dat zij zich aan de gemaakte afspraken zal houden en het personeel zal overnemen.

2.14.

Bij brief van 14 juli 2020 heeft CSU nog ontbrekende werknemersgegevens toegezonden aan Hilton.

2.15.

Bij brief van 27 juli 2020 heeft Payer van Hilton aan CSU bericht dat zich geen situatie als bedoeld in artikel 15 sub c OSB-voorwaarden 2007 voordoet en dat er ook geen derde zal zijn die de schoonmaakwerkzaamheden zal overnemen.

2.16.

Bij brief van 4 augustus 2020 heeft mr. Van der Jagt Hilton gesommeerd om aan de bepalingen van de OSB-voorwaarden 2007 te voldoen.

3 Het geschil

3.1.

CSU vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair

I. Hilton te veroordelen binnen 3 dagen na vonnis antwoord te geven op de vraag of zij de schoonmaakwerkzaamheden na het einde van de overeenkomst zelf ter hand neemt, dan wel dat en aan wie zij dat extern uitbesteedt;

II. Hilton te veroordelen bij heraanbesteding van de werkzaamheden om binnen 3 dagen na vonnis CSU in de gelegenheid stellen met een opvolgend externe schoonmaakpartij in overleg te treden ter voldoening aan het in artikel 15 sub b van de OSB-voorwaarden en artikel 38 CAO [Collectieve Arbeidsovereenkomt schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf] bepaalde;

III. Hilton te veroordelen bij het zelf ter hand nemen van de werkzaamheden binnen 3 dagen na vonnis de werknemers een aanbod te doen;
subsidiair

IV. Hilton te veroordelen te gehengen en gedogen dat de werknemers van CSU die dat willen bij Hilton blijven werken, totdat in een bodemprocedure is beslist;

V. Hilton te veroordelen CSU te compenseren voor de personeelskosten die CSU moet maken in verband met het onder IV gevorderde;
primair en subsidiair

VI. aan het gevorderde onder I tot en met IV een dwangsom te verbinden van € 1.000,- per dag;

VII. met veroordeling van Hilton in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Hilton voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat de OSB-voorwaarden 2007 van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen partijen. De onder I. gevorderde mededeling heeft Hilton inmiddels gedaan. Partijen verschillen er niet meer over van mening dat Hilton geen derde partij zal inschakelen voor de schoonmaakwerkzaamheden, zodat artikel 15 sub b geen toepassing vindt (vordering onder II.). Partijen verschillen echter wel van mening over de uitleg van artikel 15 sub c van de OSB-voorwaarden 2007.

4.2.

CSU stelt kort gezegd dat partijen met deze bepaling hebben afgesproken dat de rechtsgevolgen van de wettelijke regeling inzake overgang van onderneming van toepassing zijn indien het hotel besluit om de werkzaamheden zelf te gaan verrichten. Volgens CSU is hiervoor bewust gekozen, om niet eerst te moeten vaststellen of aan de voorwaarden van overgang van onderneming is voldaan. Voor de uitleg moet tevens worden gekeken naar de OSB-voorwaarden 2019 waarin de tekst van artikel 15 verder is uitgewerkt en waarbij ook een toelichting is gevoegd. Hilton heeft deze algemene voorwaarden geaccepteerd, dus zijn partijen dat zo overeengekomen.

4.3.

Hilton heeft als verweer aangevoerd dat artikel 15 sub c van de OSB-voorwaarden 2007 aldus moet worden gelezen dat met deze bepaling wordt bedoeld dat de regeling inzake overgang van onderneming alleen van toepassing is als voldaan is aan de wettelijke voorwaarden, oftewel pas als is voldaan aan de wettelijke vereisten voor overgang van onderneming moet de inbesteder de werknemers overnemen. De voorvraag is echter of sprake is van inbesteding. Pas als aan die voorwaarde is voldaan dient de vraag of sprake is van overgang van onderneming te worden beantwoord.

In dit geval is volgens Hilton geen sprake van inbesteding en overigens ook niet van overgang van onderneming. Er is geen economische eenheid die overgaat, er is simpelweg minder werk als gevolg van de Covid 19-crisis in de hotelbranche. Hilton heeft op dit moment een bezettingsgraad van 25% voor de hotelkamers, waar dat normaal gesproken 75% is, en ook de zalenverhuur is drastisch teruggelopen. Er is daarom minder werk voor schoonmaakpersoneel, en het werk dat er is kan Hilton af met het personeel dat al bij haar in dienst is. Dat laatste maakt nog niet dat sprake is van inbesteding: de huidige werknemers zetten hun werk voort en er worden geen nieuwe mensen aangenomen. Het ligt onder die omstandigheden voor de hand om de contracten voor extern ingehuurde werknemers te beëindigen zonder hen te hoeven overnemen, aldus nog steeds Hilton.

4.4.

Nu partijen verdeeld zijn over de uitleg van artikel 15 sub c, dient te worden onderzocht wat partijen met elkaar hebben afgesproken. Hierbij wordt vooropgesteld dat Hilton in dit verband terecht heeft aangevoerd dat eenzijdig opgestelde documenten die voor meerdere contracten als voorwaarden worden toegepast, dienen te worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde CAO-norm. Volgens vaste rechtspraak zijn voor die uitleg in beginsel de bewoordingen daarvan en van de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de tekst is opgesteld. Bij de toepassing van de cao-norm kan geen betekenis worden toegekend aan andere stukken dan de tekst van de cao en de eventueel daarbij behorende toelichting. Dat wordt niet anders indien dergelijke andere stukken algemeen kenbaar zijn, afkomstig zijn van de gezamenlijke cao-partijen en bedoeld zijn om werkgevers en werknemers voor te lichten over de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Zij vormen ook dan immers geen deel van de uit te leggen rechtsbron (de tekst van de cao), en hebben evenmin de status van een bij die tekst behorende toelichting. (ECLI:NL:HR:2018:678). Dat betekent dat de OSB-voorwaarden van 2019 en de toelichting van een medewerker van OSB uit 2020, die door CSU zijn aangehaald ter ondersteuning van haar stelling dat Hilton een aanbiedingsplicht heeft, geen rol kunnen spelen bij de uitleg van de OSB-voorwaarden 2007.

4.5.

De tekst van artikel 15 sub c van de OSB-voorwaarden 2007 schrijft voor dat artikel 7:662 en verder BW van toepassing zijn indien de opdrachtgever, in dit geval Hilton, inbesteedt. Kern van het geschil is dus de vraag of in dit geval sprake is van inbesteding. CSU stelt dat indien Hilton de schoonmaakwerkzaamheden zelf gaat verrichten er per definitie sprake is van inbesteding, dat de tegenhanger is van uitbesteding: het overdragen van een bedrijfsactiviteit aan een externe partij. Hilton heeft in dat verband het volgende aangevoerd. [naam B.V.] is bij het aangaan van het schoonmaakcontract door Hilton ingeschakeld voor het meerwerk. Om bedrijfseconomische redenen als gevolg van Covid-19 en de te verwachten bezetting over 2020 en begin 2021 is dit meerwerk niet meer nodig. Hilton Amsterdam had en heeft eigen schoonmakers in dienst voor de basis-werkzaamheden. Het hotel moet immers altijd worden schoongemaakt, ongeacht de bezettingsgraad. De kamerbezetting en de benutting van de openbare ruimtes en congreszalen bepalen echter hoe frequent er moet worden schoongemaakt en met hoeveel fte. Het contracteren met een schoonmaakbedrijf heeft dus het voordeel dat Hilton meer flexibiliteit heeft in de bemensing. De medewerkers van CSU verrichtten voor het overgrote deel de werkzaamheden in de publieke ruimtes, waarvan de frequentie van de schoonmaak sterk is gedaald.

4.6.

Hilton heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een sterke teruggang in de kamerbezetting en benutting van de openbare ruimtes, zoals dat bij alle hotels (in het duurdere segment) in Amsterdam het geval is als gevolg van Covid-19. Het meerwerk, waarvoor CSU is ingeschakeld, is niet meer beschikbaar. Ook Hilton gaat dat werk niet verrichten. Van 48,6 fte per week aan benodigd schoonmaakpersoneel vóór Covid-19 heeft Hilton thans nog voor 19,4 fte aan schoonmaakpersoneel nodig. Het voorgaande brengt mee dat in dit geval niet kan worden gesproken van inbesteding. De beschermingsgedachte van richtlijn 2001/23/EG wordt hiermee niet geschonden. Die geldt als het werk verricht blijft worden en dat is hier niet het geval. Hilton heeft onweersproken gesteld dat de schoonmaakmedewerkers die bij haar in dienst zijn op dit moment betaald thuis zitten, terwijl de medewerkers van CSU het nog aanwezige werk verrichten. Hilton houdt de CSU-medewerkers op dit moment nog aan het werk omdat zij daar toch voor moet betalen.

4.7.

Nu geen sprake is van inbesteding zijn evenmin de artikelen 7:662 BW en verder van toepassing en bestaat er in dit geval geen overnameverplichting voor het personeel van CSU. De gevorderde voorzieningen zullen dan ook worden afgewezen.

4.8.

CSU zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten zoals hierna in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt CSU in de proceskosten, aan de zijde van Hilton begroot op € 656,- aan griffierecht en € 980,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt CSU in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L. Oostinga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2020.1

1 type: CMEdK coll: EB