Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4216

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
C/13/670954 / FA RK 19-5043
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2021:560
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

schenkingen, erfenis en stamrecht bij niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

locatie Amsterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/13/670954 / FA RK 19-5043

C/13/681247 / FA RK 20-1420

Beschikking d.d. 5 augustus 2020 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.J.P. Liefting, gevestigd te Mijdrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 30 juli 2019;

- het verweerschrift, tevens zelfstandige verzoeken, van de vrouw, ingekomen op 29 oktober 2019;

- het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, tevens wijziging van de nevenvoorzieningen van de man, ingekomen op 8 januari 2020 ;

- een brief van de man van 30 maart 2020 met bijlagen;

- een aanvullend verzoek van de vrouw van 8 juni 2020;

- een brief van de man van 8 juni 2020 met bijlagen;

- een verweer van de man tegen aanvulling verzoeken van de vrouw, van 12 juni 2020;

- een aanvullend verzoek van de man van 17 juni 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen vergezeld van hun advocaten. Beide partijen hebben ter zitting pleitnoties overlegd.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen, die de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn met elkaar gehuwd op 26 april 1993 te Nieuw Sloten. Zij hebben geen minderjarige kinderen meer.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

Partijen verzoeken de echtscheiding tussen partijen uit te spreken op de grond dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.2.2.

De rechtbank zal het verzoek van partijen, als op de wet gegrond, toewijzen.

2.3.

Gebruiksrecht en gebruiksvergoeding van de echtelijke woning

2.3.1.

Partijen hebben in gezamenlijke mede-eigendom de echtelijke woning, gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] . De man heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht tot het plaats hebben gehad van de verdeling, althans tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding bij uitsluiting van de vrouw en met de daarbij behorende inboedel.

2.3.2.

De vrouw stelt dat zij er geen probleem mee heeft dat de man in de echtelijke woning blijft wonen voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking mits de man alle kosten van de woning met terugwerkende kracht tot 1 juli 2019 voor zijn rekening neemt en zal meewerken aan verkoop op de woning op de kortst mogelijke termijn.

2.3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Ieder van partijen in beginsel bevoegd de woning, die gemeenschappelijk eigendom van partijen is, te gebruiken. Vast staat dat de man al het alleengebruik heeft van de woning en tussen partijen is niet in geschil dat aan hem op grond van artikel 1:165 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hem het uitsluitende gebruik van de woning kan worden toegekend voor de duur van 6 maanden. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat daaraan niet door haar als tweede gestelde voorwaarde kan worden gekoppeld, omdat die voorwaarde het gebruik nu juist weer illusoir kan maken. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat de vrouw na ontbinding van het huwelijk, derhalve na inschrijving van deze beschikking in de daarvoor bestemde registers van de burgerlijke stand, aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding. Voor de periode daaraan voorafgaand heeft de vrouw deze aanspraak niet, omdat echtgenoten op grond van artikel 1:81 BW verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. Daartoe hoort, zo oordeelt de rechtbank, ook het gebruik van de woning door de man. De vrouw heeft de woning verlaten en verblijft sindsdien naar haar eigen zeggen in haar andere (privé) woning.

2.3.4.

De rechtbank overweegt verder dat als praktische vuistregel in de jurisprudentie vaak de gebruiksvergoeding wordt weggestreept tegen het aandeel van degene die de woning niet langer bewoont in de hypotheek- en de overige eigenaarslasten tijdens de periode van onverdeeldheid. De rechtbank acht toepassing van deze vuistregel ook in de situatie van partijen passend en zal daarom bepalen dat de man vanaf het moment dat partijen officieel gescheiden zijn als gebruiksvergoeding ook het aandeel van de vrouw in genoemde lasten voor zijn rekening zal moeten nemen.

2.4.

Partneralimentatie

2.4.1.

De man heeft verzocht een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 3.000,- per maand.

2.4.2.

De vrouw betwist dat de man een (aanvullende) behoefte heeft aan een partnerbijdrage. De man heeft altijd als aannemer gewerkt en is dus heel goed in staat om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast heeft de man, ook nadat de vrouw de behoefte van de man heeft betwist, nagelaten zijn behoefte aan een partnerbijdrage te onderbouwen met een behoeftelijst. Tot slot merkt de vrouw nog op dat zij ook geen draagkracht heeft omdat zij slechts een WIA-uitkering ontvangt.

2.4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (Hoge Raad d.d. 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2379).

2.4.4.

De man heeft geen concrete informatie aangedragen over de hoogte van zijn (aanvullende) behoefte. Financiële gegevens waardoor zowel het netto besteedbaar gezinsinkomen als de (aanvullende) behoefte van de man kunnen worden vastgesteld, ontbreken. Nu niet door de rechtbank kan worden vastgesteld of de man een (aanvullende) behoefte aan een partnerbijdrage heeft, en zo ja voor welk bedrag, zal het verzoek van de man tot een (aanvullende) partnerbijdrage worden afgewezen.

2.5.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.5.1.

Voorafgaand aan hun huwelijk zijn partijen op 24 februari 1993 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. In deze akte van huwelijkse voorwaarden zijn partijen – kort gezegd – naast een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen onder meer een periodiek verrekenbeding overeengekomen ten aanzien van onverteerde inkomens of van hetgeen door belegging van onverteerd inkomen is verkregen. Aan de akte van huwelijkse voorwaarden is een staat van aanbrengsten gehecht, waaruit – voor zover hier van belang – volgt dat de vrouw in 1993 inboedelbestanddelen heeft ingebracht welke tot haar privévermogen blijven behoren.

2.5.2.

Partijen verzoeken beide een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.

Periodiek verrekenbeding

2.6.

Partijen hebben tijdens hun huwelijk geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

2.7.

De vrouw betwist dat artikel 1:141 lid 3 BW van toepassing is. Zij stelt dat aan dit wetsartikel niet wordt toegekomen omdat partijen uitermate beperkte inkomsten hadden die geheel opgingen aan de kosten van de huishouding. Zodoende viel er niets periodiek te verrekenen en is er ook geen sprake van een niet nagekomen verrekenbeding. Al het aanwezige vermogen is volgens de vrouw gevormd uit privévermogen van haar zijde. De vrouw ontving immers zowel voor als tijdens het huwelijk schenkingen van haar ouders en - na het overlijden van haar vader - van haar moeder (hierna kortheidshalve: “van haar ouders”).

2.8.

De man betwist het standpunt van de vrouw. Volgens hem genereerde hij het grootste gedeelte van het huwelijk inkomsten als aannemer. Ook kregen partijen gedurende het huwelijk steeds meer huurinkomsten uit hun panden. Dit ging nooit helemaal op aan het huishouden. Partijen spaarden en investeerden met de overgespaarde inkomsten. Verder betwist de man dat er sprake is van schenkingen aan de vrouw. De ouders maakten wel geld over, maar niet als schenkingen aan de vrouw. Vandaar dat de vrouw hier ook geen bewijzen van overlegt. In plaats daarvan betaalden de ouders van de vrouw mee aan het huishouden van partijen, de kosten van de kinderen (kleding, paardrijlessen, buitenlandse opleidingen, etc.) en luxe vakanties. Zo deden zij dat bij al hun kinderen. De vrouw heeft twee zussen en een broer. De ouders hielden deze betalingen minutieus bij zodat er geen discussie tussen de vier kinderen over zou ontstaan. De vrouw is in het bezit van de administratie van de overboekingen van haar ouders waaruit dit blijkt, volgens de man, maar zij weigert deze over te leggen. In elk geval waren partijen zodoende in staat hun eigen overgespaarde inkomen te sparen en te beleggen en dient alles wat partijen hebben opgebouwd qua geldelijke waarde verdeeld/verrekend te worden, aldus de man.

2.9.

De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat partijen tijdens het huwelijk niet periodiek hebben verrekend. De verplichting om overgespaard inkomen te verrekenen is dus in stand gebleven. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW geldt in dat kader het bewijsvermoeden dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het is aan partijen om dit bewijsvermoeden te ontkrachten.

2.10.

Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat de verzoeken van partijen zien op de verdeling van een eenvoudige gemeenschap en op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. In die volgorde zal de rechtbank de verzoeken van partijen dan ook beoordelen. Daarbij zal de rechtbank als peildatum voor de verrekening 30 juli 2019 aanhouden, nu ter zitting is gebleken dat beide partijen van die datum uit lijken te gaan en deze datum niet ver verwijderd ligt van de datum waarop partijen feitelijk uiteen gingen (juni 2019).

1. Eenvoudige gemeenschappen

Woning [adres 1] [woonplaats]

2.11.

Partijen houden in eenvoudig mede-eigendom de echtelijke woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] . Met betrekking tot de verdeling van deze woning verzoekt de vrouw de rechtbank te bepalen dat de woning aan derden wordt verkocht. Met betrekking tot de eindafrekening van partijen stelt de vrouw dat wel eerst aan haar volledig vergoed dient te worden hetgeen zij uit hoofde van schenkingen en giften van haar moeder aan privévermogen heeft gekregen.

2.12.

De man voert geen verweer tegen het verzoek tot verkoop. Wel verzet hij zich tegen het verzoek van de vrouw om het bedrag dat hem toekomt uit de verkoop te betrekken in de eindafrekening tussen partijen van het periodiek verrekenbeding.

2.13.

Nu beide partijen het eens zijn dat de woning moet worden verkocht zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot de verkoop van de woning toewijzen en het zogenaamde “spoorboekje” over de wijze van verkoop opnemen in de beschikking. Het verzoek van de vrouw om hetgeen de man toekomt uit de verdeling mee te nemen in de verrekenvordering zal de rechtbank echter afwijzen. Immers, ook al zou uit de verrekening een verbintenis tot betaling van de man aan de vrouw volgen, dan nog is het aan de man om te beslissen uit welke middelen hij dan betaalt. De vrouw heeft onvoldoende aangevoerd om van dit beginsel af te wijken.

Bankrekening op naam van beide partijen

2.14.

Partijen hebben een gezamenlijke rekening: [rekeningnummer 1] . De rechtbank zal het saldo van deze bankrekening behandelen als een eenvoudige gemeenschap waarvan de waarde op de peildatum verdeeld dient te worden. Als peildatum voor de verdeling hanteert de rechtbank 30 juli 2019, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift.

Inboedel

2.15.

Tussen partijen is in geschil of de inboedel een eenvoudige gemeenschap is of buiten het te verrekenen vermogen valt. De vrouw stelt dat zij nagenoeg de gehele inboedel heeft aangebracht en dat dit blijkt uit de lijst van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden. Volgens haar komen alle opgesomde goederen haar toe plus alle goederen die door later door haar zijn aangeschaft. Zij doet daarbij een beroep op zaaksvervanging. Zodoende maakt zij aanspraak op de gehele inboedel, aldus de vrouw. Van verdeling van de inboedel kan daarom geen sprake zijn.

2.16.

De man voert verweer. Hij stelt dat de inboedel die 27 jaar geleden beschreven is bij de huwelijkse voorwaarden er helemaal niet meer is. Door de jaren heen hebben partijen de woning samen aangekleed. Van ieders rekeningen zijn de gekochte zaken betaald. De man stelt dat de vrouw al meerdere keren met familie in de woning is geweest en alles heeft meegenomen wat zij wilde hebben. De verdeling van de inboedel heeft al plaatsgevonden.

2.17.

De rechtbank oordeelt als volgt. In de huwelijkse voorwaarden staat het volgende vermeld:

Artikel 2

  1. Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.

  2. ….

2.18.

Zolang geen van beide partijen aannemelijk kan maken dat een bestanddeel van de inboedel tot het privévermogen behoort, wordt de gehele inboedel op grond van voormeld artikel uit de huwelijkse voorwaarden geacht partijen ieder voor de helft in eigendom toe te komen. De vrouw heeft op de staat van aanbrengsten een aantal inboedelbestanddelen aangewezen als behorend tot haar privévermogen. Dat diezelfde inboedelbestanddelen nog aanwezig zijn, is niet gesteld. Van zaaksvervanging kan bovendien geen sprake zijn. Er is niet gesteld dat ingebrachte inboedelbestanddelen zijn ingeruild. Ook is niet gesteld dat de vervangende inboedelbestanddelen zijn gefinancierd met vermogen dat buiten de verrekening blijft. Tot slot is daarnaast ook niet door de vrouw gesteld dat deze inboedelbestanddelen aan haar in privé in plaats van aan partijen gezamenlijk geleverd zijn. De inboedel wordt daarom geacht gemeenschappelijk te zijn.

2.19.

Nu de vrouw de stelling van de man dat de inboedel in feite al is verdeeld niet, althans onvoldoende, heeft weersproken en niet door de rechtbank kan worden vastgesteld wie van partijen op dit moment welke goederen onder zich heeft en of één van hen op dit punt op dit moment wordt over- of onderbedeeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de inboedel feitelijk tussen partijen is verdeeld en dat zij over en weer niets meer aan elkaar zijn verschuldigd op dit punt.

2. Het te verrekenen vermogen

2.20.

Door partijen zijn in verband met de verrekening de volgende onderwerpen naar voren gebracht:

  1. woning aan de [adres 2] ;

  2. woning op Bali;

  3. banksaldi van partijen;

  4. auto.

Sub a. [adres 2] : op naam van de vrouw

2.21.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting zijn de volgende feiten vast komen te staan. De woning aan de [adres 2] is op 17 juni 2004, derhalve tijdens de huwelijkse periode, op naam van de vrouw in eigendom verkregen. Op de woning rust een hypothecaire lening van € 177.500,-- op naam van beide partijen. De rentelasten en bijdragen VvE werden voldaan van een bankrekening op naam van de man. De inkomsten uit de verhuur van de woning werden ook op deze bankrekening ten name van de man gestort.

2.22.

De vrouw stelt dat de woning haar in privéeigendom toebehoort en geen onderdeel uitmaakt van het te verrekenen vermogen. De woning staat immers op haar naam en op de hypotheek is niet afgelost. Haar moeder heeft een bedrag van € 10.000,-- geschonken welk bedrag zij heeft ingebracht bij de aankoop van de woning. De man heeft niets ingebracht. Weliswaar betaalde de man kosten verbonden aan de woning, maar die kosten behoren tot de kosten huishouding. Daarnaast overtroffen de huurinkomsten de lasten zodat de man er per saldo profijt van had, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van de vrouw.

2.23.

De man verweert zich tegen de stellingen van de vrouw met het argument dat partijen alles altijd gezamenlijk bekostigden en ook deze woning gezamenlijk hebben gefinancierd. Vervolgens heeft hij als aannemer de woning grondig verbouwd. Hij betwist dat de vrouw een schenking van € 10.000,-- heeft ingebracht. Dit blijkt ook nergens uit.

2.24.

De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest van de Hoge raad van 19 november 2010 (LJN:BN:8027) is bepaald dat “onjuist is het standpunt dat partijen die periodieke verrekening achterwege hebben gelaten, maar bij het einde van het huwelijk tot verrekening overgaan, daarin zouden moeten betrekken de waarde(vermeerdering) van privégoederen die niet zijn verworven door aanwending van uit hun inkomsten bespaard en ongedeeld gebleven vermogen. Onjuist is tevens het uitgangspunt dat het feit dat de hypothecaire lening gezamenlijk is aangegaan meebrengt dat de koopsom van de woning ten laste van het verrekenplichtig vermogen is gekomen, ook al hebben de rentebetalingen als kosten van de huishouding te gelden en is van aflossingen in welke vorm dan ook geen sprake geweest.”

2.25.

In navolging van dit arrest is de rechtbank het met de vrouw eens dat de waarde van deze woning niet in de verrekening betrokken dient te worden. De vrouw heeft de woning immers in eigendom en de man heeft onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat de woning (deels) met overgespaard inkomen danwel met privévermogen van de man is gefinancierd. Hooguit is er met privévermogen van € 10.000,- zijdens de vrouw geïnvesteerd bij de aanschaf van de woning. Dit is echter niet relevant nu de woning de vrouw in privé toebehoort.

2.26.

De vraag of de man op grond van artikel 1:136 BW een verrekenvordering heeft terzake van later door hem uitgevoerde verbouwingen is een andere. Nu de man dit weliswaar stelt maar geen bedragen noemt en ook niets hierover overlegt, zal de rechtbank aan deze stelling(en) van de man voorbijgaan.

Sub b. woning op Bali: op naam van de man

2.27.

De woning op Bali is in 1998, derhalve tijdens de huwelijkse periode, op naam van de man in eigendom verkregen. Partijen zijn het er over eens dat de man met contant geld ter waarde van fl. 40.000,-- naar Bali is gegaan om de woning te kopen. Zij verschillen echter van mening over de herkomst van het contante geld.

2.28.

De vrouw stelt dat zij voor de aankoop een schenking van haar ouders had gekregen van fl. 40.000,-- . Uit latere schenkingen van haar moeder van € 45.000,-- (waaruit ook verbeteringen aan een inmiddels verkochte woning [adres 3] zijn bekostigd) en € 10.000,-- zijn nadere ingrijpende verbouwingen aan de keuken, de badkamer, de masterbedroom en het terras met overkapping gerealiseerd. De facto is de hele woning, alsmede het onderhoud en de verbouwingen daarvan volgens haar volledig gefinancierd uit haar privévermogen.

2.29.

De vrouw voegt hier nog aan toe dat dat het de bedoeling was dat de woning op haar naam zou komen te staan. Dat dit niet is gebeurd komt omdat zij bij de levering niet aanwezig kon zijn en de levering op haar naam toen niet mogelijk bleek. Uit praktische overwegingen is de woning op naam van de man gesteld, maar met de bedoeling dit ooit nog te wijzigen. Dit is nooit gebeurd. Aan het enkele feit dat de woning op naam van de man is gesteld, kan de man in zijn vermogensrechtelijke verhouding tot haar geen rechten ontlenen, aldus de vrouw.

2.30.

De vrouw legt een verklaring van haar moeder over van 27 juli 2019 waarin haar moeder uiteenzet welke bedragen ten behoeve van de woning op Bali aan de vrouw zijn geschonken:

 Fl. 40.000,-- voor de aanschaf;

 € 18.000,-- voor de verbouwing.

Voor de schenking van € 10.000,-- verwijst de vrouw naar haar productie 12. De vrouw wijst er voorts op dat de man zelf de schenkingen erkent omdat hij in zijn testament van 14 juli 2011 heeft opgenomen dat hij met betrekking tot de aanschaf van de woning op Bali een bedrag van € 15.000,-- van de vrouw geleend zou hebben en voorts nog € 17.000,-- in verband met de latere verbouwing.

2.31.

De vrouw vervolgt dat ook alle lopende kosten met betrekking tot deze woning uit haar vermogen zijn voldaan. De kosten zijn weliswaar voldaan via de gezamenlijke rekening van partijen [rekeningnummer 1] maar deze rekening werd via de privérekening van de vrouw gevoed. Waar een enkele mutatie van en naar de rekening van de man zichtbaar is betreft dat een correctie met betrekking tot een enkele andere post die via deze rekening werd voldaan, bijvoorbeeld een overschrijving naar een kind.

Volgens de vrouw maakt zij aanspraak op een vergoedingsrecht neerkomend op de gehele waarde van die woning. Een en ander als rendement op de uit haar privévermogen gedane aankoopfinanciering en latere verbouwingsinvesteringen in de woning .

2.32.

De man betwist de lezing van de vrouw en stelt dat het contant geld waarmee hij naar Bali was afgereisd afkomstig was uit zwarte inkomsten van zijn aannemersbedrijf. Dat het geen schenking van de ouders van de vrouw betrof blijkt volgens de man uit de bankafschriften die door de vrouw zelf zijn overgelegd. Hieruit valt namelijk af te lezen dat de ouders van de vrouw weliswaar geregeld geld op hun bankrekening overmaakten maar daar dat geld was voor het hele gezin bedoeld. Het diende ter bestrijding van de kosten van de huishouding en niet als schenking. Als gezegd hield de vrouw een nauwkeurige administratie van de overboekingen van haar ouders bij. Het had op haar weg gelegen om de schenking aan te tonen door de administratie over te leggen in plaats van te volstaan met een achteraf opgemaakte verklaring van de moeder van de vrouw.

2.33.

De man geeft voorts nog aan dat de woning geen fl. 40.000 heeft gekost maar slechts fl. 10.000. Eenmaal in Indonesië aangekomen werd het land namelijk getroffen door een uitzonderlijk grote inflatie waardoor hij omgerekend nog slechts een aankoopprijs van fl 10.000 voor de woning hoefde te betalen. Hij heeft nog een deel van het contante geld besteed aan verblijf daar en is met het restantbedrag weer teruggevlogen. Latere verbouwingen zijn gefinancierd uit de huuropbrengst. Indien er onvoldoende geld op de rekening op Bali stond, maakten partijen geld van hun inkomensrekeningen in Nederland over om het saldo in Bali aan te zuiveren, zonder dat zij acht sloegen op wat van welke rekening werd betaald.

2.34.

Het klopt volgens de man ook dat hij in het testament geldleningen van de vrouw heeft opgenomen. Dit zegt echter niets over schenkingen. De vrouw maakte geld over van haar bankrekening waar (ook) inkomen uit arbeid en huur op binnenkwamen. De man heeft deze passage in zijn testament opgenomen om een bedrag veilig te stellen voor de vrouw dat zij niet met de kinderen zou hoeven te delen. Dit is in overleg met de vrouw zo gedaan. De man ziet alle panden van partijen als gezamenlijk eigendom dat eerlijk verdeeld dient te worden. Tot slot merkt hij nog op dat hij het pand niet kan verkopen omdat de vrouw de eigendomspapieren heeft.

2.35.

De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst dient te worden vastgesteld hoe de aankoop van de woning is gefinancierd. Uitgangspunt van artikel 1:141 lid 3 BW is dat de aankoop is gefinancierd met overgespaard inkomen. Het is aan de vrouw dit bewijsvermoeden te ontkrachten. Hierin is zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Weliswaar heeft de moeder van de vrouw achteraf een verklaring overgelegd waarin zij stelt een bedrag van fl 40.000 te hebben geschonken voor de aankoop van de woning op Bali. Deze verklaring achteraf acht de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, echter onvoldoende om het bewijsvermoeden te ontkrachten om de navolgende redenen.

2.36.

De vrouw heeft niet aangegeven hoe en wanneer de schenking heeft plaatsgevonden. Beide partijen geven aan dat de aankoop van de woning op Bali contant is betaald. Uit de vele bankafschriften die de vrouw heeft overgelegd blijkt dat de ouders van de vrouw hun financiële bijdragen via de bank overmaakten. Niet duidelijk is of deze bijdragen bedoeld waren voor het hele gezin of uitsluitend voor de vrouw. De vrouw heeft geen bankafschrift(en) van een schenking van fl 40.000,-- overgelegd. Evenmin heeft zij gesteld dat het in deze situatie anders ging en zij het bedrag voor de aankoop van de woning op Bali in contanten van haar ouders heeft ontvangen. Zij legt ook geen bankafschrift van cashopnames over. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man dat de aankoop uit een schenking is betaald, had het wel op de weg van de vrouw gelegen met meer te komen dan alleen een globale verklaring achteraf van de moeder van de vrouw.

2.37.

Wat betreft de latere verbouwingen in 2006 en in 2017 stelt de man dat de verbouwingen zijn gefinancierd vanuit de bankrekening op Bali waar de huurinkomsten op werden gestort. Deze rekening werd aangezuiverd met inkomsten uit Nederland als er een tekort ontstond. In deze constellatie, zo begrijpt de rechtbank de man, is er ook gebruik gemaakt van een bedrag van € 18.000,-- dat geleend was van de ouders van de vrouw, maar dat bedrag is later terugbetaald. De vrouw ontkent dat zij geld van haar ouders hebben geleend. Zij stelt dat de verbouwingen zijn gefinancierd met geld dat door haar ouders aan haar in privé is geschonken. Zij stelt afwisselend dat dit een bedrag € 17.000,-- of € 18.000,-- betrof voor de eerste verbouwing in 2006 en € 10.000 voor de tweede verbouwing in 2017.

2.38.

De rechtbank overweegt dat het aan de vrouw is om aannemelijk te maken dat de verbouwingen zijn gefinancierd uit haar privévermogen. Hierin is zij niet geslaagd. Zij stelt schenkingen van haar ouders te hebben ontvangen waaruit de verbouwingen zijn bekostigd en verwijst ter onderbouwing van dit standpunt voor de eerste verbouwing naar de verklaring achteraf van haar moeder en naar een gedeelte van een testament van de man en voor de tweede verbouwing naar een niet nader toegelichte bladzijde die zij als productie 12 overlegt, waaruit e.e.a. zou moeten blijken.

2.39.

Evenals bij de aankoop van de woning is de rechtbank ten aanzien van de eerste verbouwing van oordeel dat de vrouw gelet op de gemotiveerde betwisting van de man niet had kunnen volstaan met een verklaring die achteraf door de moeder is opgemaakt. Daarbij speelt een rol dat de vrouw eerst zelf spreekt over een bedrag van € 45.000,-- (zij spreekt afwisselend over een schenking en een erfenis van € 45.000,-- besteed aan [adres 3] en Bali) terwijl de moeder over een bedrag van € 18.000,-- spreekt en de vrouw later weer over een bedrag van € 17.000,--. Ook neemt de rechtbank in haar overwegingen mee dat in de verklaring van de moeder, net als in het testament van de man, gesproken wordt over een lening en niet over een schenking. Dit bevestigt de lezing van de man. De man stelt daarbij dat de lening is terugbetaald.

2.40.

Ten aanzien van de tweede verbouwing geldt dat de niet nader toegelichte bladzijde die is overgelegd als productie 12 de stelling van de vrouw dat sprake was van een schenking, eveneens niet aantoont. Daarmee is de vrouw er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd haar standpunt aannemelijk te maken dat de verbouwingen zijn gefinancierd uit schenkingen die haar ouders aan haar hebben gedaan. Derhalve is zij er niet in geslaagd het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW te ontkrachten en maakt de waarde van de woning op Bali deel uit van het te verrekenen inkomen.

2.41.

De man heeft ter zitting aangegeven dat een makelaar van ERA Makelaars op Bali de woning zou kunnen taxeren. De vrouw heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man met de vrouw dient te verrekenen de helft van de door een ERA makelaar bindend te taxeren waarde van de woning.

Sub c. banksaldi van partijen

2.42.

Geen van beide partijen heeft een overzicht overlegd van saldi op de bankrekeningen op de peildatum. Wel zijn partijen het eens geworden over de te hanteren peildatum voor de verrekening van de bankrekeningen, namelijk 30 juli 2019.

De rechtbank is bekend met in elk geval de volgende bankrekeningen:

Op naam van de vrouw staan de volgende rekeningen:

 [rekeningnummer 2] ;

 [rekeningnummer 3] ;

Op naam van de man staan de volgende rekeningen:

 [rekeningnummer 4] ;

 [rekeningnummer 5] ;

 Rekening(en) op Bali.

(De bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van beide partijen is hiervoor behandeld onder de eenvoudige gemeenschappen.)

2.43.

Met betrekking tot de bankrekeningen zijn er een aantal punten die partijen verdeeld houden, te weten:

  • -

    de verkoop van de woning aan [adres 3] te [woonplaats] in 2018;

  • -

    stamrecht van de vrouw;

  • -

    schenkingen en erfenissen aan de zijde van de vrouw;

  • -

    gelden die de vrouw in het zicht van de echtscheiding zou hebben weggesluisd.

De rechtbank zal op deze punten afzonderlijk ingaan.

Verkoop [adres 3]

2.44.

Partijen hadden in 1992 in gezamenlijk eigendom verkregen de woning aan [adres 3] te [woonplaats] . Deze woning was gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening. Op deze lening is nooit afgelost. In 2018 is de woning verkocht voor een bedrag van € 475.000,--. Op de woning rustte toen een hypotheek van € 160.093,35.

2.45.

De vrouw stelt altijd alle lasten van de woning te hebben voldaan. Voorts stelt zij in 2017 van haar moeder een voorschot op de erfenis van haar vader te hebben ontvangen van € 45.000,-- waarmee zij onder meer een verbouwing en verbeteringen aan de woning heeft bekostigd om een goede verkoopprijs te kunnen realiseren. Mede dankzij deze investering bedroeg de overwaarde € 309.332,17. Partijen zijn na de verkoop van deze woning uitgebreid op vakantie gegaan en hebben diverse schulden afgelost. Na voldoening daarvan heeft de vrouw het restantbedrag dat van de overwaarde over was, in december 2018 verdeeld en aldus € 112.358,-- naar de rekening op naam van de man overgemaakt en een zelfde bedrag naar haar eigen spaarrekening. Hetgeen ieder daarvan over heeft dient buiten de verrekening te blijven, nu partijen dat bedrag reeds verdeeld hadden. Er is nu feitelijk niets meer te verdelen volgens de vrouw omdat partijen daarnaast alleen inkomsten te verrekenen hebben en partijen maakten hun inkomsten altijd op.

2.46.

De man beaamt dat partijen het restantbedrag na verkoop van [adres 3] over de rekeningen van hen beiden hebben verdeeld. Volgens hem doet dit echter niet terzake omdat dit zich afspeelde voor de peildatum van de verrekening en het partijen niet ontslaat van het verrekenen van de saldi op hun bankrekeningen op de peildatum. Hij voert verder aan dat hij de verbouwing van [adres 3] zelf heeft uitgevoerd via zijn bedrijf.

2.47.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stellingen van de vrouw leidt de rechtbank af dat zij zich op het standpunt stelt dat zij een erfenis van haar vader heeft ontvangen van € 45.000,-- die deels is geïnvesteerd in de woning [adres 3] . Zij geeft echter niet aan welk bedrag zij precies hoe zou hebben geïnvesteerd. De rechtbank is het met de man eens dat voormelde verspreiding van de verkoopwinst over twee bankrekeningen partijen niet ontslaat van de verplichting hun banksaldi te verrekenen per de overeengekomen peildatum van 30 juli 2019. Immers, de verkoopopbrengst is (dat is in elk geval het uitgangspunt dat ook hier geldt) overgespaard inkomen. Deze opbrengst, althans wat daarvan resteerde, is overgemaakt op twee bankrekeningen waar ook het overige inkomen op werd overgemaakt. Op de rekeningen hebben zich vervolgens weer allerlei mutaties voorgedaan en nu dient het eindsaldo op de peildatum van iedere bankrekening in de verrekening betrokken te worden voor zover niet is aangetoond dat er bedragen op die rekeningen staan die buiten de verrekening vallen. Los van de erfenis, die hieronder apart behandeld zal worden, is daarvan niet gebleken en maakt de verdeelde verkoopwinst derhalve in zoverre onderdeel uit van de banksaldi die op de peildatum verrekend dienen te worden.

Stamrecht van de vrouw

2.48.

De man stelt dat de vrouw eind 2006 een gouden handdruk van haar werkgever [merk 2] heeft ontvangen waarvan zij begin 2007 een stamrechtverzekering bij de ING heeft afgesloten. De man stelt zich op het standpunt dat deze ontslagvergoeding als inkomen aangemerkt dient te worden en dat om die reden het saldo op de betreffende ING bankrekening tot de te verrekenen bedragen behoort. Het betreft immers inkomen waar partijen al sinds 2007 van hadden kunnen genieten, zo begrijpt de rechtbank de man.

2.49.

De vrouw stelt dat de aanspraak geen pensioen betreft en ook geen inkomen. Om die reden valt het stamrecht buiten de verrekening.

2.50.

De rechtbank overweegt als volgt. Een stamrecht valt niet per definitie in het te verrekenen vermogen. Het antwoord op de vraag of een stamrecht valt aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt, hangt af van de uitleg die in het concrete geval moet worden gegeven aan het in het desbetreffende verrekenbeding opgenomen inkomensbegrip. De man stelt dat het stamrecht in de verrekening betrokken moet worden. Het had dus op zijn weg gelegen om het inkomensbegrip uit te leggen, zodanig dat dat het door hem gewenste gevolg heeft. Nu de man dit heeft nagelaten zal de rechtbank het stamrecht niet in de verrekening betrekken.

Schenkingen en erfenis zijdens de vrouw

Erfenis

2.51.

De vrouw stelt dat zij een voorschot van € 45.000,-- op de erfenis van haar vader heeft ontvangen in 2017 welk voorschot zij deels zou hebben besteed om de woning aan het [adres 3] verkoop-klaar te maken. Deze woning is in 2018 verkocht. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van dit bedrag. Ter onderbouwing van haar standpunt legt de vrouw een Verklaring Uitbetaling op Erfdeel van 13 februari 2019 over waarin verklaard wordt dat de moeder van de vrouw in 2017 in negen verschillende termijnen dit bedrag van € 45.000,-- als voorschot op de erfenis van haar vader heeft ontvangen. Ten bewijze daarvan is aan de notariële verklaring een overzicht van bankafschriften gehecht waaruit moet blijken dat de moeder van de vrouw het voorschot op de erfenis in de periode 12 juni 2017 tot en met 23 juni 2017 in negen bedragen van € 5.000,-- heeft overgemaakt op de bankrekening van de vrouw.

2.52.

De man stelt dat de ouders gedurende de hele huwelijkse periode regelmatig (gemiddeld één keer per maand) een bedrag van € 5.000,-- overmaakten maar dat dit ter bestrijding van de kosten van de huishouding en de kosten van de kinderen diende. Volgens hem wordt er nu achteraf opeens de verklaring “voorschot op erfdeel” aan gegeven. De man verwijst voor zijn standpunt naar de bankafschriften die de vrouw zelf heeft overgelegd als productie 18 en 19. Uit deze bankafschriften over een periode van 9,5 jaar blijkt dat zeer regelmatig een bedrag van € 5.000,-- werd overgemaakt. Soms werd er een omschrijving aan toegevoegd, meestal niet. In al die jaren is slechts twee keer “erfenis” als omschrijving voorgekomen, aldus de man. Volgens hem zegt dit niks.

2.53.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de bankafschriften die als productie 18 en 19 zijn overgelegd blijkt dat de ouders inderdaad zeer regelmatig een bedrag van € 5.000,-- overmaakten aan de vrouw. De moeder van de vrouw en de vrouw hebben achteraf gesteld dat dit in de periode 12 juni 2017 tot 23 juni 2017 is geschied ten titel “voorschot op de erfenis” en hebben hier een notariële akte van laten opmaken. Hoewel het op zich geoorloofd is om achteraf te verklaren dat deze betalingen bedoeld waren als voorschot op de erfenis, is het de vraag of de vrouw hier onder de gegeven omstandigheden mee had kunnen volstaan. In elk geval is ten aanzien van twee betalingen ad 5.000,-- (totaal dus voor een bedrag van € 10.000,--) uit bijbehorende bankafschriften voldoende gebleken dat deze betalingen waren bedoeld als voorschot op de erfenis.

2.54.

Een andere vraag is echter wat de vrouw met het privégeld heeft gedaan. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 stelt de vrouw dat zij niet hoeft aan te tonen waar het bedrag van de erfenis aan is besteed. Voldoende is volgens haar dat vast is komen te staan dat dit privégeld is. De rechtbank volgt de vrouw hierin niet. Genoemd arrest betrof namelijk een gemeenschap van goederen die was verrijkt ten gevolge van een schenking onder uitsluitingsclausule. De Hoge raad heeft voor die situatie uitgemaakt dat het feit dat schenkingen zijn aangewend voor consumptieve bestedingen, niet betekent dat er ten aanzien van de schenkingen geen vergoedingsrecht meer bestaat. De onderhavige situatie is echter wezenlijk anders. Partijen hebben iedere gemeenschap van goederen uitgesloten maar hadden jaarlijks hun overgespaard inkomen moeten verrekenen. Nu zij dat hebben nagelaten wordt het eindvermogen van partijen geacht te zijn gevormd uit overgespaard inkomen maar mogen partijen dit bewijsvermoeden ontkrachten door aannemelijk te maken dat er op de peildatum privévermogen aanwezig is. Dit heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet althans onvoldoende gedaan, met name ook gelet op het uitvoerige verweer van de man dat er consumptieve bestedingen zijn verricht van de bedragen die de ouders overmaakten. Door de gelden die de ouders overmaakten veroorloofden partijen zich volgens hem allerlei extra’s, zoals de aanschaf van een auto, buitenlandse concerten, dure reizen, een studie van een kind in het buitenland, etc. Gelet hierop, mede gelet op het feit dat de vrouw geen enkel bewijs van de beweerdelijke door haar gedane investeringen heeft overlegd, is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen ruimte om € 45.000,-- danwel € 10.000,-- buiten de verrekening te houden als privégeld.

Schenkingen

2.55.

De vrouw stelt een vergoedingsrecht te hebben op de man in verband met door de jaren heen gedane schenkingen door de ouders van de vrouw aan de vrouw. De hoogte van het vergoedingsrecht is door de vrouw steeds gewijzigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat de ouders van de vrouw in totaal voor een bedrag van € 116.856,-- aan haar hebben geschonken hetgeen volgens haar tot een vergoedingsrecht zou moeten leiden ter hoogte van dit bedrag. Zij verwijst ter onderbouwing naar de door haar overgelegde bankafschriften waaruit e.e.a. zou moeten blijken. De vrouw voegt eraan toe dat voor zover deze bedragen zijn vermengd geraakt met het betaalverkeer van partijen, ook verwezen wordt naar voormeld arrest van de Hoge raad van 5 april 2019.

2.56.

De man ontkent dat sprake is geweest van schenkingen. De ouders van de vrouw maakten geregeld geld over, maar niet ten titel “schenkingen aan de vrouw”. Het was bedoeld voor het hele gezin om fijn van te leven. De ouders van de vrouw genoten ervan om bij al hun kinderen bij te dragen aan de kosten van de huishouding en de kosten van de kinderen.

2.57.

De rechtbank overweegt als volgt. Vastgesteld dient te worden of de vrouw een verrekenvordering heeft. Weliswaar is door de vrouw duidelijk gemaakt dat door haar ouders geregeld bedragen zijn overgemaakt, zij heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit geld tot haar privévermogen behoort en nog aanwezig is. Daarbij komt dat de hoogte van het totaalbedrag voor de rechtbank onvoldoende vast komen te staan. Uit de verklaring van de moeder die door de vrouw is overgelegd als productie 9 blijkt dat de ouders van de vrouw inderdaad bijdroegen aan de kosten van de huishouding en de kosten van de kinderen door het betalen van bijvoorbeeld de babyuitzet, gordijnen en andere verfraaiingen voor [adres 3] , paardrijlessen, zakgeld en studiekosten van de kinderen, vakanties etc. Als de overboekingen dus al bestempeld zouden kunnen worden als privégelden voor de vrouw alleen, hetgeen de rechtbank betwijfelt, dan nog is het zo dat het er alle schijn van heeft dat deze gelden aan de kosten van de huishouding en de kosten van de kinderen zijn besteed. Alles overziend is de vrouw er naar het oordeel van de rechtbank ook op dit niet in geslaagd het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 te ontkrachten.

Gelden die de vrouw in het zicht van de echtscheiding zou hebben weggesluisd;

2.58.

De man stelt dat de vrouw bedragen van zijn privérekening heeft overgemaakt naar haar eigen privérekening in een periode van 1 januari 2019 tot 24 juni 2019 ten gevolge waarvan de man nog een bedrag van ongeveer € 126.250,-- van de vrouw tegoed heeft.

2.59.

Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij inderdaad geld van zijn privérekening heeft overgeboekt naar haar eigen privérekening maar dat dit geld nog op haar bankrekening stond op de peildatum en nu ook nog steeds daar staat. Het geld is niet weg en zal dus in de verrekening worden betrokken.

2.60.

De rechtbank zal de zaak als hierna vermeld aanhouden om partijen in de gelegenheid te stellen om de saldi van alle bankrekeningen die in de verrekening betrokken dienen te worden op te geven per de peildatum van 31 juli 2019. Alsdan zal blijken of het standpunt van de vrouw juist is.

Conclusie ten aanzien van de bankrekeningen

2.61.

De rechtbank zal de zaak pro forma aanhouden om partijen in de gelegenheid te stellen om met in achtneming van het vorenstaande en onderbouwd met onderliggende stukken de saldi van alle bankrekeningen die in de verrekening betrokken dienen te worden op te geven per de peildatum van 31 juli 2019.

Sub d. auto

2.62.

De vrouw heeft op haar naam een [merk 1] gekocht waarbij zij haar eerdere [merk 2] voor een bedrag van € 4.750,-- heeft ingeruild. In september 2019, derhalve na de peildatum, heeft zij de [merk 1] weer ingeruild en hier een bedrag van € 12.681,-- voor gekregen. Zij stelt primair dat de ` [merk 1] haar privé-eigendom is en subsidiair dat indien verrekening aan de orde zal zijn, dit voor het bedrag van de inruilwaarde zal moeten zijn.

2.63.

De man stelt dat de auto voor hem bedoeld was, tot het te verrekenen vermogen behoort en een waarde van € 20.000,-- heeft.

2.64.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft niet, althans onvoldoende aangetoond dat deze auto en haar vorige auto met privégeld is gefinancierd. De waarde van de auto zal dan ook in de verrekening betrokken moeten worden. Uit de overgelegde producties blijkt dat de vrouw de [merk 1] vlak na de peildatum heeft ingeruild voor een bedrag van € 12.681,--. De rechtbank zal bij de verrekening aan de zijde van de vrouw rekening houden met een [merk 1] ter waarde van dit bedrag van € 12.681,--.

3 Tussentijds overzicht van het te verrekenen vermogen

Aan de zijde van de vrouw:

- De saldi van de op naam van de vrouw staande rekeningen:

 [rekeningnummer 2] ;

 [rekeningnummer 3] ;

- [merk 1] ter waarde van € 12.681,--.

Totaal aan de zijde van de vrouw: onbekend.

Aan de zijde van de man:

  • -

    woning op Bali, nader bindend te taxeren;

  • -

    De saldi van de op naam van de man staande rekeningen:

 [rekeningnummer 4] ;

 [rekeningnummer 5] ;

 Rekening(en) op Bali, bij partijen wel bekend.

Totaal aan de zijde van de man: onbekend.

4 Aanhouding

4.1.

Nu de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt kan zij niet tot verrekening overgaan en zullen de verzoeken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden worden aangehouden. De rechtbank verzoekt in dit kader van partijen hun bankafschriften per de peildatum 31 juli 2019 over te leggen van alle rekeningen die in de verrekening betrokken dienen te worden. Daarnaast verzoekt de rechtbank de man een taxatierapport van de waarde van de woning op Bali per de peildatum over te leggen. De verzoeken zullen als hierna vermeld pro forma worden aangehouden.

5 Proceskosten

5.1.

Beide partijen vragen de rechtbank de ander te veroordelen in de proceskosten. In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/670954 / FA RK 19-5043 ziet de rechtbank gelet op de aanrd van de procedure geen aanleiding tot een kostenveroordeling en zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/670954 / FA RK 19-5043 zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de proceskosten aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/670954 / FA RK 19-5043:

6.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Nieuw Sloten op 26 april 1993;

6.2.

bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning aan het adres [adres 1] , [postcode adres 1] [woonplaats] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont en bepaalt dat de man voor het gebruik het aandeel van de vrouw in de hypotheek- en overige eigenaarslasten dient te voldoen;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/670954 / FA RK 19-5043:

6.6.

gelast de wijze van verdeling van de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] als volgt:

 bepaalt dat partijen binnen vier weken na de datum van de te geven beschikking gezamenlijk een makelaar opdracht geven tot verkoop van de echtelijke woning, tegen door partijen overeen te komen verkoopprijs;

 bepaalt dat indien partijen niet binnen vier weken na de datum van de te geven beschikking gezamenlijk een makelaar opdracht geven tot verkoop, de vrouw bevoegd is tot de verkoop van de echtelijke woning;

 bepaalt dat indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;

 bepaalt dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar die naar beste weten en kunnen vaststellen;

 bepaalt dat dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper;

 bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;

 bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de echtelijke woning en dat de waarde van eventueel aan de woning verbonden polissen bij helfte zal worden gedeeld, dan wel dienen partijen een eventuele restschuld in hun onderlinge verhouding bij helfte te dragen;

6.7.

bepaalt dat het saldo op gezamenlijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] op de peildatum bij helfte zal worden gedeeld.

6.8.

gelast de wijze van taxatie van de woning op Bali, Indonesië, in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt:

  • -

    bepaalt dat de man binnen vier weken na heden aan een taxateur van ERA makelaars te Bali, Indonesië, de opdracht geeft tot het taxeren van de woning op naam van de man tegen de waarde in het economisch verkeer per 31 juli 2019;

  • -

    bepaalt dat de kosten van de taxatie door partijen gezamenlijk worden gedragen;

6.9.

houdt de beslissing ten aanzien van de verrekening in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan tot 4 november 2020 pro forma. Uiterlijk vier weken vóór die datum:

  • -

    dient de man een taxatierapport te overleggen van de woning op Bali;

  • -

    dienen partijen de saldi van de bankrekeningen die in de verrekening worden betrokken per de peildatum 31 juli 2019 over te leggen, voorzien van stukken die dit onderbouwen;

  • -

    waarna vervolgens partijen in de gelegenheid worden gesteld binnen vier weken te reageren op elkaars standpunten en stukken.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Overmars op 5 augustus 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..