Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4213

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
AMS 19/4045
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat het college het pand ‘[naam pand]’ in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument. In de redengevende omschrijving van [naam]Noord-Holland wordt duidelijk aangegeven welke onderdelen van [naam pand]worden beschermd door de monumentale status en welke niet. De financiële gevolgen van de instandhoudingsplicht, zijn geen reden om af te zien van het aanwijzen van [naam pand] als gemeentelijk monument. Verder biedt de aanwijzing van een pand als monument meer bescherming dan een aanwijzing als ‘karakteristiek’. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4045

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Partijen worden hierna [naam] en het college genoemd.

Procesverloop

In het besluit van 30 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft het college het pand ‘ [naam] ’ aangewezen als gemeentelijk monument.

In het besluit van 24 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.

[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020.

[naam] is met zijn echtgenote verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens het college [naam] aanwezig.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure

1. Na een voornemen en procedure met zienswijzen heeft het college in het primaire besluit het pand [naam] aan de [adres 1] te [woonplaats] aangewezen als gemeentelijk monument. [naam] is de eigenaar van [naam] en hij is het niet eens met de aanwijzing. Zijn bezwaar tegen het primaire besluit is in het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Het primaire besluit is gebaseerd op de redengevende omschrijving van [naam] Noord-Holland van 19 oktober 2017. Op grond daarvan heeft de Erfgoedcommissie het college op 28 februari 2018 geadviseerd [naam] op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsten. De commissie heeft in het advies getoetst aan de waarden zoals genoemd in de Erfgoedvisie van de gemeente (2016). Kort gezegd komt het erop neer dat [naam] een goed behouden [soort woning] is bestaande uit een winter- en een zomerverblijf. Dit is kenmerkend in het [naam gebied] .

Standpunt van partijen

3. [naam] voert, samengevat, aan dat de redengevende omschrijving bij de aanwijzing van [naam] als gemeentelijk monument onvoldoende duidelijk is. Daardoor is volgens [naam] onvoldoende duidelijk of het college zal meewerken aan toekomstige verbouwplannen voor het zomerhuis. Ook kan daardoor de beoordeling van het college niet voldoende worden gecontroleerd. Daarnaast voert [naam] aan dat in het primaire besluit geen aandacht is besteed aan de grote financiële belangen die volgen uit de instandhoudingsplicht genoemd in artikel 13 van de Erfgoedverordening 2016. Tot slot heeft [naam] aangevoerd dat het voortbestaan van het zomerhuis met bijbehorende stal al voldoende is gewaarborgd door de aanwijzing als ‘karakteristiek’ in de beheersverordening ‘ [naam] ’.

4. Het college stelt zich op het standpunt dat de redengevende omschrijving een gedetailleerde en concrete weergave bevat van de onderdelen van [naam] die een monumentale waarde hebben. Het college vindt dat het advies van de Erfgoedcommissie terecht aan de aanwijzing ten grondslag is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

5. Het juridische kader dat van toepassing is in deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.

6. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of het college [naam] in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument.

7. De rechtbank vindt dat in de redengevende omschrijving van [naam] Noord-Holland duidelijk wordt aangegeven welke onderdelen van [naam] worden beschermd door de monumentale status en welke niet. De rechtbank oordeelt daarom dat het college het advies van de Erfgoedcommissie aan het besluit tot aanwijzing ten grondslag mocht leggen. De stelling van [naam] dat de aanwijzing zonder bouwhistorisch onderzoek niet kon worden gegeven, onderschrijft de rechtbank niet. De redengevende omschrijving is al voldoende duidelijk en zoals op de zitting is besproken, is een bouwhistorisch onderzoek pas nodig bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dan wordt het bouwhistorisch onderzoek overigens door het college vergoed.

8. De rechtbank overweegt verder als volgt. [naam] stelt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de grote financiële belangen die volgen uit de instandhoudingsplicht. Op de zitting heeft [naam] desgevraagd verteld dat het besluit grote onzekerheid meebrengt. Het is voor hem niet duidelijk wat wel en niet is toegestaan. [naam] wil zijn bedrijf in de toekomst moderniseren maar hij weet niet of dit nog kan als [naam] een gemeentelijk monument is. Hij verwacht bovendien dat de kosten daardoor hoger zullen zijn. Dit verandert het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank begrijpt dat de monumentale status van [naam] enige onzekerheid meebrengt over de vraag of toekomstige (verbouw) plannen kunnen worden uitgevoerd. Dit geldt echter voor elk monument en hoefde daarom voor het college op zichzelf geen reden te zijn om af te zien van het aanwijzen van [naam] als gemeentelijk monument. Omdat [naam] verder geen concrete plannen met financiële onderbouwing heeft genoemd, kon en hoefde het college hier ook geen rekening mee te houden bij de aanwijzing van [naam] als monument. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Tot slot heeft [naam] aangevoerd dat het voortbestaan van het zomerhuis met bijbehorende stal al voldoende is gewaarborgd door de aanwijzing als ‘karakteristiek’ in de beheersverordening ‘ [naam] ’. Ook deze grond slaagt niet. De rechtbank toetst alleen of het college [naam] als gemeentelijk monument mocht aanwijzen. Zoals het college daarnaast ook heeft uitgelegd, biedt de aanwijzing van een pand als monument meer bescherming dan een aanwijzing als ‘karakteristiek’.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Het college heeft in redelijkheid kunnen besluiten [naam] aan te wijzen als gemeentelijk monument.

11. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. F.L. Bolkestein, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Griffier

voorzitter

De voorzitter is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Erfgoedverordening 2016 [naam]

Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument

1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie

1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur.

Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.