Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4166

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4115
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening over het plaatsen van een dakuitbouw met dakraam in de bestaande kap en het plaatsen van een dakterras bij de dakuitbouw. Wijze van berekenen. Het is voor de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende helder of de wijze waarop verweerder de vloeroppervlakte heeft berekend conform een duidelijk kenbaar gemaakt beleid is. Pas als dat duidelijk is, kan de voorzieningenrechter beoordelen of de omgevingsvergunning op goede gronden is verleend. Voorlopige voorziening wordt toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/4115

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

[verzoekster] , verzoekster

beiden te Amsterdam,

hierna te noemen: verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Offenberg).

Vergunninghoudster is:

[bedrijf 1] , te Sint Michielsgestel

(gemachtigde [de persoon] )

Procesverloop

Met het besluit van 15 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het omzetten van twee naar vier woningen, het plaatsen van een dakuitbouw met dakraam in de bestaande kap en het plaatsen van een dakterras bij de uitbouw aan de [adres 1] te Amsterdam.

Verzoekers hebben hiertegen op 22 juli 2020 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2020. De zitting heeft,

overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.

plaatsgevonden via een beeldverbinding (skype). Verzoekers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster is [de persoon] , mede-directeur van [bedrijf 1] . verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Vergunninghoudster heeft het pand aan de [adres 1] (het pand) aangekocht om daarin appartementen te realiseren. Op 29 april 2020 heeft verweerder aan vergunninghoudster daartoe een vergunning verleend op grond van de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening voor het wijzigen van één zelfstandige woning in drie onzelfstandige woonruimtes.

2. Verzoekers wonen naast het pand op het adres [adres 2] te Amsterdam en hebben een dakterras. Verzoekers vrezen dat zij door het realiseren van de dakuitbouw geen ochtendzon meer op hun dakterras hebben en dat meer mensen van het dakterras gebruik gaan maken. Hun woongenot en privacy wordt daardoor geschonden en dit is in strijd met

- onder meer - artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek. Verzoekers betogen verder dat de vloeroppervlakte van de vergunde dakuitbouw groter is dan volgens de beleidsregels1 van verweerder (beleidsregels) is toegestaan. Verzoekers hebben dit onderbouwd met een rapport van [bedrijf 2] van 8 juli 2020 met daarin drie berekeningen van de vloeroppervlakte die uitkomen op een grotere vloeroppervlakte dan is vergund. Verder is de dakuitbouw in strijd met de welstandsnota “De schoonheid van Amsterdam” (welstandsnota) aldus verzoekers.

Beoordeling van het geschil

4.1

Het geschil gaat over het plaatsen van een dakuitbouw met dakraam in de bestaande kap en het plaatsen van een dakterras bij de dakuitbouw.

4.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij niet beschikt over de onderliggende stukken van de verleende omgevingsvergunning.De voorzieningenrechter gaat daarom uit van de door de gemachtigde van verweerder op de zitting verstrekte informatie en de stukken die verzoekers hebben overgelegd.

4.3

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

Welstand

5. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de aanvraag op 27 mei 2020 heeft voorgelegd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit (de commissie). Die commissie heeft het plan beoordeeld op basis van de welstandsnota en is tot de conclusie gekomen dat het project voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De commissie verbindt daaraan de voorwaarden dat het materiaal en de kleur van de dakuitbouw worden afgestemd op het hoofdgebouw en ensemble en dat de aluminium daktrim wordt vervangen door een zinken kraal. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder in beginsel mag uitgegaan van het deskundigenoordeel van de commissie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers onvoldoende onderbouwd waarom de commissie niet tot deze conclusie heeft kunnen komen. Een verwijzing naar de algemene toetsingscriteria in de welstandsnota volstaat daartoe niet.

Privacy en overlast

6.1

Verzoekers betogen dat zij door het realiseren van de dakuitbouw en het dakterras onevenredig worden geschaad in het ongestoord woongenot van hun woning. Uit de overgelegde bouwtekening blijkt dat het terras van verzoeker op het zuiden ligt. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder dat verzoekers door de dakuitbouw wellicht in de ochtend wat minder zonlicht ontvangen maar dat zij niet minder daglicht krijgen. Niet gebleken is dat de realisering van de dakuitbouw en dakterras van dien aard is dat de gevraagde omgevingsvergunning daarom had moeten worden geweigerd. Verzoekers wonen in een stedelijke omgeving waar, wat betreft privacy, andere normen gelden dan in een minder dichtbebouwde omgeving. Een beperkte schending van de privacy moeten stadsbewoners nu eenmaal accepteren.

6.2

Op de zitting heeft verweerder verder op goede gronden naar voren gebracht dat de gestelde overlast door verzoekers al is beoordeeld bij de verleende vergunning van

29 april 2020. Als verzoekers het daar niet mee eens zijn, dienen zij die bezwaren te richten tegen dat besluit. In deze procedure is daar geen ruimte voor.

Vergunde vloeroppervlakte dakuitbouw

7.1

Volgens verzoekers is uit de beleidsregels op te maken dat verweerder een groter vloeroppervlakte van de dakuitbouw heeft vergund dan is toegestaan op grond van de beleidsregels. De vloeroppervlakte van de dakuitbouw mag namelijk op grond van de beleidsregels maximaal de helft van het oppervlak van de grootste oorspronkelijke onderliggende bouwlaag bedragen. De grootste onderliggende bouwlaag is de eerste verdieping van het pand en die is 55,8 m2. De helft daarvan is 27,9 m2. Uit de tekening die bij de aanvraag om de omgevingsvergunning is gevoegd, blijkt dat het bruto vloeroppervlak van de dakuitbouw 33,7 m2 bedraagt. Dit is volgens verzoekers meer dan vergund had mogen worden. Deze conclusie wordt ondersteund door het rapport van [bedrijf 2] , aldus verzoekers.

7.2

De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting het volgende toegelicht.

De dakuitbouw wordt geplaatst in de bestaande kap van het pand. Dit is een zogenaamde schijnkap. Dat is een kap die aan de voorzijde bestaat uit een hellend dakvlak en aan de achterzijde overgaat in een plat dak.

oranje: dakuitbouw.

Het deel van de uitbouw dat onder het bestaande schuine dakvlak wordt gebouwd is 1,15 meter diep en wordt niet meegerekend bij het bepalen van de toegestane vloeroppervlakte van de dakuitbouw op grond van de beleidsregels. Dit laatste staat weliswaar niet in de beleidsregels vermeld, maar is bestendige praktijk van verweerder, aldus verweerder op de zitting. Uitgaande van deze berekening is de vloeroppervlakte als volgt. De vloeroppervlakte van het deel onder de bestaande kap bedraagt (1,15 x 5,26 (breedte)) 6 m2. en dit moet worden afgetrokken van de totale oppervlakte van de dakuitbouw (33,7 m2 – 6 m2 ) en dat is 27,7 m2. Deze oppervlakte is minder dan de 27,9 m2 die maximaal vergund mag worden. De omgevingsvergunning is volgens verweerder daarom terecht afgegeven.

7.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de beleidsregels deze wijze van berekenen, waarbij het deel van de uitbouw dat wordt gerealiseerd in een bestaand dak niet wordt meegerekend bij het bepalen van het vloeroppervlak, niet staat vermeld. Verweerder heeft deze wijze van berekenen eerst op de zitting naar voren gebracht en toegelicht. Ook het standpunt dat dit bestendige praktijk is, is pas op de zitting naar voren gebracht. Hoewel deze wijze van berekenen de voorzieningenrechter op zichzelf logisch voorkomt, is het wel aan verweerder om dit óf duidelijk in de beleidsregels te vermelden óf de kennelijk bestendige praktijk duidelijk kenbaar te maken. Dat is thans onvoldoende door verweerder gebeurd. Het is voor de voorzieningenrechter daarom op dit moment onvoldoende helder of de wijze waarop verweerder de vloeroppervlakte heeft berekend conform een duidelijk kenbaar gemaakt beleid is. Pas als dat duidelijk is, kan de voorzieningenrechter beoordelen of de omgevingsvergunning op goede gronden is verleend.

7.4

Daar komt bij dat in het rapport van [bedrijf 2] een aantal berekeningen is opgenomen aan de hand van de tekeningen die bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning zijn overgelegd, aldus verzoekers. Volgens verzoekers is één van die berekeningen, B, een berekening conform de gestelde bestendige praktijk van verweerder. Als al van die bestendige praktijk uit mag worden gegaan, wat verzoekers overigens betwisten, dan nog is de door verweerder op de zitting toegelichte berekening volgens verzoekers onjuist. In het rapport komt de berekening van het vloeroppervlak zonder de uitbouw in het bestaande dak namelijk uit op 28,5 m2 en dat is ook te groot. Desgevraagd heeft verweerder op de zitting niet kunnen uitleggen waarom berekening B onjuist is. De voorzieningenrechter acht dit met name van belang omdat [bedrijf 2] kennelijk de berekeningen op dezelfde tekeningen heeft gebaseerd als verweerder. Ook deze onduidelijkheid levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter een gebrek op in verweerders besluitvorming.

8. Al met al komt de voorzieningenrechter voorlopig tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vergunde dakuitbouw, in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek dient verweerder in de beslissing op bezwaar te herstellen met inachtneming van wat is overwogen in de overwegingen 7.3 en 7.4. Omdat met de huidige stand van zaken de voorzieningenrechter niet kan beoordelen of de omgevingsvergunning op goede gronden is verleend, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen voor het deel waarin de dakuitbouw is vergund tot de datum van bekendmaking van de beslissing op het bezwaar.

9. Omdat het verzoek wordt toegewezen draagt de voorzieningenrechter verweerder op het door verzoekers betaalde griffierecht tot een bedrag van € 178,- aan hen te vergoeden. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten die verzoekers hebben gemaakt voor het rapport van [bedrijf 2] omdat ook de berekeningen in dit rapport en de conclusies die verzoekers hieruit trekken op dit moment onvoldoende duidelijk zijn. Hierover dient verweerder in de beslissing op het bezwaar een beslissing te nemen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit voor het deel waarin de dakuitbouw is vergund tot de datum van bekendmaking van de beslissing op het bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

26 augustus 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Vaststelling beleidsregels afwijkingen omgevingsvergunning stadsdeel Oost van 18 april 2017.