Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4165

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
13/130334-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van 12 maanden wv 4 maanden VW voor schriftelijke bedreiging met antisemitische context en plaatsen nepbom voor Joods restaurant dat al meerdere malen doelwit is geweest van bedreiging, vernieling en andere misdrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/130334-20

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het [naam] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 augustus 2020. Verdachte en zijn raadsvrouw waren daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. van der Vlugt, van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat de advocaat van de benadeelde partijen, mr. H. Loonstein, verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.W. Bouwman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het neerleggen van een nepbom voor de deur van [naam restaurant] Restaurant te Amsterdam, met de bedoeling mensen te laten geloven dat deze zou kunnen ontploffen;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling, enig misdrijf waardoor gevaar voor personen en/of goederen ontstaat, of brandstichting, door een nepbom voor de deur van restaurant [naam restaurant] Restaurant te Amsterdam neer te leggen;

3. schriftelijke bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling door [slachtoffer A] een brief te verzenden met daarin de tekst ¨(…) De Bitch Denk aan je zoon” en/of “Dood aan die Jodin (…)” en/of “Bitch kijk en pas goed op je woorden voor je levend verbrand vandaag of morgen krijg je spijt hoer” en/of “Afz. Adolf.2019”, met tekeningen van een hakenkruizen.

De tekst van de precieze tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Formeel verweer

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Op 14 mei 2020 is verdachte verhoord zonder bijstand van een advocaat, terwijl niet uit het verhoor blijkt dat verdachte van het recht hierop vrijwillig en op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan. Tijdens dit verhoor geeft verdachte aan dat hij niet verder wil met het verhoor zonder bijstand van een advocaat, maar het verhoor wordt toch doorgezet. Dit levert een schending op van het fundamentele recht van verdachte op rechtsbijstand.

Het geschonden voorschrift dient een wezenlijk belang, namelijk dat van het recht op een eerlijk proces, vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gelet op de verdenking tegen verdachte levert dit een ernstig verzuim op, zeker in het licht van de slechte fysieke toestand waar verdachte zich op dat moment in bevond, wat hij ook aangeeft bij de verbalisanten. Verdachte heeft hier nadeel van ondervonden, aangezien sprake is van een schending van een voorschrift dat het recht op een eerlijk proces moet waarborgen.

Primair dient daarom bewijsuitsluiting te volgen van dit verhoor; subsidiair verzoekt de verdediging om strafvermindering.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het verweer van de verdediging dient niet te worden gevolgd. Verdachte geeft in het bewuste verhoor van 14 mei 2020 aan dat hij niet verder wil met het verhoor zonder zijn advocaat, maar blijft daarna wel antwoord geven op vragen die hem worden gesteld. Wellicht verdient dit verhoor niet de schoonheidsprijs, maar er kan niet worden gesproken van een vormverzuim.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering en overweegt daartoe als volgt. Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 14 mei 2020 blijkt dat verdachte een aantal keer heeft aangegeven dat hij niet verder wil gaan met het verhoor, maar dat de verbalisanten desondanks doorgaan met het stellen van vragen. Verbalisanten hadden hier gehoor aan moeten geven. Het feit dat verdachte antwoord blijft geven op vragen, maakt dit oordeel niet anders. Er is door verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand gedaan van het recht op bijstand van een advocaat.

De rechtbank oordeelt daarmee dat sprake is van verzuim van een voorschrift. Dit voorschrift dient ook een wezenlijk belang, het is namelijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces. In de onderhavige zaak heeft verdachte echter geen nadeel ondervonden. Hij is immers nadien nog meerdere malen verhoord en heeft in het verhoor op 14 mei 2020 geen (belastende of ontlastende) verklaringen afgelegd die op enigerlei wijze relevant konden zijn voor de beschuldiging. Omdat verdachte geen nadeel heeft ondervonden, zal de rechtbank geen gevolgen verbinden aan dit verzuim en volstaan met de constatering ervan.

4 Waardering van het bewijs

Bij de waardering van het bewijs wordt telkens eerst feit 3 besproken, en daarna de feiten 1 en 2.

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Feit 3

Verdachte kan voor het onder 3 tenlastegelegde worden veroordeeld. Allereerst heeft bemonstering van de vouwranden van de dreigbrief een DNA-match opgeleverd met verdachte. Daarnaast is er een handschriftmatch met verdachte, zoals geconstateerd door deskundige Fagel. Het review-rapport van handschriftdeskundige Verhulst over het rapport van deskundige Fagel doet niets af aan dit laatstgenoemde rapport. De DNA-match en de handschriftmatch moeten ook in onderlinge samenhang worden bezien met het feit dat verdachte veelvuldig verbleef in de woning tegenover het huis van [slachtoffer A] en dat verdachte ook heeft verklaard te weten wie [slachtoffer A] is, en dat zij daar woont. Daarnaast speelt mee dat verdachte in verband kan worden gebracht met meerdere antisemitische uitlatingen in het verleden. Op grond van het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte de afzender is van de dreigbrief. De tekst van deze brief kon de redelijke vrees doen ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd, ook zou worden uitgevoerd. Aangeefster verklaart ook dat zij zich bedreigd heeft gevoeld.

Feiten 1 en 2

Verdachte kan voor feit 1 en feit 2 ook worden veroordeeld. Verdachtes vingerafdrukken en DNA zijn aangetroffen op de nepbom. Het door verdachte geschetste scenario, inhoudende dat hij de doos met spullen erin bij het vuilnis heeft gezet en dat daarom zijn vingerafdrukken en DNA op de nepbom zijn aangetroffen, vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Verdachte was rondom het moment dat de nepbom werd geplaatst, aanwezig in de buurt van de plaats delict. Hoewel de persoon op de camerabeelden niet is herkend, vertonen het gezicht en het postuur van degene die de nepbom plaatst, opvallende gelijkenissen met verdachte. De schoenen die zijn te zien lijken ook sprekend op de witte Reeboks die bij verdachte zijn aangetroffen. Bij dit feit speelt eveneens mee dat verdachte bij meerdere incidenten betrokken is geweest waarbij hij de behoefte heeft gevoeld zich antisemitisch te uiten, en daartoe ook is overgegaan. Daarom kan worden bewezen dat verdachte degene is die de doos voor de deur van restaurant [adres restaurant] heeft geplaatst.

Uit de manier waarop de doos in het portiek wordt geplaatst, kan worden opgemaakt dat verdachte ook de bedoeling heeft gehad om mensen te laten geloven dat het om een bom ging. Uit de manier waarop daarna is omgegaan met de doos kan worden opgemaakt dat men inderdaad dacht dat sprake was van een bom. Zowel bij de eigenaren en medewerkers van het restaurant alsook bij omwonenden en omstanders, is de redelijke vrees opgewekt dat een bom zou ontploffen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 3

Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 tenlastegelegde.

Het aantreffen van zijn DNA op de brief kan niet als bewijs gelden, nu niet is uit te sluiten dat dit celmateriaal secundair of tertiair is overgedragen op de brief. Uit het contra-expertiserapport van deskundige Verhulst blijkt daarnaast dat ook de conclusies uit het handschriftonderzoeksrapport van deskundige Fagel onvoldoende betrouwbaar zijn om als bewijs te dienen. Overigens is tenlastegelegd een bedreiging door het ‘verzenden’ van een brief. Uit het dossier blijkt echter dat de brief voor de deur is aangetroffen en daar zou zijn neergelegd. Het verzenden van de brief kan daarom niet worden bewezen.

Tot slot ontbreekt bij verdachte het motief. Verdachte heeft helemaal niets tegen joden, zoals hij steeds heeft verklaard. Niemand bevestigt ook enig antisemitisch gedachtegoed bij hem.

Feit 1 en 2

Verdachte ontkent de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd en heeft een alternatief scenario geschetst, dat aannemelijk moet worden geacht. Verdachte geeft aan dat de doos in het huis van zijn vriendin stond, waar hij veelvuldig verbleef. De doos bevatte spullen die verdachte weg wilde gooien. Daarom heeft verdachte de doos dichtgeplakt en naast de container gezet, omdat die container op dat moment niet open kon. Een derde zal deze doos uiteindelijk voor restaurant [adres restaurant] moeten hebben geplaatst. Verdachte heeft dit van begin af aan verklaard, en vanwege het ontbreken van voldoende duidelijke camerabeelden, informatie van gegevensdragers, zendmastgegevens en het feit dat bij verdachte geen fiets is aangetroffen zoals te zien is op de camerabeelden, is het alternatieve scenario van verdachte niet uit te sluiten. Daarom is geen sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 1 en 2, en moet verdachte ook daarvan worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen.

Feit 3

Op 26 januari 2019 vindt [slachtoffer A] een dreigbrief voor de deur van haar huis. Op deze brief staat geschreven: ¨Bitch kijk en pas goed op je woorden voor je levend verbrand vandaag of morgen krijg je spijt”. Ook staat het woord ¨hoer” vermeld en op de achterkant staat ¨Dood aan die jodin (...)¨. Op de voorkant van de envelop staat: ¨(...) de Bitch¨ en “Denk aan je zoon¨, en als afzender staat vermeld “Adolf 2019¨. Ook staat er een hakenkruis op de brief en één op de envelop. [slachtoffer A] heeft hiervan aangifte gedaan.

Tijdens onderzoek naar de feiten 1 en 2 worden handgeschreven stukken aangetroffen in de woning van de vriendin van verdachte, waar verdachte veelvuldig verblijft. De tekst in deze stukken lijkt op het handschrift in de dreigbrief. Verdachte verklaart dat deze aangetroffen stukken door hem zijn geschreven. Naar aanleiding van de overeenkomsten in handschrift wordt een vergelijkend handschriftonderzoek ingesteld door de deskundige Fagel. Deze deskundige komt tot de conclusie dat de resultaten van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer het betwiste handschrift is geproduceerd door verdachte, dan wanneer dit handschrift geproduceerd zou zijn door een willekeurige andere persoon. De verdediging heeft zich echter op het standpunt gesteld dat het contra-expertiserapport van deskundige Verhulst maakt dat het rapport van deskundige Fagel niet als bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank gaat hier niet in mee. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat deskundige Fagel een conclusie heeft getrokken aan de hand van onvoldoende materiaal. Van een deskundige mag worden verwacht dat hij een selectie maakt van het beschikbare materiaal, om tot een conclusie te kunnen komen. De mening van deskundige Verhulst dat de originele dreigbrief onderzocht had moeten worden en deskundige Fagel geen selectie van het referentiemateriaal had mogen maken, volgt de rechtbank niet. Daar komt bij dat deskundige Verhulst uiteindelijk niet tot een andere, maar alleen tot een minder sterke conclusie komt dan deskundige Fagel. Volgens hem zouden ook na eventueel aanvullend onderzoek de overeenkomsten tussen de handschriften overheersen ten opzichte van de verschillen. De rechtbank acht de conclusies uit het rapport van deskundige Fagel daarom voldoende betrouwbaar.

Dit handschriftvergelijkend onderzoek moet in samenhang worden bezien met het DNA-mengprofiel van verdachte dat op de vouwranden van de dreigbrief is aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat het 35 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA bevat van verdachte en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. Verdachte ontkent de dreigbrief geschreven te hebben en verklaart niet te weten hoe zijn DNA op de brief terecht is gekomen. Volgens hem zou het kunnen dat iemand anders in zijn huis papier uit de printer heeft gehaald dat verdachte eerst heeft aangeraakt. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk.

Verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Hij verklaart wel dat hij [slachtoffer A] kent, en hij weet waar zij woont, namelijk tegenover de woning waar hij veel verblijft. Hij heeft naar eigen zeggen echter nooit problemen met haar gehad. Verdachte verklaart daarnaast dat hij niets tegen joden heeft en de woorden in de dreigbrief niet bij hem passen. Dit wordt echter weersproken door een eerdere veroordeling in 2014. Verdachte is toen veroordeeld voor belediging waarbij hij onder andere heeft geroepen: ¨(...) vuile kankerjood. Ik ga jullie allemaal uitroeien¨. Ook praat verdachte blijkens een telefoontap in gesprek met zijn zus over een ¨chagrijnige jodin¨. Dat dit volgens verdachte met de verkeerde vertaling van het gesprek uit het Berbers te maken heeft, en hij eigenlijk sprak over een “joodse mevrouw” doet hier niet aan af. Het gaat erom dat uit het voorgaande blijkt dat verdachte wel degelijk uitlatingen doet met een antisemitisch karakter, wat de rechtbank sterkt in haar overtuiging dat verdachte degene is geweest die de dreigbrief aan [slachtoffer A] heeft doen toekomen.

De rechtbank is van oordeel dat deze brief bij de ontvanger ook de redelijke vrees heeft kunnen opwekken dat verdachte zijn woorden om zou zetten in daden. [slachtoffer A] verklaart dat zij bang is geweest en zich bedreigd heeft gevoeld. Door het sturen van deze brief heeft verdachte daarnaast tenminste de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze redelijke vrees ook bij [slachtoffer A] zou worden veroorzaakt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat geen sprake is van ‘verzenden’ van de dreigbrief, nu deze voor de deur is neergelegd. De rechtbank oordeelt dat onder verzenden ook het doen toekomen kan worden verstaan. Dit te meer omdat het verzenden dan wel doen toekomen geen bestanddeel is van het delict, maar alleen is genoemd in de omschrijving van de feitelijkheden. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad en het verweer van de raadsvrouw wordt dus verworpen.

Feiten 1 en 2

Op 15 januari 2020 wordt in het portiek van [naam restaurant] restaurant in Amsterdam een doos gevonden die doet denken aan een zelfgemaakte bom. De doos, volgens de opdruk bevattende Heinekenglazen, is met tape dichtgeplakt en er steken elektriciteitsdraden uit de bovenkant. Deze draden zijn op de doos verbonden met een knoopcelbatterij, een printplaatje en een schakelaar. De medewerker van het restaurant die de doos vindt, belt de politie. De politie ter plaatse neemt contact op met de Explosievenopruimingsdienst Defensie (hierna: EODD), die naar aanleiding van de bevindingen van de verbalisant besluit om met spoed naar Amsterdam te komen. De omgeving wordt afgesloten, en de EODD start met onderzoek naar de doos met behulp van röntgenfoto’s en een speciale robot. Na twee uur onderzoek komt de EODD erachter dat er geen explosief in de doos zit. Er worden DNA-sporen en vingerafdrukken op de doos veiliggesteld en er worden camerabeelden van de omgeving opgevraagd.

De vingerafdrukken op het doorzichtige tape en de buitenzijde van de doos leiden na onderzoek naar verdachte. Het DNA, aangetroffen op het doorzichtige tape op de doos, de elektriciteitsdraden en het printplaatje worden onderzocht en vergeleken met DNA van verdachte. Uit dit onderzoek blijkt dat deze DNA-(meng)profielen meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker zijn als ze DNA bevatten van (onder andere) verdachte, dan dat ze alleen maar DNA bevatten van één of meer onbekende personen.

De opgevraagde camerabeelden van de omgeving van restaurant [adres restaurant] worden onderzocht en uit deze beelden blijkt dat de avond vóór het aantreffen van de doos een man aan komt fietsen die de doos neerlegt in de portiek van het restaurant. De verbalisant die onderzoek doet naar deze camerabeelden vindt de beelden niet van dusdanige kwaliteit dat een herkenning mogelijk is, maar ziet wel overeenkomsten tussen de man op de beelden die de doos neerlegt en een foto van verdachte, gevonden in openbare bronnen op internet.

Er wordt onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van verdachte, omdat hij niet wordt aangetroffen op het adres waar hij staat ingeschreven. Uiteindelijk wordt verdachte aangehouden op het adres van zijn vriendin, waar hij verblijft. Dit adres ligt dicht in de buurt van restaurant [adres restaurant] . In deze woning worden op een bureau soortgelijke spullen gevonden als die zijn aangetroffen in de doos. Dit betreft onder andere knoopcelbatterijen, elektriciteitsdraden en plakband. Ook draagt verdachte na zijn aanhouding schoenen die gelijkenis vertonen met de schoenen van de persoon op de camerabeelden.

De telefoon van verdachte maakt kort voor het moment waarop de doos geplaatst wordt nog gebruik van een zendmast op de Poeldijkstraat in Amsterdam, dicht bij restaurant [adres restaurant] . Verdachte was dus in ieder geval kort voor het feit nog in Amsterdam.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die de nepbom heeft geplaatst in de portiek. Verdachte ontkent dit en geeft een verklaring voor het feit dat zijn DNA en vingerafdrukken op de doos zijn aangetroffen. De doos heeft namelijk lange tijd in de woning van zijn vriendin gestaan en hij heeft de doos, gevuld met spullen, op een bepaald moment met tape dichtgemaakt en bij de vuilcontainer gezet. De doos kon niet in de container, omdat de klep op dat moment dicht was en niet open kon. De meeste spullen die in de doos zitten, herkent verdachte ook. Hij klust veel aan elektrische apparaten en stript draden om het koper te kunnen verkopen. De rechtbank vindt het alternatieve scenario van verdachte niet aannemelijk omdat dit niet wordt ondersteund door bewijsmiddelen in het dossier. Het scenario dat verdachte schetst, geeft daarnaast geen verklaring voor de overeenkomsten tussen het gezicht van verdachte en de persoon op de camerabeelden, alsmede de overeenkomsten wat betreft de schoenen op de beelden en de schoenen van verdachte.

Ook acht de rechtbank van belang dat verdachte telkens verklaart dat hij niets tegen joden heeft, maar toch meerdere malen in verband kan worden gebracht met antisemitische uitlatingen. Hierbij spelen vooral de eerder genoemde veroordeling voor belediging in 2014, de eerder genoemde uitspraak van verdachte in het tapgesprek met zijn zus en het feit dat verdachte, zoals hiervoor overwogen, wordt veroordeeld voor het sturen van een dreigbrief met antisemitische uitlatingen.

Voornoemde doos is aan te merken als een nepbom, omdat deze de uiterlijke kenmerken heeft van een nepbom. Daarnaast heeft de EODD de doos ook behandeld als een nepbom en zijn vergaande maatregelen getroffen om de doos veilig te kunnen onderzoeken. Verdachte heeft laat op de avond bewust een doos, lijkend op een bom, in de portiek van een restaurant neergezet. Verdachte verklaart ook te hebben geweten dat dit restaurant vaker te maken heeft gehad met onder andere vernielingen. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte het oogmerk heeft gehad om door het plaatsen van deze doos, mensen te laten geloven dat het om een bom ging.

Ook heeft het plaatsen van deze bom redelijke vrees kunnen aanjagen bij de eigenaren en medewerkers van het restaurant, alsmede bij omwonenden en omstanders. Door het idee te wekken dat er een bom af zou kunnen gaan in de portiek van het restaurant, heeft bij de voornoemde personen de redelijke vrees kunnen ontstaan voor een misdrijf tegen het leven gericht en enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ontstaat. Dit wordt gesteund door de verklaring van aangever S. Bar-On en het feit dat de buurt is afgezet en huizen in de omgeving moesten worden ontruimd. Door op deze manier dit pakket in het portiek te plaatsen, heeft verdachte ook tenminste de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij deze vrees zou veroorzaken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 14 januari 2020 te Amsterdam een voorwerp, te weten een kartonnen doos van het merk Heineken in combinatie met elektronische onderdelen en verzwaard met een plantenkluit, althans een nepbom, op een voor het publiek toegankelijke plaats, in het portiek van [naam restaurant] Restaurant aan de [adres restaurant] , heeft geplaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht;

ten aanzien van feit 2:

op 14 januari 2020 te Amsterdam eigenaren en medewerkers en omwonenden en omstanders van het restaurant [naam restaurant] Restaurant aan de [adres restaurant] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ontstaat en brandstichting, door in het portiek van [naam restaurant] Restaurant aan de [adres restaurant] een kartonnen doos van het merk Heineken in combinatie met elektronische onderdelen en verzwaard met een plantenkluit, althans een nepbom, te plaatsen;

ten aanzien van feit 3:

omstreeks 26 januari 2019 te Amsterdam een persoon, te weten [slachtoffer A], schriftelijk heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer A] een anonieme brief verzonden met daarin de tekst “(…) De Bitch Denk aan je zoon” en/of “Dood aan die Jodin (…)” en “Bitch kijk en pas goed op je woorden voor je levend verbrand vandaag of morgen krijg je spijt hoer” en “Afz. Adolf.2019”, met tekeningen van hakenkruizen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 23 juli 2020. Deze bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het niet wenselijk is dat verdachte langer vast blijft zitten, omdat hij zijn woning daardoor kwijt kan raken. Verdachte heeft juist ook beschermende factoren nodig, waar een woning er één van is. Ook zullen de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn voorgesteld beter kunnen worden uitgevoerd als verdachte een woning heeft. Daarom vraagt de verdediging de rechtbank om, wanneer zij overgaat tot het opleggen van een straf, een groot deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte en een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 juli 2020 betreffende verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plaatsen van een nepbom met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht, bedreiging door het plaatsen van een nepbom en schriftelijke bedreiging.

Alle feiten hebben een antisemitisch karakter. [slachtoffer A] is zelf niet joods, maar heeft zoals onder feit 3 is bewezenverklaard, wel een dreigbrief ontvangen met antisemitische uitlatingen. Het slachtoffer vond de brief weerzinwekkend, mede door het feit dat haar zoon ook specifiek werd genoemd. Ook heeft de brief bij haar tot angst geleid. Ze voelde zich bedreigd en ze had het gevoel dat ze steeds over haar schouder moest kijken.
De eigenaren van restaurant [naam restaurant] , de slachtoffers van de feiten die onder 1 en 2 bewezen zijn verklaard, zijn wel joods. Het restaurant is al meerdere malen doelwit geweest van bedreiging, vernieling en andere misdrijven. De impact die het plaatsen van deze bom op de slachtoffers heeft gehad, is enorm, zeker in het licht van deze eerdere incidenten. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgelezen. Daarnaast heeft dit feit ook grote impact gehad op de medewerkers van het restaurant, omwonenden en de hele joodse gemeenschap. De buurt werd afgesloten ten tijde van het onderzoek aan de nepbom, huizen werden ontruimd en joodse scholen hebben maatregelen genomen. De zaak trok landelijk en internationaal de aandacht. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat al eerder sprake was geweest van vernielingen bij het restaurant. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte specifiek restaurant [naam restaurant] als doelwit heeft gekozen omdat het een joods restaurant is, en de eigenaren joods zijn. De rechtbank vindt dit schokkend en onaanvaardbaar.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank alleen een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Dat verdachte door langere detentie zijn woning zou kunnen verliezen, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 23 juli 2020 betreffende verdachte. Hierin wordt geadviseerd dat aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf wordt opgelegd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een locatieverbod met elektronisch toezicht, een locatiegebod, meewerken aan middelencontrole en het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding. Daarnaast adviseert de reclassering om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank zal dit advies deels volgen, en zal een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, urinecontroles ten behoeve van onderzoek naar middelengebruik en het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding als bijzondere voorwaarden verbinden aan een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank zal afwijken van voornoemd advies waar het een locatieverbod met elektronisch toezicht en een locatiegebod betreft. Deze voorwaarden zijn geadviseerd in het kader van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, en de rechtbank ziet geen aanleiding om deze voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. Ook voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de voorwaarden ziet de rechtbank niet voldoende aanleiding. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk niet naar voren gebracht of, en zo ja op welke gronden, er ernstig rekening mee zou moeten worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Alles overwegende kan de rechtbank zich vinden in de eis van de officier van justitie en legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals hiervoor genoemd.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK doos
(omschrijving: goednr. 5867072, Heinekendoos bevattende botanische materialen en karton)

2. 1 STK printplaat
(omschrijving: goednr. 5867073, deel van printplaat)

3. 1 STK envelop

(omschrijving: goednr. 5918225, envelop met handgeschreven tekst)

4. 1 STK tas
(omschrijving: goednr. 5922081, tas met diverse documenten en schrijfwaren)

5. 1 STK agenda
(omschrijving: goednr. 5922090, notitieboekje zwart met diverse kleuren)

6. 1 STK sjabloon met als vorm hakenkruis
(omschrijving: goednr. 5702150, handgemaakt sjabloon van hakenkruis (met spuitbusresten))

9.1

Onttrekking aan het verkeer
Omdat de voorwerpen onder 1 en 2 zijn bestemd tot het begaan van het onder feit 1 en 2 bewezen geachte en het voorwerp onder 6, hoewel niet aan verdachte ten laste gelegd, is bestemd tot het begaan van vernielingen, en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

9.2

Teruggave aan de rechthebbende

De voorwerpen onder 3, 4 en 5 zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde verdachte.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen

10.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De vordering van de benadeelde partij [naam restaurant] te Amsterdam dient gedeeltelijk te worden toegewezen. De bedrijfsschade met betrekking tot het weggegooide vlees is lastig in te schatten, maar een percentage van 25 procent van het gevorderde bedrag is een redelijke schatting. Daarnaast is het lastig om vast te stellen of de schade die voortkomt uit de wens om meer beveiligingsmaatregelen te treffen, als rechtstreekse schade is aan te merken en daarom dient deze schadepost met 50 procent te worden verminderd. De loonschade die is geleden, is voldoende onderbouwd.

Ook de vordering tot vergoeding van de advocaatkosten is voldoende onderbouwd.

Al met al kan de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 6.336,36 aan materiële schade met daarbij de gevorderde advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vorderingen van de benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] dienen geheel te worden toegewezen, gezien het feit dat dit niet het eerste incident is. Het ligt daarmee voor de hand dat benadeelden hier schade aan hebben overgehouden. Daarom kan de vordering worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij [naam restaurant] te Amsterdam dient niet-ontvankelijk verklaard te worden, nu de schade niet eenvoudig genoeg is om op dit moment vast te stellen. Niet is onderbouwd waarom het specifiek gevorderde deel van de kosten is gevorderd, en daarnaast is het maar de vraag of sprake is van rechtstreekse schade.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [naam restaurant] te Amsterdam

De benadeelde partij [naam restaurant] te Amsterdam vordert € 13.654,42 aan vergoeding van materiële schade en € 720,00 aan advocaatkosten, vermeerderd met de wettelijke rente en vordert dat hierbij de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot materiële schadevergoeding. Hoewel het aannemelijk is dat de v.o.f. schade heeft geleden, levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd, mede waar het gaat om de causaliteit tussen de bewezenverklaarde feiten en de schade. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief van kantonzaken, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 720,00.

Nu alleen vergoeding van de advocaatkosten is toegewezen, zal de rechtbank niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu geen sprake is van rechtstreekse schade.

Benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3]

De benadeelde partijen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (hierna te noemen: de vennoten) vorderen elk een bedrag van € 1.000,00 ter zake van immateriële schadevergoeding, en elk € 120,00 aan advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Aan deze vordering hebben zij het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag gelegd. Dit artikel luidt als volgt:

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. (…)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

c. (…)

De vennoten hebben ter onderbouwing van deze vordering gesteld, dat zij door het plaatsen van de nepbom met angst naar hun werk gaan. Tijdens het werken in het restaurant zijn ze continu op hun hoede en tijdens de verwijdering van de nepbom hebben ze vijf uur in angst en onzekerheid gezeten. De verdachte wist dat ze vanwege hun joodse achtergrond en gezien de eerdere incidenten kwetsbaar zijn.

De officier van justitie en de verdachte hebben zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze vordering het volgende voorop. Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551 (https://www.navigator.nl/document/id15761998012316475admusp?idp=LegalIntelligence&idp=LegalIntelligence&anchor=id-3f070ba07679180befa88163087fc21e), rov. 3.4).

Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 379 en p. 380). In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (https://www.navigator.nl/document/id157620040709c03142hradmusp?idp=LegalIntelligence&idp=LegalIntelligence&anchor=id-5a0f8d973781ce9c5fbd50462bd75145)/Oudejaarsrellen) Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De vennoten hebben geen concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor zover de vennoten hebben bedoeld te stellen dat met het plaatsen van de nepbom sprake is geweest van een aantasting in de persoon hebben de vennoten eveneens onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld die die conclusie kunnen rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval echter mee dat in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de vennoten zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon van de vennoten kan worden aangenomen. Het plaatsen van de nepbom leidde tot een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van de personen van de vennoten en de veiligheid van hun restaurant. Dit klemt temeer daar verdachte wist dat het restaurant van de vennoten reeds veelvuldig doelwit was geweest van bedreigingen.

De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding billijk. Deze zal dan ook worden toegewezen.

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief van kantonzaken, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 120,00.

In het belang van de benadeelde partijen zal als extra waarborg voor de betaling aan verdachte telkens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht worden opgelegd, behoudens wat betreft de toegewezen advocaatkosten, nu dit niet kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 55, 57, 142a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 1:

een voorwerp op een publiek toegankelijke plaats plaatsen met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht

en

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ontstaat en brandstichting;

ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt op afspraken met GGZ Reclassering Inforsa op het adres Vlaardingenlaan 5, 1059 GL te Amsterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

- zich laat behandelen door FAZ, forensische ambulante zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien en voor zolang de reclassering dat nodig acht;

- meewerkt aan het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding en/of werk;

- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen, door middel van urine- en ademonderzoek, zo vaak als de reclassering dat nodig acht.

Geeft aan GGZ Reclassering Inforsa de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.


Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. STK doos
(omschrijving: goednr. 5867072, Heinekendoos bevattende botanische materialen en karton)

2. 1 STK printplaat
(omschrijving: goednr. 5867073, deel van printplaat)

6. 1 STK sjabloon met als vorm hakenkruis
(omschrijving: goednr. 5702150, handgemaakt sjabloon van hakenkruis (met spuitbusresten))

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

3. 1 STK envelop
(omschrijving: goednr. 5918225, envelop met handgeschreven tekst)

4. 1 STK tas
(omschrijving: goednr. 5922081, tas met diverse documenten en schrijfwaren)

5 1 STK agenda
(omschrijving: goednr. 5922090, notitieboekje zwart met diverse kleuren)
Wijst de vordering van [naam restaurant] te Amsterdamtoe tot € 720,00 (zevenhonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] toe tot een bedrag van € 1.120,00 (elfhonderd twintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] aan de Staat € 1.000,00 (duizend euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] toe tot een bedrag van € 1.120,00 (elfhonderd twintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 2] aan de Staat € 1.000,00 (duizend euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 3] toe tot een bedrag van € 1.120,00 (elfhonderd twintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 3] aan de Staat € 1.000,00 (duizend euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.J. Koene, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. L.S. Janse van Mantgem en J.C. Roodenburg, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2020.