Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4145

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
13/256221-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor artikel 6 WVW. Verdachte heeft zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/256221-18 (Promis)

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. Velleman en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. D. Wiedeman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat:

zij op of omstreeks 14 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Rijksweg A10, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een ander, genaamd [persoon] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde milt en/of gekneusde ribben, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rijksweg A10, komende uit de richting van de Stadsroute 105, en gaande in de richting van de Stadsroute 103,

verdachte is, gekomen bij de afrit Stadsroute 103, via de zich rechts van haar bevindende rijstrook, naar rechts afgeslagen naar de uitvoegstrook Stadsroute 103,

verdachte heeft (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 77 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een puntstuk gebruikt,

verdachte heeft zich bij het afslaan niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat die uitvoegstrook vrij was van enig (naderend) verkeer,

verdachte heeft (vervolgens), een andere verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een motorrijtuig (motor), genaamd [persoon] , geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of heeft verdachte onvoldoende gas gegeven en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken voor die [persoon] ,

verdachte is (vervolgens) tegen die [persoon] aangebotst, althans met die [persoon] in botsing gekomen, ten gevolge waarvan die [persoon] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 14 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Rijksweg A10, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rijksweg A10, komende uit de richting van de Stadsroute 105, en gaande in de richting van de Stadsroute 103,

verdachte is, gekomen bij de afrit Stadsroute 103, via de zich rechts van haar bevindende rijstrook, naar rechts afgeslagen naar de uitvoegstrook Stadsroute 103,

verdachte heeft (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 77 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een puntstuk gebruikt,

verdachte heeft zich bij het afslaan niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat die uitvoegstrook vrij was van enig (naderend) verkeer,

verdachte heeft (vervolgens), een andere verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een motorrijtuig (motor), genaamd [persoon] , geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of heeft verdachte onvoldoende gas gegeven en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken voor die [persoon] , verdachte is (vervolgens) tegen die [persoon] aangebotst, althans met die [persoon] in botsing gekomen.

(art 5 Wegenverkeerswet 1994)

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Er is geen sprake geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, maar van een momentane verkeerde inschatting. Van zwaar lichamelijk letsel is evenmin sprake, omdat het slachtoffer preventief in het ziekenhuis is opgenomen en operatief ingrijpen normaliter niet noodzakelijk is bij het type letsel dat hij heeft opgelopen. De raadsvrouw benadrukt dat de milt van het slachtoffer niet operatief is verwijderd, maar dat de bloedtoevoer via een ingreep is afgesloten. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) 1994 te komen, moet een bepaalde mate van schuld worden vastgesteld. Alleen wanneer er sprake is van aanmerkelijke schuld – een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid – kan een verdachte strafrechtelijk worden veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW 1994.

Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (Hoge Raad 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 14 mei 2018 te Amsterdam heeft verdachte gereden over de Rijksweg A10, gaande in de richting van de Stadsroute 103. Zij reed op de middelste rijbaan. Rechts van haar reed een vrachtwagen. Op enige afstand achter haar reed [persoon] op zijn motor. Hij had een camera op zijn motorhelm waarmee opnamen zijn gemaakt. Op de stills van die camerabeelden is te zien dat verdachte al enige tijd, in ieder geval vanaf het viaduct voor de afrit, naast de vrachtwagen reed. Op die stills is ook te zien dat zich achter verdachte en de vrachtwagen (anders dan de motorrijder) geen verkeer bevond.

Verdachte wilde uitvoegen op de afrit Stadsroute 103. Zij heeft op zitting verklaard dat zij geen andere mogelijkheid zag dan voor langs de vrachtwagen naar rechts te rijden; een inschattingsfout, zo verklaart zij op zitting.

Verdachte was bekend in de omgeving en nam deze route regelmatig. Zij wist daarom dat zij de afrit naderde en dat, op het moment dat zij de vrachtwagen passeerde, er zeer beperkte ruimte was om op deze wijze naar de uitvoegstrook voor de afrit te rijden. Verdachte heeft in strijd met artikel 77 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 over een puntstuk gereden om de uitvoegstrook te bereiken.

Verdachte heeft verklaard dat zij, toen zij op de uitvoegstrook reed, heeft gekeken in haar rechterbuitenspiegel en geen verkeersdeelnemers heeft gezien. In haar binnenspiegel en over haar rechterschouder heeft zij niet gekeken. Vervolgens kwam de auto van verdachte op de uitvoegstrook in botsing met de motor die achter haar reed. De motorbestuurder, [persoon] , heeft als gevolg van de botsing een gescheurde milt en gekneusde ribben opgelopen.

Schuld of momentane onoplettendheid?

De rechtbank stelt vast dat verdachte op het moment dat zij naast de vrachtwagen reed en de afrit, die zij wilde nemen, naderde twee mogelijkheden had: haar snelheid minderen zodat zij achter de vrachtwagen naar rechts kon uitvoegen of de vrachtwagen passeren en voor de vrachtwagen langs naar rechts uitvoegen. Verdachte heeft voor de tweede optie gekozen. Vervolgens had zij, op het moment dat zij feitelijk moest uitvoegen, opnieuw een keuze, namelijk om daadwerkelijk uit te voegen of om de afrit te passeren en door te rijden. Verdachte heeft daarbij voor de eerste optie gekozen.

Anders dan de raadsvrouw en met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van meer dan een momentane onoplettendheid. Verdachte heeft met haar gedragingen twee ernstige verkeersfouten begaan. Zij is voor de vrachtwagen langs over het puntstuk naar de afrit gereden. Dat is een overtreding van artikel 77 RVV. Door zo te rijden heeft zij zich bewust in een te krappe positie geplaatst: zij moest tijdens het uitvoegen sterk remmen om niet op haar voorligger die zich al op de uitvoegstrook bevond te botsen en heeft haar auto geforceerd tussen het verkeer dat zich al op die uitvoegstrook bevond gemanoeuvreerd. Daarbij heeft zij, eenmaal rijdend van het puntstuk naar de uitvoegstrook, slechts in haar rechterbuitenspiegel en niet over haar schouder gekeken. Zij heeft zich er daarmee onvoldoende van vergewist dat de uitvoegstrook vrij was van naderend verkeer. Verdachte had deze ook voor haarzelf gevaarlijke situatie eenvoudig kunnen voorkomen door ofwel achter de vrachtwagen te gaan rijden, of simpelweg door te rijden naar de volgende afslag.

Van een enkele inschattingsfout is geen sprake. Verdachte heeft op twee achtereenvolgende momenten een keuze gemaakt voor de meest risicovolle handelwijze. Dit klemt te meer nu verdachte goed bekend is ter plaatse en op het moment dat zij ervoor koos om de vrachtwagen nog in te halen alvorens af te slaan, wist dat de afrit korte tijd later zou volgen, met alle mogelijke problemen voor het uitvoegen van dien. Toen de ruimte om na het inhalen van de vrachtwagen beperkt bleek te zijn, heeft zij haar verkeersgedrag daar niet op aangepast door alsnog door te rijden naar de volgende afslag. Zij is integendeel abrupt afgeslagen, zonder voldoende acht te slaan op het overige verkeer, met de aanrijding tot gevolg.

Voorgaande in overweging nemend is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich hiermee aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen.

Is sprake van zwaar lichamelijk letsel?

De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat het letsel dat het slachtoffer bij het verkeersongeval heeft opgelopen aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW 1994. In dat verband merkt de rechtbank op dat de omschrijving van “zwaar lichamelijk letsel” in artikel 82 Wetboek van Strafrecht waar de raadsvrouw zich in haar pleidooi op baseert alleen van toepassing is bij de uitleg van bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht. Voor de toepassing van artikel 6 WVW 1994 geldt een beperktere omschrijving.

Uit het dossier is gebleken dat het slachtoffer een bloeding aan zijn milt had en operatief ingrijpen in verband daarmee noodzakelijk was. Een deel van de milt is afgestorven en ook heeft het slachtoffer aan het ongeval licht gekneusde ribben overgehouden. Ter zitting heeft het slachtoffer daaraan toegevoegd dat uiteindelijk zijn gehele milt is afgestorven. De rechtbank merkt dit letsel aan als zwaar lichamelijk letsel. Het standpunt van de raadsvrouw, dat operatief ingrijpen bij de bij het slachtoffer geconstateerde verwondingen volgens het protocol van een ziekenhuis in Den Haag niet noodzakelijk is, doet daaraan niet af.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

op 14 mei 2018 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig daarmee rijdende over de Rijksweg A10 zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor [persoon] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde milt en gekneusde ribben werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Rijksweg A10, uit de richting van de Stadsroute 105, en

gaande in de richting van de Stadsroute 103,

verdachte is, gekomen bij de afrit Stadsroute 103, via de zich rechts van haar bevindende rijstrook, naar rechts afgeslagen naar de uitvoegstrook Stadsroute 103,

verdachte heeft daarbij in strijd met het gestelde in artikel 77 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een puntstuk gebruikt,

verdachte heeft zich bij het afslaan niet voldoende vergewist dat die uitvoegstrook vrij was van enig naderend verkeer,

verdachte heeft vervolgens een andere verkeersdeelnemer, te weten de bestuurder van een motor, genaamd [persoon] niet voor laten gaan,

verdachte is vervolgens met die [persoon] in botsing gekomen, ten gevolge waarvan die [persoon] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen. Voorts heeft hij gevorderd dat aan verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (OBM) wordt opgelegd van zes maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een geldboete op te leggen, met het verzoek te bepalen dat zij dit bedrag in termijnen mag betalen als de geldboete het bedrag van € 1.000,- overstijgt. Voorts heeft zij aangevoerd dat verdachte haar rijbewijs nodig heeft voor haar werkzaamheden als woonbegeleidster en dat de oplegging van een taakstraf haar professionaliteit mogelijk zal schaden.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, rijdend op de snelweg, dicht voorlangs de naast haar rijdende vrachtwagen uitgevoegd, waarbij zij over het puntstuk de uitvoegstrook is opgereden en haar auto geforceerd op die uitvoegstrook tussen het aldaar rijdende verkeer heeft gemanoeuvreerd. Zij heeft zich er daarbij niet voldoende van vergewist dat de uitvoegstrook vrij was van naderend verkeer. Het slachtoffer reed op dat moment al op de uitvoegstrook, waar de auto van verdachte plotseling invoegde op een plek waar dat niet meer was toegestaan. Verdachte remde hard af; het slachtoffer eveneens, maar daarmee kon niet worden voorkomen dat hij met de auto van verdachte in botsing kwam. Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank is ervan overtuigd dat verdachte spijt heeft van het feit dat door haar handelen aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, maar heeft niet de overtuiging dat verdachte is doordrongen van de ernst van haar handelen. Verdachte heeft op zitting meermaals verklaard dat zij geen andere mogelijkheid zag en zij een inschattingsfout heeft gemaakt. De rechtbank volgt verdacht niet in die redenering. Zij ziet – anders dan verdachte – wel dat er andere mogelijkheden bestonden: op het moment dat verdachte naast de vrachtwagen reed en de afrit naderde had zij haar snelheid moeten minderen zodat zij achter de vrachtwagen naar rechts kon invoegen of de keuze moeten maken de afrit te passeren en door te rijden. Dat verdachte deze mogelijkheden op dat moment niet voor ogen had – en ook nu kennelijk niet ziet – vindt de rechtbank zorgelijk. Daarmee heeft verdachte aangetoond dat zij geen inzicht heeft gehad in de verkeerssituatie waarin zij zich bevond.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 januari 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen wordt als uitgangspunt de oplegging van een taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke OBM voor de duur van 6 maanden gehanteerd.

De rechtbank realiseert zich dat het voor verdachte extra belastend is om een taakstraf uit te voeren, omdat zij in het kader van haar werkzaamheden als woonbegeleidster contact onderhoudt met de reclassering en mogelijk cliënten tegenkomt die eveneens een taakstraf moeten uitvoeren. De rechtbank vindt de oplegging van een geldboete echter geen recht doen aan de ernst van de gedragingen van verdachte en het daardoor ontstane letsel bij het slachtoffer.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat zij het rijbewijs nodig heeft voor het uitvoeren van haar werkzaamheden. In dat kader is verzocht om een voorwaardelijke OBM op te leggen. De rechtbank onderkent dit belang en ziet met de officier van justitie hierin aanleiding af te wijken van de oriëntatiepunten van het LOVS. De rechtbank zal dit compenseren in de zin dat een hogere taakstraf wordt opgelegd. Verdachte wordt daarom veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke OBM van zes maanden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (vijfenzeventig) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2020.

[…]