Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4137

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
13/659000-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 december 2019 in A’dam opzet- en schuldheling van meerdere goederen, meermalen gepleegd. Veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659000-20 (Promis)

Datum uitspraak: 24 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

Used Products Amsterdam Oost B.V.,

gevestigd op het adres Kamerlingh Onneslaan 22b, 1097 DG te Amsterdam.

1 Onderzoek ter terechtzittingen

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 en 21 juli 2020 (inhoudelijke behandeling) en 24 augustus 2020 (sluiting). Verdachte was bij de behandeling van haar strafzaak door haar bestuurder, [bestuurder] , vertegenwoordigd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat de vertegenwoordiger van verdachte, [bestuurder] , en de raadslieden van verdachte, mr. P.W.M. Huisman en mr. S.R.A. Drieshen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – na de wijziging op de zitting van 20 juli 2020 ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het (mede)plegen van opzetheling dan wel gewoonteheling en/of schuldheling in Amsterdam in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 december 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Er is een nummering aan de gedachtestreepjes toegevoegd omdat in deze uitspraak daarnaar verwezen wordt.

De rechtbank leest het in de drieëntwintigste regel van het eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde onder gedachtestreepje 10 vermelde “ [serienr 2] ” en het in de tweeëntwintigste regel van het tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde onder gedachtestreepje 10 vermelde “ [serienr 2] ” telkens als “ [serienr.] ”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in haar verdediging.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Waar gaat deze zaak over?

Het onderzoek 13Onhaye richt zich op de rechtspersoon Used Products Amsterdam Oost B.V. (hierna: UP Oost). UP Oost is franchisenemer van de franchisegever Used Products B.V. en nam op grote schaal tweedehandse goederen in. Mensen die iets wilden verkopen, konden hun goed in de winkel van UP Oost aanbieden. De werknemer achter de balie bepaalde of het goed al dan niet werd ingekocht. Vervolgens bepaalde diegene een prijs voor het goed. Als men een waardevol goed had, maar krap bij kas zat, kon het goed bij UP Oost ook worden verpand. Na enige weken kon het goed dan voor hetzelfde bedrag vermeerderd met rente weer worden opgehaald.

Opkopers zijn gehouden een register van ingekochte goederen bij te houden. Tegenwoordig wordt daarvoor het digitaal opkopers register (hierna: DOR) gebruikt. UP Oost maakte voor het registreren van goederen gebruik van het UPFK-systeem. Dit systeem werd aangeboden vanuit de franchisegever. Het systeem is rechtstreeks verbonden met het DOR. Het UPFK is ook verbonden met www.stopheling.nl (hierna: stopheling). In stopheling worden aangiftes geregistreerd van diefstal en heling van goederen. Als een goed is opgenomen in stopheling en dit goed wordt in het UPFK-systeem geregistreerd, verschijnt er op het scherm van degene die de registratie doet een melding.

In het UPFK wordt ook gebruik gemaakt van een blacklist. Dit is een zwarte lijst met daarop personen van wie in beginsel niet mag worden ingekocht. Als de naam en het identiteitsdocument van iemand die op de blacklist staat wordt ingevoerd, verschijnt er een melding. De personen op de blacklist kunnen door de medewerkers van de verschillende filialen van Used Products daarop worden opgenomen.

De aanleiding voor het onderzoek 13Onhaye was de aangifte van het bedrijf Kraton Chemical B.V. (hierna: Kraton ) in september 2018. Bij dit bedrijf waren Dell laptops verdwenen. Via het DOR kreeg de politie in Amsterdam Oost de melding dat er van diefstal afkomstige goederen waren ingenomen bij UP Oost. De politie is vervolgens naar UP Oost gegaan. Ter plaatse sprak de politie met [bedrijfsleider] , de bedrijfsleider. [bedrijfsleider] wees naar de laptops, die daarop direct in beslag zijn genomen. De verbalisanten constateerden dat de serienummers van de aangetroffen laptops overeenkwamen met de serienummers die genoemd waren in de aangifte van Kraton . De vraag was vervolgens: Hoe zijn die laptops daar terechtgekomen? Volgens het DOR waren de goederen ingeleverd door een persoon genaamd [persoon 1] , maar uit de camerabeelden van UP Oost bleek dat de producten door een medewerker van UP Oost naar binnen zijn gebracht. Dit riep vragen op bij de politie. Vervolgens is er onder andere onderzoek gedaan naar [persoon 1] , die een veelvuldige verkoper bleek te zijn voor UP Oost. Ook is er onderzoek gedaan naar andere veelvuldige verkopers. Hieruit bleek dat naast [persoon 1] , ook [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] veelvuldig goederen aanleverden bij UP Oost. Uit onderzoek bleek dat de eerste vier personen beperkte inkomsten en financiële middelen tot hun beschikking hadden. Daarnaast bleken zij ook antecedenten voor vermogensdelicten te hebben.

Op 20 juni 2019 volgde er een waarschuwingsgesprek, waarin UP Oost werd opgedragen om geen goederen meer in te kopen van [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 4] en [persoon 3] . De politie vermoedde namelijk dat deze personen zich bezig hielden met heling. [bestuurder] , eigenaar van UP Oost, heeft toen tegen de verbalisant verklaard dat hij de hiervoor genoemde vier personen op de ‘lijst’ zou plaatsen.

De politie kreeg na het waarschuwingsgesprek nog een aantal DOR-meldingen binnen dat er goederen waren ingeleverd bij UP Oost die van diefstal afkomstig zijn. Vervolgens is op 21 november 2019 het pand van UP Oost doorzocht. Op hetzelfde moment werden [bestuurder] en [bedrijfsleider] aangehouden en verhoord. Op die dag werden ook de medewerkers van UP Oost aangehouden als verdachte of gehoord als getuige.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat UP Oost zich schuldig heeft gemaakt aan gewoonte- en schuldheling. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Van misdrijf afkomstige goederen en het voorhanden hebben daarvan

Alle in de tenlastelegging genoemde goederen zijn van misdrijf afkomstig, met uitzondering van het goed onder nummer 27. Dit blijkt – kort gezegd – uit de aangiften of de vonnissen in het dossier. Van alle goederen staat verder vast dat UP Oost deze goederen voorhanden heeft gehad.

Opzetheling

Ten aanzien van de goederen onder nummers 7, 9, 10, 11, 13 en 30 tot en met 37 is sprake van opzetheling.

Bij het goed onder nummer 9 (Apple Pencil) is sprake van vol opzet. Dit goed is op 11 januari 2019 door UP Oost ingekocht en de stelling van de officier van justitie is dat op dat moment de Apple Pencil al in stopheling stond. De officier van justitie verwijst naar de datum waarop aangifte is gedaan, 10 januari 2019, en naar het proces-verbaal over de verwerkingstijd van stopheling. De vertegenwoordiger van UP Oost, [bestuurder] , heeft ter zitting verder verklaard dat bij elk goed de knop ‘controleren’ werd ingedrukt in het UPFK en dat deze knop is gekoppeld aan stopheling. Als er een melding binnenkwam, stopte alles in het systeem volgens [bestuurder] . Volgens de officier van justitie moest UP Oost, gelet op het voorgaande, hebben geweten dat er een goed werd ingenomen dat van diefstal afkomstig was.

Bij de goederen onder nummers 7, 10, 11, 13 en 30 tot en met 37 heeft UP Oost bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het een gestolen goed betrof.

De goederen onder nummers 10, 13, 32 en 34 zijn ingenomen van personen terwijl UP Oost wist dat dit ‘boeven’ waren. Die wetenschap kon bestaan uit informatie op de blacklist of de waarschuwing die de politie hen heeft gegeven. Als je weet dat degene die een goed komt verkopen een crimineel is, is de kans groot dat het een gestolen goed betreft. Door het goed desondanks aan te nemen, aanvaard je bewust de aanmerkelijke kans een gestolen goed te verwerven.

De goederen onder nummers 11, 30, 31, 33, 35, 36 en 37 zijn ingenomen van personen die zeer veel goederen inleverden, terwijl niet werd gecontroleerd of deze personen daadwerkelijk handelaren waren en ingeschreven stonden in de Kamer van Koophandel. Volgens de officier van justitie hadden deze personen vaak goederen van hetzelfde type voorhanden, zoals lego, gereedschap, laptops en telefoons. Als iemand aan de lopende band dergelijke goederen inlevert en er door de medewerker vervolgens niet wordt gecontroleerd of deze persoon ook een bedrijf heeft in de verkoop van deze goederen, wordt volgens de officier van justitie bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om gestolen goederen gaat.

Het goed onder nummer 7 is ingenomen terwijl het een nieuw goed was en UP Oost minder dan helft van de nieuwprijs hoefde te betalen. Volgens de officier van justitie is dit zo opvallend, dat de kans groot is dat dit goed is verkregen door een misdrijf. Door het goed aan te nemen, aanvaard je bewust de aanmerkelijke kans een gestolen goed te verwerven.

Gewoonteheling

Ten aanzien van de hiervoor genoemde goederen onder het kopje ‘opzetheling’ is sprake van gewoonteheling voor de gehele tenlastegelegde periode, omdat er grote aantallen goederen zijn ingeleverd.

Schuldheling

Ten aanzien van de goederen onder nummers 4, 6, 15, 16, 18, 22 en 28 had UP Oost redelijkerwijs moeten vermoeden, blijkens de omstandigheden, dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Het gaat met name om goederen die voor een relatief lage prijs werden aangeboden of die werden aangeboden door een aanbieder waarbij je op grond van de uiterlijke verschijning twijfels kon hebben.

Geen heling

Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde goederen bestaat twijfel. Deze goederen kunnen wat de officier van justitie betreft uit de tenlastelegging worden gestreept. Dit zijn goederen die weliswaar van misdrijf afkomstig zijn, maar waarbij de officier van justitie niet kan vaststellen dat er een ‘belletje had moeten gaan rinkelen’ bij de medewerkers van UP Oost.

Rechtspersoon

Alle bewezen gedragingen kunnen aan UP Oost worden toegerekend. De goederen die op de tenlastelegging zijn genoemd zijn ingenomen door medewerkers van UP Oost en zijn onderdeel van de handel in gebruikte goederen. Voorgaande past bij de normale bedrijfsvoering van UP Oost en is ook dienstig geweest aan UP Oost. Verder blijkt uit het dossier dat UP Oost niet de nodige zorg heeft betracht om heling te voorkomen. Er waren geen nadere instructies of regels binnen UP Oost om heling te voorkomen, anders dan de gegevens in het bestaande registratiesysteem UPFK te noteren, waardoor er een ‘hit’ in stopheling kon komen. Uit onderzoek is echter gebleken dat het enkel invoeren in het UPFK heling niet voorkomt. Dit was ook bij UP Oost bekend. De politie heeft namelijk meermalen goederen opgehaald die van diefstal afkomstig waren en UP Oost was op de hoogte van de bestaande risico’s. Desondanks is aanvullend beleid ter voorkoming van heling uitgebleven. Volgens de officier van justitie is in ieder geval het voorwaardelijk opzet van UP Oost hiermee bewezen. UP Oost moet daar ook verantwoordelijk voor worden gehouden en niet de franchisegever, want de franchisenemer, UP Oost, had duidelijk een eigen verantwoordelijkheid.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat UP Oost moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Subsidiair heeft zij betoogd dat als de rechtbank tot een veroordeling komt, de lijst van goederen beperkt bewezen kan worden als onderdeel van de helingshandeling. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Geen heling

Ten aanzien van de goederen onder nummers 1 tot en met 8, 11 tot en met 18, 20 tot en met 22, 24, 25, 26, 28, 29, 30, 33 en 35 bestond er geen reden voor UP Oost om aan te nemen of te vermoeden dat de goederen gestolen waren. Van de goederen onder nummers 2 tot en met 8, 11, 12, 14 tot en met 16, 18, 20 tot en met 22, 24 en 25 was ten tijde van de inname nog geen aangifte gedaan. Ten aanzien van de goederen onder nummers 1, 13, 17, 26 en 28 is niet gebleken dat de aangifte op het moment van inname door UP Oost was verwerkt in het politieregistratiesysteem BVI en zichtbaar was op stopheling.

Ten aanzien van de goederen onder nummers 9, 10, 19, 23, 27 en 31 ontbreken nadere gegevens, waardoor het dossier onvoldoende aanleiding geeft voor de conclusie dat de goederen wel of niet hadden mogen worden ingenomen door UP Oost. De raadsvrouw heeft over goed 9 betoogd dat uit het dossier niet blijkt dat de aangifte van dit goed daadwerkelijk die middag in het BVI is verwerkt en het systeem van stopheling was bijgewerkt. Er kan dus niet vastgesteld worden dat er sprake was van vol opzet.

Ten aanzien van de goederen onder nummers 32, 34, 36 en 37 geldt dat deze (deels) zijn ingenomen van iemand die op dat moment op de blacklist van Used Products stond. Er bestonden zogeheten ‘red flags’ voor de medewerkers van UP Oost bij het innemen van deze goederen. In deze gevallen staat echter niet vast dat de goederen op het moment van inname van diefstal afkomstig waren. Ook staat niet vast dat een juiste verwerking in UPFK een negatieve ‘hit’ via stopheling had opgeleverd.

Voor de goederen onder nummers 30 tot en met 37 geldt voorts dat gelet op de open formulering in de tenlastelegging niet bekend is in hoeverre de goederen op dat moment van diefstal afkomstig waren en in hoeverre dat inzichtelijk moest zijn voor de medewerkers van UP Oost.

De raadsvrouw heeft verder betoogd dat er sprake is van een niet-werkbare situatie voor UP Oost als zij geen goederen meer kan inkopen van personen waarvan de politie kort daarvoor een gestolen goed heeft opgehaald. Met betrekking tot het punt dat veelvuldige verkopers als handelaar ingeschreven zouden moeten staan bij de Kamer van Koophandel heeft zij betoogd dat er veel handelaren zijn die niet staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en wel ‘nette’ spullen aanleveren. Uit de verhoren is daarnaast gebleken dat verkopers duidelijk werd gevraagd naar de afkomst van goederen. Tot slot kunnen nieuwe goederen beschadigingen hebben opgelopen waardoor ze voor een lager bedrag dan de nieuwprijs kunnen worden ingekocht. Het aanleveren van een bon bij nieuwe goederen is verder geen vereiste, maar wel een pré.

Rechtspersoon

Bij een deel van de goederen, goederen onder nummers 30 tot en met 37, waren ‘red flags’ aan de orde die zijn genegeerd door het dienstdoende personeel. Dit kan echter niet worden toegerekend aan UP Oost. Het zijn de dienstdoende medewerkers geweest die het UPFK en de blacklist ten onrechte niet, althans niet op de juiste wijze hebben gebruikt. UP Oost heeft verder diverse handelingen verricht om dit te voorkomen. Zo gebruikt UP Oost een betrouwbaar systeem, het UPFK, met koppeling naar stopheling, aan de hand waarvan medewerkers behoorden te werken. Daarvan maakt de blacklist onderdeel uit. Daarnaast ontving iedere nieuwe werknemer het ‘Bedrijfsreglement Used Products B.V.’. Hierin wordt onder andere verwezen naar de verplichte inkooptraining, het DOR, het UPFK en de verplichtingen van de APV. Volgens de raadsvrouw werd dit reglement bovendien mondeling doorgesproken. Vanuit de franchisegever is er verder een protocol opgesteld genaamd het ‘Handboek Used Products’. Ook zijn er medewerkers naar diverse inkooptrainingen geweest. Tot slot heeft UP Oost de goederen steeds op diverse platforms aangeboden, zoals Marktplaats. Het was al die tijd duidelijk voor UP Oost dat de politie het UPFK en het DOR in de gaten hield en goederen in beslag kon nemen, wat met regelmaat gebeurde.

Gelet op de delictsomschrijving van opzetheling is voorwaardelijk opzet op de helingshandelingen vereist. De raadsvrouw heeft betoogd dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat UP Oost voorwaardelijk opzet had op de helingshandelingen.

3.4

Oordeel van de rechtbank

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of UP Oost zich als rechtspersoon schuldig heeft gemaakt aan opzetheling dan wel gewoonteheling en/of schuldheling.

Om die vraag te beantwoorden zal de rechtbank eerst de lijst met goederen in de tenlastelegging doorlopen, zodat onderzocht kan worden of de goederen van misdrijf afkomstig zijn en zo ja, of UP Oost op het moment van verwerven/voorhanden krijgen van deze goederen wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat het goederen betroffen die van misdrijf afkomstig waren en of dat aan UP Oost kan worden toegerekend.

Van misdrijf afkomstige goederen en het voorhanden hebben daarvan

De rechtbank overweegt ten aanzien van de goederen onder nummers 27, 32, 33 en 34 dat uit het dossier onvoldoende is gebleken dat deze goederen van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het onder gedachtestreepjes 27, 32, 33 en 34 tenlastegelegde.

Opzetheling

De rechtbank overweegt ten aanzien van de goederen onder nummers 10, 13 en 37 dat sprake is van opzetheling.

Goederen onder nummer 37

Ten aanzien van de door [persoon 3] ingeleverde goederen zoals beschreven in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2017 (goederen onder nummer 37) overweegt de rechtbank dat bij vonnis van 17 augustus 2017 [persoon 3] is veroordeeld voor de diefstal van navigatiesystemen uit de auto’s van drie personen. Deze feiten zijn gepleegd in de periode 21 januari 2017 tot en met 19 april 2017. Deze goederen zijn telkens binnen zeer korte tijd na de diefstal door [persoon 3] bij UP Oost aangeboden. Verder blijkt uit het dossier dat [persoon 3] vanaf 1 januari 2017 veelvuldig goederen inleverde bij UP Oost. Het betrof vaak ook hetzelfde type goed, namelijk navigatiesystemen, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat navigatiesystemen veelvuldig gestolen worden. Gelet op voornoemde omstandigheden waaronder verdachte de navigatiesystemen heeft ingekocht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij door misdrijf verkregen goederen verwierf.

Goed onder nummer 10

Ten aanzien van het door [persoon 3] ingeleverde TomTom-navigatiesysteem (goed onder nummer 10) overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat dit goed op 19 januari 2019 is ingekocht door UP Oost. Twee dagen later, op 21 januari 2019, is er aangifte gedaan van diefstal van dit goed op 19 januari 2019. De politie kreeg op 21 januari 2019 een DOR-melding binnen van dit goed. De rechtbank begrijpt dat in het proces-verbaal van de DOR-melding, pagina F439, sprake is van een kennelijke verschrijving, nu de volgorde van de eerste en tweede letter afwijkt van het serienummer van de gestolen TomTom zoals opgegeven door aangever. Uit het dossier blijkt verder dat naast de omstandigheid dat [persoon 3] vanaf 1 januari 2017 veelvuldig goederen inleverde bij UP Oost, met name navigatiesystemen, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat navigatiesystemen veelvuldig gestolen worden, [persoon 3] destijds, sinds 12 september 2018, ook in het UPFK op de blacklist geregistreerd stond als ‘ Boef , niets meer aannemen’. Gelet op voornoemde omstandigheden waaronder verdachte het navigatiesysteem heeft ingekocht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij een door misdrijf verkregen goed verwierf.

Goed onder nummer 13

Ten aanzien van de door [persoon 6] ingeleverde Bose hoofdtelefoon (goed onder nummer 13) overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat dit goed op 11 februari 2019 is ingekocht door UP Oost en dat op diezelfde dag aangifte is gedaan van de diefstal van dit goed. De politie kreeg op 14 maart 2019 een DOR-melding binnen van dit goed. Uit het dossier blijkt verder dat dat de hoofdtelefoon door [persoon 6] aan UP Oost werd aangeboden, terwijl [persoon 6] op 10 januari 2019 een laptop heeft ingeleverd bij UP Oost die vervolgens door de politie in beslag is genomen na een DOR melding op 16 januari 2019, omdat deze van diefstal afkomstig was. Gelet op voornoemde omstandigheden waaronder verdachte de hoofdtelefoon heeft ingekocht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij een door misdrijf verkregen goed verwierf.

Gewoonteheling

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat er van heling een gewoonte is gemaakt. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging. Voor het maken van een gewoonte van opzetheling is immers niet alleen vereist dat verdachte een aantal malen opzetheling heeft gepleegd, maar ook dat verdachte een op de gewoonte gerichte opzet had. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte laatstbedoelde opzet niet. Zij acht daarbij van belang dat verdachte, weliswaar op tekortschietende wijze, heeft getracht om de inkoop van gestolen goederen te voorkomen. Zo heeft zij een zwarte lijst samengesteld van verkopers van gestolen goederen. Verder weegt de rechtbank mee dat zij niet ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten de opzetheling bewezen acht en dat verdachte goederen die later van misdrijf afkomstig bleken te zijn, aanbood op de website. Dit laatste lijkt niet te passen bij het opzettelijk een gewoonte maken van opzetheling.

Schuldheling

De rechtbank overweegt ten aanzien van de goederen onder nummers 11 en 30 dat sprake is van schuldheling.

Goed onder nummer 11

Ten aanzien van de door [persoon 7] ingeleverde fiets van het merk Sparta (goed onder nummer 11) overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat deze op 17 februari 2019 is ingekocht door UP Oost en dat twee dagen later, op 19 februari 2019, aangifte is gedaan van diefstal van dit goed op 15 februari 2019. De politie kreeg op 20 februari 2019 een DOR-melding binnen van dit goed. Uit het dossier blijkt verder dat [persoon 7] veelvuldig fietsen inleverde van dure merken als Gazelle, Batavus en Sparta bij UP Oost, terwijl bekend is dat in Amsterdam veelvuldig fietsen worden gestolen. Daarnaast is niet gebleken dat er een aankoopbewijs van deze fiets door [persoon 7] is overlegd. Verder is ook niet gebleken dat [persoon 7] een geregistreerde handelaar was in fietsen. Gelet op voornoemde omstandigheden waaronder verdachte de fiets heeft ingekocht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets van misdrijf afkomstig was.

Goederen onder nummer 30

Ten aanzien van laptops van het bedrijf Kraton (goederen onder nummer 30) overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de politie in september 2018 een DOR-melding kreeg dat er goederen in de opslag van UP Oost stonden die van diefstal afkomstig waren. Toen de politie ter plaatse kwam, zagen zij dat de serienummers van vijf gestolen Dell laptops overeenkwamen met de serienummers van de laptops die in de voorraad van UP Oost stonden. Er is op 17 september en 25 oktober 2018 aangifte gedaan van de diefstal van deze goederen door Kraton . Uit het dossier blijkt verder dat de laptops in het UPFK stonden geregistreerd als ingebracht door [persoon 1] , maar blijkens de camerabeelden zijn deze goederen naar binnengebracht door een medewerker van UP Oost. De medewerker van UP Oost heeft verklaard dat [persoon 1] deze dozen aan hem had gegeven. De laptops zaten dus nog in dozen en waren nieuw. Uit het dossier blijkt verder dat [persoon 1] vanaf de periode van 1 januari 2018 tot en met 22 september 2018 een grote hoeveelheid goederen inleverde bij UP Oost en niet is gebleken dat hij een geregistreerde handelaar was in laptops. Gelet op voornoemde omstandigheden waaronder verdachte de laptops heeft ingekocht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de laptops van misdrijf afkomstig waren.

Geen heling

Ten aanzien van de goederen onder nummers 4, 6, 7, 15, 18, 22 en 28 overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat de goederen splinternieuw waren. De enkele omstandigheid dat deze goederen verder voor een relatief lagere prijs dan de nieuwprijs zijn ingekocht, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte op het moment van het verwerven van de goederen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren.

Ten aanzien van de goederen onder nummers 16, 35 en 36 overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat de goederen zijn ingeleverd door personen die bij UP Oost vaker goederen inbrachten, onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat verdachte op het moment van het verwerven van de goederen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de goederen onder nummers 1, 2, 3, 5, 8, 9, 12, 14, 17, 19, 20, 21, 23 tot en met 26, 29 en 31 geen sprake is van heling. Het dossier bevat geen informatie die erop duidt dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.

Ten aanzien van goed onder nummer 9 overweegt de rechtbank dat zich in het dossier geen bewijsstuk bevindt waaruit volgt dat het goed in stopheling stond op het moment dat het bij UP Oost werd ingekocht. De mededeling dat het zo geweest moet zijn omdat de aangifte een dag voor de verkoop door UP Oost is gedaan en het systeem van stopheling om een aantal uren wordt aangepast aan het politiesysteem acht de rechtbank onvoldoende.

Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het onder gedachtestreepjes 1 tot en met 9, 12, 14 tot en met 26, 28, 29, 31, 35 en 36 tenlastegelegde.

Rechtspersoon

Het juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.


Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.

(Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733 en HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938.)

Het juridisch kader toegepast op de huidige zaak

Bij UP Oost namen de medewerkers op grote schaal tweedehandse goederen in. Dit paste bij de normale bedrijfsvoering en taakuitoefening van UP Oost en is ook dienstig geweest aan UP Oost. De handel in tweedehandsgoederen is een branche die bij uitstek gevoelig is voor heling. Uit het dossier blijkt echter niet dat UP Oost voldoende zorg heeft betracht met het oog op het voorkomen van heling. Er zijn geen aanwijzingen, instructies of protocollen gevonden in het pand van UP Oost. De raadsvrouw van verdachte heeft een bedrijfsreglement van UP Oost en een handboek van Used Products B.V. overgelegd, maar daar staan geen data op waaruit blijkt wanneer ze zijn opgemaakt en het is niet gebleken dat deze stukken gedeeld werden met de medewerkers. Als het bedrijfsreglement en handboek al daadwerkelijk werden besproken met nieuwe medewerkers, dan is daar bovendien kennelijk niet naar gehandeld. Uit het dossier blijkt immers dat niet alle medewerkers een training hebben gevolgd over de registratie van producten en klantgegevens in het DOR, inkoop, verkoop en het UPFK. Ook is gebleken dat de medewerkers in strijd met de instructies, niet steeds op hun eigen naam hebben ingelogd in het UPFK. Vaak werd op naam van andere medewerkers geregistreerd in UPFK. Uit de verhoren van de medewerkers van UP Oost blijkt wel dat zij instructies kregen met betrekking tot het invoeren van goederen in het UPFK. Door het goed in te voeren in het UPFK werd gecheckt of het goed voorkwam in stopheling. Stopheling is echter niet waterdicht. Gebleken is dat de registratie van goederen niet altijd correct gebeurde waardoor stopheling geen melding gaf. Daarnaast wordt niet altijd direct aangifte van diefstal van een goed gedaan, waardoor het bij registratie nog niet in stopheling te zien is. Naar het oordeel van de rechtbank had bij het inkopen van goederen door UP Oost daarom ook gekeken moeten worden naar andere indicatoren voor heling, zoals het veelvuldig aanbieden van hetzelfde type goed, of het feit dat iemand eerder een gestolen goed bleek te hebben ingeleverd. Dat is niet gebeurd.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het – in het dossier vervatte – contract tussen Used Products en UP Oost. Uit dit contract volgt dat met name op het gebied van beleid in de onderneming UP Oost een eigen verantwoordelijkheid had.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en dat deze gedragingen kunnen worden toegerekend aan UP Oost.

Blijkens het voorgaande heeft UP Oost op een aantal punten geen beleid gevoerd ter voorkoming van heling. De vraag is vervolgens of zij dit met opzet heeft gedaan. Voor een bewezenverklaring van opzetheling is opzet vereist. Het opzet kan onder omstandigheden ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. In een winkel waarin grootschalig verschillende tweedehandse goederen worden ingeleverd, die door verschillende verkopers worden aangeboden, mag van de rechtspersoon verwacht worden dat zij continue alert is op het feit dat er geen heling plaatsvindt. Uit het voorgaande volgt dat dit niet het geval was. In dit beleid is immers geen speciale aandacht besteed aan indicatoren van heling, terwijl dit wel noodzakelijk was. Uit het dossier volgt dat er meermalen goederen zijn ingenomen door de politie en dat personen veelvuldig goederen van hetzelfde type, goederen waarvan bekend is dat zij vaak gestolen worden, kwamen inleveren, terwijl niet nagegaan werd of zij geregistreerd stonden als handelaar bij de Kamer van Koophandel. De verkoopgeschiedenis van bepaalde aanbieders is niet bekeken of er is niets mee gedaan. Ook werd een goed ingeleverd door een persoon die al enige tijd op de blacklist stond. Verder is er ook een goed ingeleverd door een persoon waarvan duidelijk is geworden dat die eerder spullen heeft ingeleverd die gestolen bleken te zijn. Door op deze manier te werk te gaan heeft UP Oost bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij goederen inkocht die van misdrijf afkomstig waren.

Conclusie

Concluderend acht de rechtbank bewezen dat UP Oost zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van opzet- en schuldheling.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

optredend onder de handelsnaam Used Products Amsterdam Oost B.V.

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 december 2019 te Amsterdam

10. een door [persoon 3] ingeleverd navigatiesysteem met serienummer [serienr.]

en

13. een door [persoon 6] ingeleverde Bose hoofdtelefoon, type Quietcomfort 35 II en

37. meerdere door [persoon 3] ingeleverde goederen zoals beschreven in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2017,

heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door diefstal, in elk geval door misdrijf, verkregen goederen betrof

en

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 december 2019 te Amsterdam

11. een fiets met serienummer [serienr 1] en

30. meerdere laptops van het bedrijf [naam 2] Chemical B.V.

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs moest vermoeden, dat het door diefstal, in elk geval door misdrijf, verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een geldboete van € 125.000,-.

7.2

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging komt, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er rekening gehouden moet worden met de beperkte rol/verwijtbaarheid van UP Oost. Zij heeft verzocht een lagere geldboete op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de financiële omstandigheden van de rechtspersoon, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van opzet- en schuldheling. Heling is een strafbaar feit, omdat het diefstal bevordert. Verdachte heeft eraan bijgedragen dat een afzetmarkt voor gestolen goederen in stand werd gehouden. Dit blijkt ook uit het dossier waarin een beeld naar voren komt dat veel Amsterdammers hun gestolen goederen terugvonden op de website van UP Oost en de politie de goederen die van misdrijf afkomstig waren, kwam innemen bij UP Oost. Er is door UP Oost onzorgvuldig gehandeld. Dit terwijl UP Oost wel als rechtspersoon geld heeft verdiend met de verkoop van gestolen goederen. Daartegen moet, gelet op het voorgaande en vanuit het oogpunt van generale preventie, streng worden opgetreden.

De rechtbank zal, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op het feit dat de rechtbank veel minder bewezen acht dan waarvan de officier van justitie bij haar eis is uitgegaan, een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, en komt tot oplegging van een geldboete van € 25.000,-.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

 DELL Inspiron computer

Notebook met oplader (5783436);

 LENOVO computer

Notebook + lader (5767319).

Ten aanzien van de Dell laptop heeft de officier van justitie aangevoerd dat het serienummer is weggekrast en dat de inhoud van de laptop is onderzocht om een eigenaar te achterhalen. Uit het journaal van de politie blijkt op deze laptop kinderporno te staan. De officier van justitie heeft gelet op het feit dat er kinderporno op staat gevorderd de laptop te onttrekken aan het verkeer.

Ten aanzien van de Lenovo laptop heeft de officier van justitie aangevoerd dat de laptop is ingeleverd door [persoon 1] en daarvan acht zij de opzetheling van UP Oost bewezen. Daar komt bij dat op deze laptop foto’s zijn gevonden van wapens, drugs en geld. De officier van justitie heeft gelet op het voorgaande gevorderd de laptop te onttrekken aan het verkeer.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de Dell laptop onttrekken aan het verkeer, aangezien deze laptop is aangetroffen in het onderzoek naar het misdrijf waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl daarop kinderporno is aangetroffen, waarvan het bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal ten aanzien van de Lenovo laptop de bewaring van de rechthebbende gelasten. De rechtbank zal de laptop niet onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit van een laptop met foto’s van wapens, drugs en geld niet in strijd is met de wet of het algemeen belang.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 36b, 36c, 36d, 51, 57, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzetheling en schuldheling, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, Used Products Amsterdam Oost B.V., daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro).

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

 DELL Inspiron computer

Notebook met oplader (5783436).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

 LENOVO computer

Notebook + lader (5767319).

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. E.G.C. Groenendaal en H.E. Hoogendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2020.