Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4131

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
13/043062-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring doodslag, OVAR wegens geslaagd beroep op noodweer exces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/043062-20 (Promis)

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats 1] , gedetineerd in Justitieel Complex “ [locatie] ” te [plaats 2] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 14 mei 2020 en 6 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J.J. Schutte en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. Pothast naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 februari 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon, genaamd [persoon] , opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meermalen in de borst en/of schouder en/of eenmaal of meermalen in de rug en/of eenmaal of meermalen in de (linker)zij, in elk geval eenmaal of meermalen in het lichaam, van die persoon ( [persoon] ), heeft gestoken.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de aangifte, letselverklaring en de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte aangever meermalen in zijn lichaam heeft gestoken. Aangever heeft daardoor levensbedreigend letsel opgelopen. Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zou komen te overlijden en heeft hij voorwaardelijk opzet gehad op de dood van aangever.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewijsvraag, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt, zodat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen voor dit feit.

3.4

Oordeel van de rechtbank

Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte aangever elkaar op 17 februari 2020 vroeg in de ochtend hebben ontmoet op station Sloterdijk, na een avond stappen in Amsterdam. Verdachte is vervolgens meegegaan naar de hotelkamer van aangever, die als toerist in Amsterdam verbleef. Op enig moment heeft aangever verdachte verzocht de hotelkamer te verlaten. Over wat er daarna precies is gebeurd, lopen de verklaringen van aangever en verdachte uiteen. Wel staat vast dat verdachte vervolgens meermalen met een mes op aangever heeft ingestoken. Aangever heeft daarbij ernstig letsel opgelopen, namelijk drie steekwonden aan de voorzijde van zijn romp (twee t.p.v. de linker tepel, een t.p.v. de axillairlijn links) en twee steekwonden op zijn rug (een t.h.v. de wervel Th1 en een t.h.v. het sacrum).

De rechtbank is gelet hierop, alsmede op de zich in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 17 februari 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [persoon] , opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de borst, schouder, rug en in de linkerzij van [persoon] , heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit en van verdachte

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de verklaring van verdachte en dat hem een beroep op noodweer toekomt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs mocht verdedigen. Aangever is begonnen met geweld door verdachte meermalen met kracht in zijn gezicht te slaan, terwijl aangever over hem gebogen stond en verdachte in een stoel zat. Verdachte heeft zich hiertegen verdedigd. Deze verdediging was noodzakelijk, nu verdachte geen reële mogelijkheid had om zich aan de situatie te onttrekken, en de verdediging stond in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

Subsidiair, indien de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt, heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, was sprake van een verontschuldigbare overschrijding die het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding. Verdachte kreeg flashbacks naar aanleiding van een eerdere mishandeling waar hij het slachtoffer van was, waardoor hij in paniek en in een shock raakte en het mes heeft gepakt om zichzelf te verdedigen.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat moet worden uitgegaan van de lezing van aangever, die op sommige punten inconsistent is, maar consistent wat betreft het ontstaan van zijn letsel (het insteken van verdachte op hem) en het letsel bij verdachte (doordat hij van zich af heeft geslagen met zijn armen). Verdachte komt dan ook geen beroep op noodweer toe. Het geweld is uitgegaan van verdachte. Er bestond geen situatie waarin voor verdachte de noodzaak bestond zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Ter onderbouwing van de onwaarschijnlijkheid van het door verdachte geschetste scenario heeft de officier er verder op gewezen, samengevat: dat de aard van het letsel van verdachte onvoldoende steun biedt aan diens verklaring dat er als een beest op hem werd ingestoten; dat het rugletsel van aangever moeilijk valt te rijmen met de verklaring van verdachte dat aangever over hem heen gebogen stond toen hij met een mes zich verdedigde; dat het gedrag van verdachte nadat hij de hotelkamer verliet niet past bij iemand die in shock was en dat verdachte een stuk forser gebouwd is dan aangever.

Mocht de rechtbank toch uitgaan van de lezing van verdachte, dan dient het beroep op noodweer eveneens te worden verworpen omdat de verdediging niet proportioneel was.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is, ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed.

Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd en uit de wettelijke bewijsmiddelen moet worden afgeleid, aannemelijk is geworden. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de door verdachte geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt. Meer concreet moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het door verdachte begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke toedracht zoals door verdachte geschetst voldoende aannemelijk is geworden. Verdachte heeft consistent verklaard dat hij, zittende op een stoel, uit het niets door aangever werd aangevallen, herhaaldelijk stoten in zijn gezicht kreeg en zich daartegen heeft verdedigd. Deze verklaring wordt ondersteund door het bij verdachte geconstateerde, niet geringe, tandletsel waaronder voortanden die later zijn uitgevallen alsmede door de geconstateerde scheuren in de onder- en bovenlip. Dit letsel bij verdachte is een gegeven waar de rechtbank niet zomaar omheen kan en waar de verklaringen van aangever (dat hij met zijn armen heeft gezwaaid/ van zich af heeft geslagen terwijl op hem werd ingestoken) zonder meer niet een afdoende verklaring voor bieden.

Aangever heeft andersluidend verklaard over de feitelijke toedracht, namelijk dat hij uit het niets door verdachte werd gestoken nadat hij hem had gevraagd om de hotelkamer te verlaten, maar de verklaringen van aangever lopen uiteen en zijn op meerdere punten niet consistent. Met name is die verklaring niet consistent wat betreft de vraag of en hoe aangever zelf geweld gebruik heeft. Hij verklaart aanvankelijk nog van een worsteling uitmondend in een vechtpartij en dat hij verdachte een schop heeft gegeven. In zijn laatste verklaring zegt hij onder meer dat hij geen geweld heeft gebruikt, althans dat hij zich dat niet kan herinneren.

Daarnaast wordt het door verdachte geschetste scenario niet weerlegd door andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen dan de verklaring van aangever. Dit terwijl de verklaring van aangever op sommige punten de verklaring van verdachte ondersteunt, bijvoorbeeld op het punt dat hij op enig moment voorovergebogen over verdachte stond, terwijl verdachte in een stoel zat.

Over het, in de context van een gestelde verdediging op zichzelf opmerkelijke feit dat aangever in de rug is gestoken, heeft verdachte verklaard dat dit is gebeurd op het moment dat het slachtoffer over hem gebogen stond en verdachte in de stoel zat, door naar verdachte zelf gerichte steekbewegingen. Verdachte had zijn arm toen om de romp van aangever heen en maakte een ‘terugtrekkende’ steekbeweging.

Op grond van al de voorgaande omstandigheden, in samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gestelde feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bevond in een noodweersituatie. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gericht tegen verdachtes lijf, waartegen verdediging noodzakelijk was. Aangever heeft herhaaldelijk in het gezicht van verdachte geslagen waardoor – uiteindelijk – zijn twee voortanden verloren zijn gegaan. Verdachte kon zich op dat moment niet aan de situatie kon onttrekken. Verdachte zat in een stoel in de hoek van een kamer en kon niet wegkomen doordat aangever over hem heen stond gebogen en op hem insloeg. Verdachte mocht zich tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding verdedigingen en daarbij (gepast) geweld gebruiken.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel echter disproportioneel. Aangever heeft weliswaar zelf de confrontatie opgezocht, maar verdachte ging te ver op het moment dat hij aangever meermalen met het mes in zijn lichaam heeft gestoken in reactie op het slaan tegen zijn gezicht. Het door verdachte gebruikte geweld stond naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijke verhouding tot het voor hem te duchten gevaar, nu aangever verdachte ongewapend tegemoet trad. Hiermee heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging naar het oordeel van de rechtbank overgeschreden, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Noodweerexces

Nu is vastgesteld dat sprake is geweest van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of deze overschrijding het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de aanranding. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek was en in een shock raakte toen hij door aangever werd aangevallen. Aangever is in het verleden zwaar mishandeld en de aanval door aangever veroorzaakte bij hem flashbacks van die eerdere mishandeling. Verdachte voelde zich op het moment dat hij werd aangevallen dusdanig in het nauw gedreven en was zo bang dat hij opnieuw zwaar zou worden mishandeld, dat hij in paniek het mes dat hij bij zich droeg heeft gepakt om zichzelf te verdedigen. De rechtbank gaat uit van deze verklaring en is van oordeel dat in voldoende mate aannemelijk is geworden dat verdachte op het moment van, en hoofdzakelijk als gevolg van, de aanval dusdanig in paniek was dat van een hevige gemoedstoestand kan worden gesproken. De rechtbank wijst daarbij op de pro justitia rapportage van 20 april 2020 waarin naar voren komt dat verdachte onder behandeling heeft gestaan voor traumaklachten na een mishandeling in 2017. Deze eerdere mishandeling is ook de reden waarom verdachte een mes ter verdediging bij zich droeg. Hoewel verwijtbaar en strafbaar staat dit gegeven niet aan honorering van een beroep op noodweer(exces) in de weg. Verdachte heeft, door vijfmaal met een mes te steken in reactie op het slaan in zijn gezicht weliswaar aanzienlijk de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden, maar de rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een bij verdachte ontstane hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.

Het beroep van verdachte op noodweerexces slaagt. Als gevolg hiervan acht de rechtbank verdachte voor het bewezen geachte niet strafbaar. Verdachte zal dan ook voor deze op zichzelf disproportionele reactie worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 Ten aanzien van de benadeelde partij

Nu aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel is opgelegd, zal de benadeelde partij. [persoon] in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis. Dit bevel is apart geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.W. Pieters, voorzitter,

mrs. A.C.J. Klaver en J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2020.

[...]

[...]