Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4112

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
13/751502-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Roemenie executie EAB. Officier niet-ontvankelijk in de vordering. Rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat de komende maanden nadere informatie komt over de ontwikkelingen met betrekking tot aanpassing van het Roemeense gevangenissysteem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751502-20

RK nummer: 20/2910

Datum uitspraak: 6 augustus 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 april 2019 door Paşcani Court of Law (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende op het adres [adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek.
De (geschorste) opgeëiste persoon is met toestemming van de rechtbank niet verschenen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. N.C. Reehuis, advocaat te Amsterdam, is evenmin verschenen. De raadsvrouw heeft per e-mail van 4 augustus 2020 haar standpunt in deze overleveringszaak kenbaar gemaakt.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een criminal sentence no. 371 of 21.12.2018, maintained and remained final through the criminal decision no. 303 dated 12.04.2019 of Iaşi Court of Appeal.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 12 april 2019.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

In het EAB en de aanvullende informatie van 9 juli 2020 van de uitvaardigende justitiële autoriteit staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg die tot het vonnis heeft geleid.

Tevens volgt uit bovengenoemde aanvullende informatie van 9 juli 2020 dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingediend, maar dat hij niet aanwezig was bij de zitting in hoger beroep (2799/866/2018). Wel was een door de opgeëiste persoon gemachtigd raadsman aanwezig die namens hem het woord heeft gevoerd.

Gelet op het bovenstaande is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing.

5 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

6 Detentieomstandigheden

Standpunt van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Roemeense autoriteiten hebben geen informatie verstrekt waaruit volgt dat de detentieomstandigheden in Roemenië zijn verbeterd en waardoor het reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen.

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen (zie bijv. EHRM 24 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmiveş e.a./Roemenië), stelt de rechtbank vast dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Deze conclusie is inmiddels vaste rechtspraak van de rechtbank Amsterdam.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen informatie verstrekt over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in Roemenië zal worden gedetineerd.

De Roemeense autoriteiten zijn doende het gevangenissysteem aan te passen. Op dit moment is echter nog geen informatie beschikbaar die het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon uitsluit.

Voorts geeft het standpunt van de officier van justitie de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat de komende maanden nog nadere informatie over of ontwikkelingen met betrekking tot de aanpassing van het Roemeense gevangenissysteem te verwachten zijn, waarmee het reële gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.

In deze situatie past het niet de zaak aan te houden teneinde verdere vragen te stellen dan wel ontwikkelingen af te wachten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de overleveringsprocedure dient te worden beëindigd.

Onder verwijzing naar de overwegingen onder 5.3.3 en 5.4.3 van de uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414), leidt dit ertoe dat de officier van justitie
niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

7 Beslissing


VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 OLW van 16 juni 2020.
STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.


Aldus gedaan door

mr. Ch.A van Dijk, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 6 augustus 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.