Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4094

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
13/751551-20, RK 20/3516
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Duits vervolging EAB. Feitsomschrijving genoegzaam. Terugkeergarantie. Beroep weigeringsgrond artikel 13 eerste lid verworpen. Verdenking ziet op verspreiden rechts-extremistische overtuigingen via Duitse webpagina. Ook in het geval de opgeëiste persoon vanuit Nederland aan de webpagina zou hebben gewerkt heeft de officier in redelijkheid gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751551-20

RK nummer: 20/3516

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juni 2020 door (een rechter bij) het Bundesgerichtshof Karlsruhe (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboortegegevens] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

gedetineerd in de [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon, aanwezig via een telehoorverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman,
mr. V.S.J. Chorus, advocaat te Maastricht en door een tolk in de Duitse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel voor voorlopige hechtenis uitgevaardigd op 24 juni 2020 door het Bundesgerichtshof Karlsruhe, dossiernummer 1 BGs 224/20 (Duitsland).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

Standpunt van de verdediging


De raadsman heeft betoogd dat de feitsomschrijving niet genoegzaam is, omdat ten aanzien van de criminele organisatie de pleegdatum en pleegplaats onvoldoende zijn afgebakend en de mogelijkheid bestaat dat zij worden uitgebreid. Tevens doet de feitsomschrijving vermoeden dat de verzochte overlevering ook betrekking heeft op feiten die meer recent zouden zijn gepleegd door de opgeëiste persoon. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Subsidiair heeft de raadsman aan de rechtbank verzocht om uitdrukkelijk in de uitspraak op te nemen dat overlevering alleen wordt toegestaan voor feiten gepleegd in augustus 2016 in Duitsland.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat met de omschrijving in het EAB
- mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van een strafrechtelijk onderzoek – voldoende duidelijk is waarvoor de overlevering wordt verzocht. Uit het EAB blijkt dat de overlevering wordt verzocht voor het zich als lid aansluiten bij een groep die een Duitse webpagina exploiteert en daarmee rechts-extremistische overtuigingen verspreidt, zich beledigend uitlaat over de Joodse gemeenschap en aanzet tot haat jegens de Joodse gemeenschap. Verder zou de opgeëiste persoon als administrateur verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke keuze en controle van door de gebruikers van deze webpagina geschreven commentaren en bijdragen. In het EAB staat onder e) dat het tijdstip/de periode van het misdrijf augustus 2016 betreft en de pleegplaats Duitsland is. De rechtbank acht de in het EAB opgenomen feitsomschrijving genoegzaam. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 17, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie;

en

racisme en vreemdelingenhaat.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, vijfde juncto eerste lid, OLW

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW met een Nederlander moet worden gelijkgesteld omdat hij als EU-burger een duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft opgebouwd.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

  1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

  3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.


Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:

  • -

    een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger wordt gelijkgesteld met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  • -

    een duurzaam verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond middels overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.


Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hij heeft meer dan vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleven. Nederland heeft bovendien, gelet op de artikelen 7 en 86b van het Wetboek van Strafrecht, rechtsmacht. Uit de brief van 4 augustus 2020 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat de opgeëiste persoon na een eventuele strafrechtelijke veroordeling zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.

Er is dus voldaan aan alle vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander.

Gelet op het vorenstaande kan de overlevering van de opgeëiste persoon daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur-generaal bij het federale hof van justitie te Karlsruhe (Duitsland) heeft bij brief van 3 augustus 2020 de volgende garantie gegeven:

Ik geef overeenkomstig artikel 25 van het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van
27 november 2008, in combinatie met artikel 5 lid 2 (eerder artikel 5 lid 3) van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002, de volgende toezegging betreffende het terugbrengen van de beschuldigde [opgeëiste persoon] .

Er wordt toegezegd dat de beschuldigde [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1983, in het geval van een definitief vonnis in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het kaderbesluit 2008/909/JBZ, waardoor een vrijheidsbenemende straf of maatregel beschikt wordt, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan binnen de Europese Unie voor de verdere tenuitvoerlegging naar Nederland teruggebracht wordt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

zich in het openbaar bij geschrift en bij afbeelding opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst en levensovertuiging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

in het openbaar bij geschrift en bij afbeelding aanzetten tot haat tegen mensen en gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun godsdienst en levensovertuiging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Aangevoerd is dat vanuit de opgeëiste persoon en de politiek de wens bestaat dat deze strafzaak in Nederland wordt afgedaan. Daarnaast worden deze feiten in Duitsland zwaarder bestraft dan in Nederland, waardoor de opgeëiste persoon bij veroordeling in Duitsland een hogere straf opgelegd zal krijgen dan wanneer hij voor dezelfde feiten in Nederland zou worden veroordeeld.


Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.


De officier van justitie heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd.
In deze zaak worden meer personen in Duitsland verdacht van het plegen van onderhavige feiten, de Duitse autoriteiten zijn begonnen met het opsporingsonderzoek en de vervolging, de desbetreffende webpagina eindigt op ‘.de’ en is daarmee Duits en het bewijs in deze zaak bevindt zich in Duitsland. Tot slot moet men bij feiten met een internationaal karakter er rekening mee houden dat andere landen kunnen gaan vervolgen en dat daar de straffen hoger zijn.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Zij stelt verder vast dat uit de feitsomschrijving volgt dat de verdenking ziet op het verspreiden van rechts-extremistische overtuigingen via een Duitse webpagina onder de dekmantel van een (Duitse) binnenlandse politieke partij. Ook in het geval de opgeëiste persoon vanuit zijn woonplaats in Nederland aan de webpagina zou hebben gewerkt, vindt de rechtbank gelet op het voorgaande - in samenhang met de door de officier van justitie aangevoerde argumenten bezien - dat zij in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140, 137c en 137d Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Bundesgerichtshof Karslruhe (Duitsland).

Aldus gedaan door

mr. Ch.A van Dijk, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.