Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4093

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
C/13/676663 / HA ZA 19-1308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ouderlijke boedelverdeling: nalatenschap moeder opeisbaar bij overlijden vader, vader gerechtigd nalatenschap te souperen. Vader na overlijden moeder in gemeenschap getrouwd. Dochter kan, als erfgenaam van moeder, op max helft van die gemeenschap verhalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0214
JERF Actueel 2020/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/676663 / HA ZA 19-1308

Vonnis van 19 augustus 2020

zaaknummer / rolnummer: C/13/676663 / HA ZA 19-1308

in de zaak van

[eiseres] ,

voor zichzelf en in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [overledene] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.M. Schotte te Doorn,

tegen

1 [gedaagde 1]

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

2. [gedaagde 2]

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de erven [betrokkene] , [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 februari 2020 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie met producties,

  • -

    de brief van de rechtbank van 19 december 2019 waarin een mondelinge behandeling in een verkorte procedure is gelast en

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 21 juli 2020 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] is dochter van mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder) en de heer
[overledene] (hierna: de vader).

2.2.

De moeder is overleden op 31 januari 2001. Ten tijde van haar overlijden was zij gehuwd met de vader.

2.3.

Bij testament van 30 december 1998 heeft de moeder laatstelijk beschikt over haar nalatenschap en heeft daarin de vader en [eiseres] benoemd tot erfgenamen, voor een gedeelte van 1/100e respectievelijk 99/100e (hierna: de nalatenschap [de moeder] ).

2.4.

Ook heeft de moeder op de voet van artikel 4:1167 van het (oud) Burgerlijk Wetboek (BW) een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling opgemaakt, waarbij aan de vader als langstlevende alle goederen en rechten van haar nalatenschap zijn toegedeeld en aan [eiseres] een vordering op hem wegens overbedeling. Ter voldoening van de op haar jegens haar echtgenoot rustende verzorgingsplicht, heeft de moeder bij testament bepaald dat deze vordering eerst opeisbaar zou zijn bij overlijden van de vader. Over de hoofdsom is rente verschuldigd vanaf de dag van het overlijden van de moeder tot algehele voldoening daarvan.

2.5.

De moeder heeft bij testament ook bepaald dat al hetgeen door de erfgenamen op grond van haar testament zal worden verkregen, waaronder begrepen de vruchten ervan, niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen noch in enig verrekeningsbeding of deelgenootschap (hierna: de schulduitsluitingsclausule). Bij het testament is de vader tot executeur benoemd.

2.6.

Verder is in het testament bepaald, voor zover relevant:

“(…) Indien mijn huwelijk met de heer [overledene] [de vader, de rechtbank], hierna te
noemen mijn “echtgenoot”, wordt ontbonden door mijn overlijden, beschik ik als volgt:

A. 1. a. Ik legateer aan mijn dochter [eiseres] , onder de last van na te melden
vruchtgebruik, mijn sieraden;

b. Ik legateer aan mijn genoemde echtgenoot het levenslang recht van
vruchtgebruik van bedoelde sieraden, waarbij ik hem vrijwel van de
verplichting deswege zekerheid te stellen. (…)”

2.7.

De vader heeft op 21 mei 2008 aan [eiseres] een geldlening verstrekt van
€ 25.000,00 tegen een rente van 5% per jaar (hierna: de lening). De lening is niet terugbetaald.

2.8.

De vader is op 20 november 2009 in derde echt gehuwd met mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) in algehele gemeenschap van goederen.

2.9.

Op 4 november 2017 is de vader (hierna ook: erflater) overleden. Hij heeft bij testament van 28 januari 2009 laatstelijk beschikt over zijn nalatenschap (hierna: de nalatenschap [overledene] ). In het testament heeft erflater [eiseres] en zijn drie andere afstammelingen uit zijn eerste huwelijk – mevrouw [erfgename 1] , de heer [erfgenaam 2] , mevrouw [erfgename 3] – tot erfgenamen benoemd, onder de last van de in het testament vermelde legaten.

2.10.

[eiseres] heeft de nalatenschap [overledene] beneficiair aanvaard, zodat de nalatenschap dient te worden vereffend. De andere erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.11.

Blijkens de verklaring van erfrecht van 22 december 2017 heeft [eiseres] volmacht gekregen om alle daden betreffende de nalatenschap [overledene] te verrichten.

2.12.

Door het overlijden van erflater werd de gemeenschap van goederen tussen hem en [betrokkene] (hierna: de gemeenschap) ontbonden.

2.13.

Erflater had met [betrokkene] twee gezamenlijke rekeningen (hierna: de bankrekeningen), ieder bestaande uit een betaalrekening en een toprekening, met rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] . Het saldo van de bankrekeningen ten tijde van het overlijden van erflater bedroeg € 18.937,30 respectievelijk € 17.532,81, aldus een totaalbedrag van € 36.470,11.

2.14.

Na het overlijden van erflater heeft [eiseres] de woning van erflater en [betrokkene] ontruimd en heeft zij de tot de gemeenschap behorende auto verkocht voor
€ 4.114,00, van welk bedrag zij de ontruimingskosten van de woning heeft betaald. De tot de gemeenschap behorende inboedel heeft [eiseres] weggegooid of weggegeven. [betrokkene] verbleef destijds in een revalidatiecentrum.

2.15.

Na het revalidatiecentrum heeft [betrokkene] haar intrek genomen in een verzorgingstehuis. Zij heeft bij de aanschaf van meubels gebruik gemaakt van de bankrekeningen.

2.16.

[betrokkene] is overleden op 27 januari 2019. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn haar enige erfgenamen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat de rechtbank:

I. voor recht verklaart dat de vorderingen op de ING-bank ter zake de bankrekeningen behoren tot het van enige gemeenschap van goederen uitgesloten vermogen van erflater, als zijnde het restant van het aan erflater als langstlevende (in vruchtgebruik) door de moeder nagelaten vermogen,

II. voor recht verklaart dat na verrekening van de waarde van de auto, de inboedel en de vorderingen op andere rechtspersonen met de schulden van de gemeenschap van goederen, de nalatenschap [overledene] geen schuld heeft aan de gemeenschap van goederen,

III. de hoogte van de vordering van [betrokkene] en/of de ontbonden gemeenschap van goederen op de nalatenschap [overledene] bepaalt op nihil,

IV. bepaalt dat het vermogen van erflater ten behoeve van zijn schuldeisers dient te worden vereffend,

V. de vordering van [eiseres] op de nalatenschap [overledene] erkent en de hoogte van haar vordering naar redelijkheid en billijkheid begroot op € 275.000,00,

VI. de hoogte van de schuld van [betrokkene] aan de nalatenschap [overledene] naar redelijkheid en billijkheid begroot op € 20.000,00,

VII. toestaat dat [eiseres] als vereffenaar de vereffening kan afwikkelen door al het beschikbare actief uit te keren aan [eiseres] , zijnde de enig schuldeiser, onder de verplichting voor [eiseres] dat zij aan later opgekomen en erkende schuldeisers zal voldoen naar rato van later ingediende en erkende vorderingen een deel van het aan haar uitgekeerde actief,

VIII. bepaalt dat het tekort van [eiseres] in de afwikkeling van de nalatenschap van de vader naar redelijkheid en billijkheid thans wordt begroot op € 200.000,00,

IX. de proceskosten tussen partijen compenseert.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het gedeelte waarop zij recht heeft uit hoofde van de nalatenschap [de moeder] in vruchtgebruik is afgegeven aan erflater en dat zij door het overlijden van erflater een opeisbare vordering heeft verkregen op de nalatenschap [overledene] uit hoofde van de nalatenschap [de moeder] . De saldi op de bankrekeningen ten tijde van het overlijden van erflater, zijnde een bedrag van € 36.470,11, dienen te worden aangemerkt als het restant van de nalatenschap [de moeder] , waardoor deze volledig aan haar toekomen. De gemeenschap van goederen die heeft bestaan tussen [betrokkene] en de vader doet daaraan niets af, aldus steeds [eiseres] . Op de nadere onderbouwing wordt in de beoordeling, voor zover relevant, ingegaan.

3.3.

De erven [betrokkene] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De erven [betrokkene] vorderen samengevat – bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording terzake de Swarovski-kristallen en afgifte van die stukken die zij in bezit heeft aan de erven [betrokkene] binnen tien dagen na betekening van dit vonnis,

II. te verklaren voor recht dat de vordering van [eiseres] uit hoofde van de nalatenschap [de moeder] niet in de huwelijksgemeenschap van erflater en [betrokkene] is gevallen,

III. de verdeling van de huwelijksgemeenschap van erflater en [betrokkene] op de voet van artikel 3:185 BW vast te stellen primair conform het door de erven [betrokkene] gedane betalingsvoorstel, subsidiair een andere verdeling vast te stellen,

IV. [eiseres] te veroordelen tot betaling van hetgeen zij uit hoofde van de verdeling schuldig is aan de erven [betrokkene] , waaronder begrepen een schadevergoeding,

V. [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan het wijzigen van de tenaamstelling, dan wel opheffing, van de bankrekeningen,

VI. [eiseres] te veroordelen in de proceskosten.

3.6.

De erven [betrokkene] stellen dat, nu erflater en [betrokkene] in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, de nalatenschap van die huwelijksgemeenschap bij helfte moet worden verdeeld. [eiseres] kan zich daardoor verhalen op slechts de helft van die huwelijksgemeenschap, de andere helft is voor de erven [betrokkene] . Daarnaast hebben de erven [betrokkene] een vordering op [eiseres] vanwege de waarde van de door [eiseres] verkochte auto, de door de vader aan [eiseres] verstrekte lening met verschuldigde rente en het leeghalen van de woning van het echtpaar [betrokkene] - [overledene] inclusief de verzameling Swarovksi-kristallen.

3.7.

[eiseres] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De vorderingen van [eiseres] komen in de kern erop neer dat zij stelt dat zij uit hoofde van de nalatenschap [de moeder] een vordering heeft op de nalatenschap [overledene] van
€ 275.000,00 en dat zij gerechtigd is tot de volledige saldi van de bankrekeningen van de gemeenschap [betrokkene] - [overledene] ten tijde van het overlijden van erflater, zijnde een totaalbedrag van € 36.470,11. [eiseres] stelt dat die saldi moeten worden aangemerkt als het restant van de nalatenschap [de moeder] en dat die saldi haar volledig toekomen, omdat wat de vader aan [eiseres] was verschuldigd was uitgesloten van iedere gemeenschap. Die saldi kunnen daarom niet behoren tot de gemeenschap van goederen tussen erflater en [betrokkene] (hierna: de gemeenschap van goederen), aldus [eiseres] . Voor zover deze saldi daartoe wel zijn gaan behoren, stelt [eiseres] dat op grond van de redelijkheid en billijkheid de gemeenschap van goederen niet bij helfte moet worden verdeeld. Als de schuld van de vader wordt aangemerkt als een positief bestanddeel van de gemeenschap van goederen, worden de erven [betrokkene] ongerechtvaardigd verrijkt. Om die reden komen de resterende banksaldi haar volledig toe, aldus [eiseres] . Voor het overige zien de vorderingen – kort samengevat – op de vereffening van de nalatenschap van de vader en hetgeen daarmee rekening dient te worden gehouden.

Saldi bankrekeningen

4.2.

De rechtbank zal als eerste oordelen over de aanspraak van [eiseres] op de volledige banksaldi ten tijde van het overlijden van de vader.

4.3.

Vaststaat dat [eiseres] , als erfgenaam van de moeder, een vordering heeft op de nalatenschap [overledene] uit hoofde van de overbedeling van erflater ingevolge de ouderlijke boedelverdeling (hierna: de schuld). [eiseres] gaat echter ten onrechte ervan uit dat de ouderlijke boedelverdeling meebrengt dat het door de moeder aan haar nagelaten vermogen in vruchtgebruik aan erflater is afgegeven. Slechts de sieraden zijn in vruchtgebruik gelegateerd (zie onder 2.6). Ter voldoening van de op de moeder jegens haar echtgenoot (erflater) rustende verzorgingsplicht heeft de moeder bij testament bepaald dat de aan [eiseres] toebedeelde vordering eerst opeisbaar zou zijn bij zijn overlijden. Daarmee is beoogd te bewerkstelligen dat [eiseres] haar erfdeel niet kon opeisen tijdens het leven van erflater, maar dat maakt niet dat sprake is (geweest) van vruchtgebruik.

4.4.

Een ouderlijke boedelverdeling houdt daarnaast in dat de vorderingsgerechtigde van een niet-opeisbare vordering (in casu [eiseres] ) na het overlijden van de langstlevende (in casu erflater) zich kan verhalen op slechts het resterende deel van de nalatenschap. Daarbij speelt krachtens het erfrecht de bijzonderheid dat de langstlevende de bevoegdheid heeft om het uit de nalatenschap verkregen vermogen te souperen. Dat heeft tot gevolg dat de vader niet was gehouden tot het administreren van het uit hoofde van de nalatenschap [de moeder] verkregen vermogen.

4.5.

In hoeverre [eiseres] de schuld kan verhalen op de saldi, hangt af van de vraag of de saldi in hun geheel moeten worden aangemerkt als het privévermogen van erflater – waardoor deze volledig toekomen aan [eiseres] – of dat deze vallen in de gemeenschap van goederen, zodat [eiseres] zich op ten hoogste de helft daarvan kan verhalen. [eiseres] beroept zich op de schulduitsluitingsclausule uit het testament van haar moeder en stelt dat als gevolg daarvan de banksaldi niet in de gemeenschap van goederen zijn gevallen. De erven [betrokkene] betwisten dat erflater bij aanvang van zijn huwelijk met [betrokkene] beschikte over een restant van de nalatenschap van de moeder. Voorts voeren zij primair tot hun verweer dat juist vanwege de uitsluitingsclausule uit het testament van [de moeder] de schuld van erflater aan [eiseres] buiten de gemeenschap van goederen is gevallen, subsidiair dat sprake is van verknochtheid van de schuld van erflater aan [eiseres] . Volgens hen moet worden uitgegaan van een verdeling van de saldi van 50/50 tussen hen en de erfgenamen van erflater.

4.6.

De erven [betrokkene] worden gevolgd in hun verweer. Erflater en [betrokkene] zijn in gemeenschap van goederen getrouwd en bij een gemeenschap van goederen behoort al het aanwezige vermogen van de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap, tenzij sprake is van een uitzondering. Van een dergelijke uitzondering is niet gebleken. De stelling van [eiseres] dat de banksaldi volledig afkomstig zijn van de nalatenschap van de moeder wordt verworpen. Zelfs als zou komen vast te staan dat erflater bij aanvang van zijn huwelijk met [betrokkene] beschikte over een restant van de nalatenschap [de moeder] , kan niet worden vastgesteld dat hij daarover nog steeds beschikte bij zijn overlijden. Zoals in het hiervoor overwogene onder rechtsoverweging 4.4 had erflater de bevoegdheid om de nalatenschap van de moeder te souperen, hetgeen ook geldt voor de periode dat hij was gehuwd met [betrokkene] . In dat kader hecht de rechtbank waarde aan het standpunt van [eiseres] waarin zij stelt dat het vermogen van erflater al negatief was vóór zijn huwelijk met [betrokkene] , en daarna alleen maar meer is afgenomen. Daarnaast hebben de erven [betrokkene] gemotiveerd betwist dat slechts erflater een positieve bijdrage heeft gehad aan de gemeenschap van goederen. Van het bestaan van een afgescheiden vermogen van erflater bij zijn overlijden, dat buiten de gemeenschap van goederen is gevallen, is dan ook niet gebleken. De saldi op de bankrekeningen zijn onderdeel van de huwelijksgemeenschap.

4.7.

Door de schulduitsluitingsclausule in het testament van de moeder staat vast dat de schuld van de vader aan [eiseres] buiten de gemeenschap van goederen is gebleven, hetgeen betekent dat [eiseres] voor die vordering zich niet kan verhalen op de gemeenschap van goederen. Een beroep op de redelijkheid en billijkheid jegens de erven [betrokkene] kan haar ook niet baten, alleen al omdat hetgeen zij hiervoor aanvoert de erven [betrokkene] niet aangaat.

4.8.

Gelet op het voorgaande dienen de banksaldi bij helfte te worden verdeeld tussen enerzijds de erven van erflater en anderzijds de erven [betrokkene] . De vordering van [eiseres] op dit punt wordt aldus afgewezen.

4.9.

Aan het door [eiseres] ter zitting gedane bewijsaanbod ter vaststelling van het privévermogen van erflater bij aanvang van zijn huwelijk met [betrokkene] wordt voorbijgegaan, omdat dat bewijsaanbod niet tot een ander oordeel leidt dan het hiervoor overwogene. Erflater heeft immers eventueel privévermogen, ook gedurende zijn huwelijk met [betrokkene] , mogen opsouperen.

Vereffening

4.10.

Het overwogene onder rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 brengt mee dat de rechtbank in deze procedure niet kan oordelen over de door [eiseres] gevorderde vereffening van het vermogen van erflater ten behoeve van zijn schuldeisers, omdat de schuld die [eiseres] heeft op de nalatenschap [overledene] niet de erven [betrokkene] betreft.

4.11.

Hetzelfde geldt voor de vordering om al het beschikbare actief aan [eiseres] uit te laten keren zodat de vereffening van de nalatenschap [overledene] kan worden voltooid, nu ook deze eis niet kan worden ingesteld jegens de erven [betrokkene] . [eiseres] is immers vereffenaar van de nalatenschap [overledene] en niet van de huwelijksgemeenschap.

Nalatenschap [de moeder]

4.12.

[eiseres] vordert dat de schuld op de nalatenschap [overledene] wordt begroot op
€ 275.000,00 en dat wordt vastgesteld dat het tekort in de afwikkeling van de nalatenschap van erflater € 200.000,00 bedraagt. [eiseres] heeft echter geen belang bij deze vorderingen, nu zij als schuldeiser van de nalatenschap [overledene] zich op ten hoogste de helft van de banksaldi groot € 36.470,11 kan verhalen. De (precieze) omvang van de vordering van [eiseres] op de nalatenschap [overledene] , evenals het tekort in de afwikkeling daarvan, kan dan ook in het midden blijven.

Schulden nalatenschap [overledene]

4.13.

[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat i) de nalatenschap [overledene] geen schuld heeft aan de gemeenschap van goederen en dat ii) de hoogte van de vordering van [betrokkene] en/of de ontbonden gemeenschap op de nalatenschap [overledene] nihil is. Daarmee is sprake van twee onbegrijpelijke eisen. Door het overlijden van erflater is de gemeenschap ontbonden en beslaat zijn nalatenschap de helft van die gemeenschap. De nalatenschap [overledene] kan daarom geen schuld hebben aan de gemeenschap van goederen, of andersom. Bovendien hebben de erven [betrokkene] geen vordering ingesteld tegen de nalatenschap [overledene] , zodat [eiseres] geen belang heeft bij de tweede eis.

Schuld [betrokkene]

4.14.

Ook vordert [eiseres] dat de hoogte van de schuld van [betrokkene] aan de nalatenschap [overledene] wordt begroot op € 20.000,00. Zij stelt daartoe dat [betrokkene] na het overlijden van erflater meer geld heeft onttrokken aan de bankrekeningen dan voor haar is binnengekomen door onder meer € 21.000,00 aan de herinrichting van haar woonverblijf te besteden. De erven [betrokkene] betwisten dat [betrokkene] voornoemd bedrag heeft uitgegeven aan de (her)inrichting van haar woning. Zij voeren daarnaast aan dat [betrokkene] wel genoodzaakt was nieuwe meubels te kopen doordat [eiseres] zonder toestemming de woning erflater- [betrokkene] had leeggehaald. Voorts voeren de erven [betrokkene] tot hun verweer dat [betrokkene] was gerechtigd gebruik te blijven maken van de bankrekeningen na het overlijden van erflater.

4.15.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van de erven [betrokkene] heeft [eiseres] (onvoldoende) gesteld en zo nodig bewezen dat [betrokkene] ten onrechte geld heeft onttrokken van de bankrekeningen na het overlijden van de vader. Daarnaast heeft [eiseres] onweersproken gelaten dat [betrokkene] bepaalde meubels opnieuw heeft moeten kopen omdat zij deze heeft weggedaan uit de woning erflater- [betrokkene] .

Concluderend

4.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

4.17.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de erven [betrokkene] worden begroot op:

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.383,00

in reconventie

Verdeling huwelijksgemeenschap

4.18.

De erven [betrokkene] vorderen – kort samengevat – dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen zij uit hoofde van de verdeling van de gemeenschap van goederen is verschuldigd, zijnde de helft van de banksaldi (€ 36.470,11), de helft van de opbrengst van de verkochte auto van erflater- [betrokkene] (€ 4.114,00), de door erflater aan [eiseres] verstrekte lening inclusief rente (€ 31.250,00) en een schadevergoeding groot
€ 2.487,31 als gevolg van het ten onrechte leeghalen van de woning erflater- [betrokkene] . Ook wordt gevorderd een verklaring voor recht dat de vordering van [eiseres] uit hoofde van de nalatenschap van de moeder niet in de gemeenschap van goederen is gevallen.

4.19.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals reeds vastgesteld valt de vordering van [eiseres] op de nalatenschap [overledene] uit hoofde van de nalatenschap [de moeder] niet onder de huwelijksgemeenschap erflater- [betrokkene] en dient die gemeenschap bij helfte te worden verdeeld tussen enerzijds de erven van erflater en anderzijds de erven [betrokkene] (zie rechtsoverweging 4.6 tot en met 4.8). Het voorgaande komt erop neer dat de erven [betrokkene] bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap aanspraak maken op de helft van de banksaldi en de helft van de verkoopopbrengst van de auto, zijnde een totaalbedrag van
€ 20.292,05. Ook de gevorderde schadevergoeding groot € 2.487,31 wordt toegewezen, nu is vastgesteld dat [betrokkene] door toedoen van [eiseres] schade heeft geleden (zie rechtsoverweging 4.15).

4.20.

De lening is door de vader in mei 2008 verstrekt aan [eiseres] – aldus vóór zijn huwelijk met [betrokkene] – zodat deze op grond van de uitsluitingsclausule in het testament van de moeder niet in de gemeenschap van goederen is gevallen. De erven [betrokkene] kunnen dan ook geen aanspraak maken op terugbetaling van de lening.

4.21.

De erven [betrokkene] hebben aldus op grond van artikel 3:185 BW een vordering op [eiseres] groot € 22.779,36.

Swarovski-kristallen

4.22.

De erven [betrokkene] vorderen voorts dat [eiseres] wordt veroordeeld tot afgifte van de Swarovski-kristallen. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] (een deel van) de Swarovski-kristallen van [betrokkene] in haar bezit heeft en dat [eiseres] deze dient af te geven aan de erven [betrokkene] , zodat de vordering die hiertoe strekt zal worden toegewezen als vermeld bij de beslissing. De dwangsom zal, als niet bestreden, eveneens worden toegewezen op de wijze als vermeld bij de beslissing.

Bankrekeningen

4.23.

Tegen de vordering om [eiseres] te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het wijzigen van de tenaamstelling, dan wel opheffing, van de bankrekeningen heeft [eiseres] geen verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen. De dwangsom zal, eveneens als niet bestreden, worden toegewezen op de wijze als vermeld bij de beslissing.

4.24.

De rechtbank zal de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad afwijzen voor zover de veroordelingen zijn gebaseerd op een verklaring voor recht.

4.25.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de erven [betrokkene] worden begroot op € 543,00 voor salaris advocaat (2,0 punten x tarief € 543,00 x 0,5 in verband met samenhang conventie).

in conventie en in reconventie

4.26.

De nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze zoals bij de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de erven [betrokkene] tot op heden begroot op € 1.383,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

veroordeelt [eiseres] tot het afleggen van rekening en verantwoording terzake de Swarovski-kristallen en afgifte van de stukken die zij in bezit heeft aan de erven [betrokkene] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00,

5.5.

veroordeelt [eiseres] tot het verlenen van haar medewerking aan het wijzigen van de tenaamstelling of opheffing van de bankrekeningen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00,

5.6.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de erven [betrokkene] tot op heden begroot op € 543,00,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

verklaart voor recht dat de vordering van [eiseres] uit hoofde van de nalatenschap [de moeder] niet in de huwelijksgemeenschap erflater- [betrokkene] is gevallen,

5.9.

verklaart voor recht dat de huwelijksgemeenschap erflater- [betrokkene] ingevolge artikel 3:185 BW dient te worden verdeeld zoals vermeld onder 5.10,

5.10.

veroordeelt [eiseres] tot betaling aan de erven [betrokkene] van een bedrag groot € 22.779,36,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

5.12.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt, bijgestaan door mr. R. Hafith, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.