Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4059

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
C/13/686522 / KG ZA 20-597
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG voorshands naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat een duurovereenkomst, die een opzegregeling bevat, toch wordt opgezegd. Dit rechtvaardigt een ordemaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/686522 / KG ZA 20-597 HH/MV

Vonnis in kort geding van 18 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PINKROCCADE LOCAL GOVERNMENT B.V.,

gevestigd te Den Bosch,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 23 juli 2020,

gedaagde in reconventie,

advocaat mr. J. Slager te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIFACE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.N.M. Visser te Amsterdam.

Partijen zullen hierna PRLG en Uniface worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 4 augustus 2020 heeft PRLG de dagvaarding en haar akte wijziging eis toegelicht. Uniface heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. PRLG heeft daartegen verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Uniface heeft tevens een conclusie van antwoord in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

aan de zijde van PRLG [betrokkene eiseres 1] , [betrokkene eiseres 2] en [betrokkene eiseres 3] met mr. Slager en haar kantoorgenoot mr. V. Cordemeijer;

aan de zijde van Uniface [betrokkene gedaagde 1] , [betrokkene gedaagde 2] en [betrokkene gedaagde 3] met mr. Visser en haar kantoorgenoot mr. J.J.A. Bokhorst.
Na verder debat is vonnis bepaald op 18 augustus 2020.

2 De feiten

2.1.

PRLG ontwikkelt en exploiteert softwareproducten en diensten ter ondersteuning van de bedrijfsvoering van lokale overheden bij het uitvoeren van hun wettelijke taken en bevoegdheden. De businessunit Samenlevingszaken (SAM) van PRLG ondersteunt gemeenten bij taken in het sociaal domein (jeugdzorg, onderwijs, werk, inkomen, zorg, welzijn en schuldhulpverlening).

2.2.

In 2011 heeft PRLG Planconsult overgenomen. In 2012 is Planconsult door fusie met PRLG als rechtspersoon verdwenen.

2.3.

Planconsult is in 2003 gestart met het ontwerp en de bouw van szwNET, thans genaamd CiVision. CiVision wordt nu door SAM geëxploiteerd. Door gebruik van CiVision zijn gemeenten in staat hun wettelijke taken in het sociaal domein uit te voeren. SAM levert CiVision aan gemeenten meestal op basis van een gunning na aanbesteding. Contracten die SAM met de gemeenten aangaat duren veelal vier tot tien jaar en worden vaak stilzwijgend verlengd. CiVision wordt momenteel door ongeveer 100 gemeenten gebruikt.

2.4.

Uniface exploiteert software die haar klanten op hun beurt kunnen gebruiken om eigen software te bouwen. De rechtsvoorganger van Uniface is Compuware B.V.

2.5.

Voor szwNet/CiVision werd/wordt door Planconsult/PRLG gebruik gemaakt van de software van Uniface/Compuware. Op 6 september 2004 is hiertoe tussen de rechtsvoorgangers van partijen een eerste overeenkomst gesloten, een zogenoemde Value Added Reseller overeenkomst (VAR-overeenkomst). Hierin is onder meer overeengekomen dat de vergoeding die Compuware ontving een bedrag per inwoner bedroeg, te weten 3 eurocent voor de eerste vijf gemeenten en 7 eurocent voor de daaropvolgende gemeenten. Planconsult ontving van de gemeenten een bedrag van 35 eurocent per inwoner.

2.6.

Op 3 juni 2013 is tussen (de rechtsvoorgangers van) partijen een tweede VAR-overeenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat deze overeenkomst de VAR-overeenkomst uit 2004 vervangt. In bijlage I bij de VAR-overeenkomst van 2013 is de vergoeding die PRLG verschuldigd was vastgesteld op 8,4 eurocent per inwoner per jaar. In artikel 13.1 van de VAR-overeenkomst is – kort gezegd – bepaald dat de overeenkomst is aangegaan voor drie jaar en daarna steeds automatisch wordt verlengd voor een periode van twaalf maanden. De overeenkomst kan worden opgezegd door ieder van partijen tegen het einde van een periode van twaalf maanden, met inachtneming van een schriftelijke opzeggingstermijn van zes maanden.
In artikel 13 lid 5 van de VAR-overeenkomst is opgenomen:
VAR (is PRLG, vzr.) dient Compuware binnen vijftien (15) dagen na beëindiging van deze Overeenkomst schriftelijk te bevestigen dat alle kopieën van de Uniface Software of gedeelten daarvan zijn vernietigd of aan Compuware retour zijn gezonden, behoudens zodanige kopieën als VAR nodig heeft om haar bestaande afnemers gedurende de nog resterende looptijd van hun overeenkomst onderhoud te kunnen bieden.
In artikel 12 (“ Bescherming van vertrouwelijke informatie”) is kort gezegd aan beide partijen een geheimhoudingsverplichting opgelegd.

2.7.

Op 23/26 maart 2015 hebben partijen een annex bij de VAR-overeenkomst (annex 2015) ondertekend. Hierin is – kort gezegd – overeengekomen dat over de jaren 2015 tot en met 2019 aan Uniface een vaste vergoeding wordt betaald van in totaal € 832.000,- en dat vanaf 2020 wederom het tarief van 8,4 eurocent per inwoner per jaar geldt.

2.8.

Bij e-mail van 7 november 2019 van Uniface is PRLG onder meer het volgende medegedeeld:
Zoals u weet eindigt per 31 december 2019 de tijdelijke tariefafspraak die we hebben gemaakt in de annex bij de VAR-overeenkomst van 23 maart 2015. Met ingang van 1 januari 2020 gelden, op basis van diezelfde annex, weer de tarieven die al in 2013 tussen Uniface en PinkRoccade zijn overeengekomen. Uniface meent dat die tarieven aan een herijking toe zijn, ten eerste omdat zij dateren van 6 jaar geleden en ten tweede omdat de te gebruiken Uniface Software is uitgebreid ten aanzien van de oorspronkelijke VAR-overeenkomst (…).
Uniface wil blijven werken met een tarief als vast bedrag per inwoner van de betreffende gemeente per jaar. Dat bedrag moet in een juiste verhouding staan tot het tarief dat PinkRoccade zelf hanteert. In de oorspronkelijke VAR-overeenkomst was die verhouding 1/5 (7 ct vs. 35 ct per inwoner). Uniface ziet aanleiding om voort te borduren op die afspraak, die partijen destijds in ieder geval redelijk vonden. Ten behoeve van het bepalen van het nieuwe tarief verneemt Uniface dan ook graag van PinkRoccade welk tarief per inwoner zij op dit moment hanteert, waar relevant gedifferentieerd per gemeente.
Middels deze e-mail verzoek ik u om uiterlijk 14 november aanstaande te bevestigen dat u deze informatie op korte termijn zal verstrekken. Hoewel onze VAR-overeenkomst al voorziet in een geheimhoudingsverplichting is Uniface bereid om ten aanzien van de gevraagde informatie een specifieke NDA te tekenen (…).

2.9.

Bij brief van 28 november 2019 heeft Uniface de VAR-overeenkomst opgezegd. In die brief staat onder meer het volgende:
(…)
PinkRoccade heeft tot op heden niet inhoudelijk gereageerd op het informatieverzoek van Uniface en ook niet toegezegd die informatie te zullen verstrekken. De reacties van PinkRoccade van 15, 22 en 25 november jl. geven Uniface niet de indruk dat PinkRoccade het verzoek van Uniface serieus neemt of bereid is om op korte termijn te praten over de gewenste herijking van het tarief.
Bij die stand van zaken ziet Uniface zich genoodzaakt om, ter bewaring van haar rechten, de Overeenkomst middels deze brief formeel op te zeggen conform artikel 13 lid 1 daarvan. Met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn eindigt de Overeenkomst na een opzegtermijn van 6 maanden per 3 juni 2020. Voor de volledigheid: deze opzegging ziet op zowel de Ontwikkelingslicentie als de Runtime-licenties en het daarmee samenhangende onderhoud.
Uniface hecht eraan te benadrukken dat deze opzegging onverlet laat dat Uniface graag met PinkRoccade in gesprek gaat over een voortzetting van de contractuele relatie tegen herijkte tarieven. (…)

2.10.

Bij brieven van 11 december 2019 en 8 januari 2020 heeft de raadsvrouw van PRLG aan Uniface bericht dat PRLG niet akkoord gaat met opzegging van de VAR-overeenkomst. Nadien is tussen (de raadslieden van) partijen gecorrespondeerd en overleg gepleegd over het treffen van een minnelijke (exit)regeling, maar zij zijn hierin niet geslaagd. Op 7 februari 2020 heeft Uniface de opzegtermijn met (bijna) zeven maanden verlengd, zodat de VAR-overeenkomst (volgens Uniface) eindigt op 1 januari 2021. Op 11 juni 2020 is een mediationtraject gestart dat op 22 juni 2020 is afgebroken.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

PRLG vordert in conventie – kort gezegd en na wijziging van eis – het volgende:
primair
1. Uniface te gebieden en te veroordelen de VAR-overeenkomst na te blijven komen, althans voor een periode van vier jaar, althans voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, in alle gevallen tegen betaling door PRLG van de tarieven die zijn overeengekomen in de annex 2015;
subsidiair (indien wordt geoordeeld dat de VAR-overeenkomst eindigt per 1 januari 2021)
2. Uniface te bevelen en te veroordelen (bij wijze van redelijke exit-regeling)
a. te gedogen dat PRLG de bestaande overeenkomsten tussen haar en de gemeenten ter zake van het gebruik en onderhoud van CiVision uitdient, en Uniface te bevelen daaraan haar benodigde medewerking te verlenen, waaronder het leveren van ondersteunende diensten en het zo nodig (blijven) verstrekken van nieuwe licenties en bijbehorende keys, tegen betaling van de in de annex 2015 overeengekomen tarieven; en
b. te gedogen dat PRLG nieuwe overeenkomsten aangaat met bestaande en nieuwe klanten voor het gebruik en onderhoud van CiVision, en Uniface te bevelen daaraan haar benodigde medewerking te verlenen, waaronder het (blijven) verstrekken van nieuwe licenties en bijbehorende keys, tegen betaling van de in de annex 2015 overeengekomen tarieven, welke verplichtingen gelden tot 1 januari 2025, althans tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum en Uniface te bevelen toe te staan dat de op die datum nog bestaande overeenkomsten worden uitgediend;

primair en subsidiair

3. Uniface te bevelen (tenminste totdat in een bodemprocedure vonnis is gewezen) zich te onthouden van iedere mededeling aan derden, waaronder (potentiële) klanten van PRLG, met de strekking dat het gebruik van CiVision en/of de Uniface software als onderdeel daarvan, (mogelijk) inbreuk maakt op de auteursrechten van Uniface of anderszins onrechtmatig is jegens Uniface en/of dat de gebruikers van CiVision mogelijk geen geldige Uniface licentie hebben;

primair en subsidiair

4. een en ander op straffe van een dwangsom van € 200.000,- voor iedere keer dat Uniface een van deze bevelen niet nakomt, verhoogd met € 2.000,- per dag dat de betreffende niet-nakoming voortduurt;
5. Uniface te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

Uniface vordert in reconventie – kort gezegd – het volgende:
1. (voorwaardelijk, voor het geval in conventie wordt geoordeeld dat Uniface na 31 december 2020 op enigerlei wijze gebonden blijft aan de VAR-overeenkomst of haar medewerking aan PRLG moet verlenen bij de exploitatie van de Uniface software)
(i) PRLG te gebieden tot nakoming van haar verplichtingen voor eenzelfde periode die geldt voor een aan Uniface op te leggen gebod en met toepassing van eenzelfde dwangsom, althans te bepalen dat het gebod voor Uniface slechts geldt voro zover PRLG haar verplichtingen uit de VAR-overeenkomst nakomt;
(ii) te bepalen dat dit voor maximaal één jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
(iii) PRLG te verbieden om CiVision vanaf 1 januari 2021 aan nieuwe klanten aan te bieden;
2. PRLG op straffe van dwangsommen te gebieden zich te houden aan de geheimhoudingsverplichting van artikel 12 van de VAR-overeenkomst;
3. PRLG te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.3.

PRLG heeft in conventie en reconventie – samengevat weergegeven – aangevoerd dat opzegging van de VAR-overeenkomst onrechtmatig is en in strijd met de redelijkheid en billijkheid. CiVision is gebouwd in en rond de Uniface software. PRLG heeft heel veel tijd en geld geïnvesteerd in CiVision (jaarlijks anderhalf tot twee miljoen euro) en ongeveer 100 gemeenten zijn hiervan afhankelijk. De gevolgen van de opzegging voor die gemeenten en voor PRLG zijn onevenredig groot. De gemeenten zullen niet langer in staat zijn om hun wettelijke taken uit te voeren, terwijl PRLG met veel van die gemeenten contracten heeft gesloten die doorlopen tot na 2020. Voor opzegging van de VAR-overeenkomst ontbreekt bovendien een zwaarwegende grond. Uniface wil hiermee enkel een hoger tarief afdwingen. PRLG heeft zich ook bereid verklaard (ca 57%) meer te gaan betalen, maar Uniface wil daarover het gesprek niet aangaan. Zij vraagt van PRLG een disproportionele hoeveelheid bedrijfsgeheime informatie, waar geen enkele bepaling in de overeenkomst PRLG daartoe verplicht. Uniface maakt hierbij misbruik van het feit dat PRLG technisch afhankelijk is van de Uniface software. PRLG is verder van mening dat Uniface onjuiste gevolgen verbindt aan opzegging van de overeenkomst. Uitleg van die overeenkomst brengt immers met zich mee dat bepaalde licenties eeuwigdurend zijn (ontwikkellicenties) of niet eindigen bij het einde van de overeenkomst (runtimelicenties). Ook heeft Uniface geen redelijke exit-regeling dan wel een redelijke opzegtermijn aangeboden. De bijzondere zorgplicht die Uniface als IT-leverancier heeft (zie artikel 7:401 BW, althans artikel 6:162 BW) brengt mee dat Uniface niet zonder meer een beroep mag doen op de opzegregeling in de VAR-overeenkomst.

3.4.

Uniface heeft in conventie en reconventie – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de door PRLG geschetste doemscenario’s zich niet zullen voordoen. Praktisch en technisch gezien zal er voor de gemeenten die gebruik maken van CiVision na 1 januari 2021 niets veranderen. De schermen gaan niet op zwart. Uniface is bereid een redelijke exit-regeling af te spreken, waar nodig door rechtstreeks licenties aan te bieden aan de klanten van PRLG. PRLG (dat onderdeel uitmaakt van een groot conglomeraat) zal zeker niet failliet gaan als gevolg van de opzegging. Uniface heeft de VAR-overeenkomst opgezegd omdat zij geen inzicht kreeg in de onderliggende verkoopcijfers van PRLG, wat op zich al te denken geeft. Uniface weet dus niet of er een gezonde balans is tussen de inkomsten van PRLG en het deel daarvan dat aan Uniface wordt afgedragen. Hierbij is van belang dat uit de media is gebleken dat PRLG eenzijdig forse prijsverhogingen heeft opgelegd aan de gemeenten. De opzegging van de VAR-overeenkomst is rechtsgeldig. Dit kan immers jaarlijks, zonder reden, mits een opzegtermijn van zes maanden in acht wordt genomen (zie artikel 13 lid 1). Deze bepaling is overeengekomen tussen twee professionele partijen die zich hebben laten bijstaan door adviseurs. Uniface heeft de opzegtermijn bovendien meer dan verdubbeld, tot 13 maanden. PRLG heeft zich niet voorbereid op het einde van VAR-overeenkomst; dat de contracten van de gemeenten met PRLG doorlopen na 2020 komt voor haar risico. Al met al rechtvaardigt de opzegging van de VAR-overeenkomst niet het treffen van een ordemaatregel. Een kort geding is niet bedoeld voor het kunnen afdwingen van een gewenst onderhandelingsresultaat. Mocht toch een ordemaatregel worden getroffen, dan dient de duur beperkt te worden tot de periode die PRLG nodig heeft om een vonnis in de bodemprocedure te verkrijgen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

Vanwege het dreigende einde van de VAR-overeenkomst per 1 januari 2021 heeft PRLG een spoedeisend belang bij haar vorderingen.

4.2.

In artikel 13 lid 1 van de VAR-overeenkomst is – kort gezegd – opgenomen dat de overeenkomst kan worden opgezegd, mits een schriftelijke opzeggingstermijn van zes maanden in acht wordt genomen. Uniface heeft de VAR-overeenkomst op 28 november 2019 opgezegd en heeft daarbij deze minimale opzeggingstermijn in acht genomen. PRLG heeft zich beroepen op de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1134) en 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:141). Hieruit volgt dat ook als een overeenkomst voorziet in een opzeggingsregeling, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval in de weg kunnen staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment, of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

4.3.

In dit kort geding is voorshands niet onaannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de door Uniface in dit geval gedane opzegging van de VAR-overeenkomst – na zestien jaar samenwerking – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Dit rechtvaardigt een in dit kort geding te nemen ordemaatregel die geldt totdat de bodemrechter uitspraak heeft gedaan. Hiertoe wordt overwogen dat Uniface de overeenkomst heeft opgezegd zonder daarvoor over een zwaarwegende grond te beschikken. Uniface heeft op zich – net als PRLG – de wens de overeenkomst voort te zetten. De opzegging is gedaan “ter bewaring van haar rechten” omdat tussen partijen een geschil ontstond over de hoogte van de te hanteren tarieven. De opzegging had dus louter tot doel PRLG over de brug te laten komen met een hogere vergoeding en hield geen verband met een (beweerde) gebrekkige uitvoering van de overeenkomst aan de zijde van PRLG.

4.4.

Dat partijen er niet in zijn geslaagd het geschil over de tarieven in onderling overleg op te lossen, is voorshands in overwegende mate te wijten aan Uniface. Zij wilde de tarieven herijken, ondanks dat zij in een eerder stadium met PRLG overeenstemming had bereikt over de tarieven vanaf 2020 (8,4 cent per inwoner per jaar). Uniface nam bij de door haar voorgestelde herijking de in 2004 gemaakte prijsafspraken tot uitgangspunt, waarbij zij een bedrag dat overeenkwam met 20% (7 ct vs 35 ct) van hetgeen de gemeenten aan PRLG betalen als uitgangspunt wil nemen. Die afspraken uit 2004 missen voorshands relevantie omdat de desbetreffende overeenkomst in 2013 is vervangen door een tweede VAR-overeenkomst èn omdat PRLG onweersproken heeft aangevoerd dat de situatie sinds 2004 aanmerkelijk is gewijzigd, in die zin dat CiVision in al die jaren is “doorontwikkeld” en dat de Uniface software een kleiner onderdeel is gaan uitmaken van hetgeen door PRLG aan de gemeenten wordt geleverd. Ook is voorshands door Uniface onvoldoende onderbouwd op welke grond zij recht meent te hebben op inzage in de prijsafspraken die PRLG met de gemeenten heeft gemaakt. De VAR-overeenkomst verplicht haar daar niet toe. Dit betreft bedrijfsgevoelige informatie waardoor het niet zonder meer onredelijk is van PRLG om hierin geen inzage te geven. Dat inmiddels al weer enkele jaren geleden (rond 2014-2015) in de media is verschenen dat de gemeenten zijn geconfronteerd met het doorvoeren door PRLG van forse prijsstijgingen, maakt dit niet anders. Temeer nu de annex 2015 in die tijd is afgesloten en voorshands niet onaannemelijk is dat dit gegeven bij de onderhandelingen over de annex 2015 is meegenomen. Tot slot heeft PRLG in de gesprekken met Uniface een (naar eigen zeggen) meer dan redelijk aanbod gedaan de tarieven te verhogen met bijna 60%. Op dit aanbod heeft Uniface niet inhoudelijk willen reageren omdat zij vasthield aan inzage in de prijsafspraken tussen PRLG en de gemeenten.

4.5.

De gevolgen van de opzegging zijn – anders dan Uniface meent – bijzonder ingrijpend. Uniface heeft – zoals PRLG heeft aangevoerd – ook een bijzondere zorgplicht jegens derden, in dit geval jegens ongeveer 100 gemeenten, die een groot maatschappelijk belang hebben om hun wettelijke taken op een correcte en efficiënte wijze uit te (kunnen blijven) voeren. Weliswaar heeft Uniface aangevoerd dat de schermen bij de gemeenten na 1 januari 2021 “niet op zwart springen”, maar dit geldt alleen bezien vanuit praktisch (technisch) oogpunt. Vanuit juridisch oogpunt zou dan immers de situatie (kunnen) ontstaan dat de gemeenten zonder licentie (dus illegaal) de Uniface software zouden gebruiken. Dat Uniface dit probleem vervolgens wel stelt op te kunnen lossen door de gemeenten (buiten PRLG om) een rechtstreekse gebruikslicentie (tegen door haar te bepalen tarieven) aan te bieden, is voorshands niet in overeenstemming met haar zorgvuldigheidsverplichting. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat dit – zoals door PRLG aangevoerd – strijd oplevert met het aanbestedingsrecht omdat de gemeenten een deel van de opdracht die is gegund aan PRLG tijdens de contractperiode niet mogen aanbesteden aan een andere contractspartij.

4.6.

De gevolgen van de opzegging van de VAR-overeenkomst zijn niet alleen bijzonder ingrijpend (met name jegens de 100 gemeenten) maar ook bijzonder onduidelijk en kunnen alleen in een bodemprocedure goed worden uitgezocht. Ook dit rechtvaardigt de hierna te nemen ordemaatregel. Partijen verschillen uitgebreid van mening over wat nog wel kan en wat niet meer mag na het einde van de overeenkomst. Dit betreft – bijvoorbeeld – de uitleg van artikel 13 lid 5 van de VAR-overeenkomst (zie 2.6). Niet duidelijk is of bepaalde licenties eeuwigdurend zijn en/of zonder meer eindigen bij het einde van de overeenkomst en waar de verschillende IE-rechten liggen. Dat (Uniface sinds jaar en dag weet dat) de contracten die PRLG na aanbesteding met de gemeenten sluit niet parallel lopen met de overeenkomst tussen PRLG en Uniface draagt bij aan deze onduidelijkheid. Dit maakt tevens dat in dit kort geding – dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten – niet kan worden beoordeeld of de door Uniface (verlengde) opzegtermijn van dertien maanden redelijk is en PRLG in staat stelt de nadelige gevolgen van de opzegging in voldoende mate te verzachten. Overigens is een substantieel gedeelte van die dertien maanden onbenut verstreken, omdat partijen het maar niet eens werden. Ook over een zogenoemde exit-regeling zijn partijen het niet eens kunnen worden, terwijl het treffen van een dergelijke regeling na zestien jaar van samenwerking in hoge mate in de rede ligt. Het komt er kort gezegd op neer dat partijen willens en wetens een situatie hebben gecreëerd waarin zij volledig van elkaar afhankelijk zijn, althans waarin het technisch/juridisch zeer ingewikkeld is om tot een ontvlechting te komen.

4.7.

Op grond van het bovenstaande zal – bij wijze van ordemaatregel – de primaire vordering onder 1 worden toegewezen. De ordemaatregel zal daarbij gelden voor de te verwachten duur van een (nog aanhangig te maken) bodemprocedure. Het is aan PRLG om een bodemprocedure te entameren die uiterlijk 31 december 2020 aanhangig gemaakt moet zijn. De ordemaatregel houdt in dat aan PRLG vooralsnog alle rechten toekomen uit de VAR-overeenkomst die haar nu ook toekomen, tegen de tarieven die vanaf 2020 zijn overeengekomen in de annex 2015. Dit is inclusief het recht om contracten te sluiten met nieuwe klanten, waarbij die contracten mogelijk doorlopen tot na het einde van de ordemaatregel. Immers partijen verschillen van mening of PRLG hiertoe gerechtigd is op grond van artikel 13.5 en het uitsluiten van dit recht bij wege van ordemaatregelen zou tot aanzienlijke gevolgen voor PRLG leiden, omdat zij geen nieuwe business meer zou kunnen genereren. Uiteraard staat het partijen vrij alsnog een ander (redelijk) tarief overeen te komen. Voorshands wordt de duur van de bodemprocedure in dit geschil geschat op een periode van tenminste anderhalf jaar. Omdat PRLG heeft aangevoerd dat het einde van de overeenkomst op de datum 1 januari moet vallen, nu de tarieven per kalenderjaar gelden, geldt de ordemaatregel tot 1 januari 2023. Dit geeft partijen, naast het voeren van een bodemprocedure, eveneens ruimschoots de gelegenheid in onderling overleg een oplossing te bereiken die leidt tot voortzetting van de VAR-overeenkomst, waarvoor zij beide de voorkeur hebben.

4.8.

De gevorderde dwangsom (vordering 4) zal worden beperkt als volgt.

4.9.

In dit kort geding is onvoldoende aanleiding om vordering 3 (het wapperverbod) toe te wijzen. Voorshands wordt voldoende aan de belangen van PRLG tegemoetgekomen door toewijzing van vordering 1. Die ordemaatregel impliceert dat Uniface derden (gemeenten) niet mag benaderen met de mededeling dat inbreuk op haar IE-rechten wordt gemaakt.

4.10.

Uniface zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PRLG worden begroot op:

- dagvaarding € 83,38

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 1.470,00

Totaal € 2.209,38

5 De beoordeling in reconventie

5.1.

In conventie is geoordeeld dat Uniface na 31 december 2020 op enigerlei wijze gebonden blijft aan de VAR-overeenkomst. Aan de voorwaarde voor het instellen van vordering 1 is dus voldaan.

5.2.

Voor toewijzing van onderdeel (i) van vordering 1 is geen aanleiding. PRLG heeft in conventie – kort gezegd – nakoming gevorderd van de VAR-overeenkomst door Uniface. Niet voor de hand ligt dat PRLG die overeenkomst dan zelf niet zou nakomen, terwijl ook niet gebleken is dat zij in gebreke is met de nakoming van enige verplichting. Onderdeel (ii) is evenmin toewijsbaar omdat in conventie reeds is bepaald dat de termijn geldt tot 1 januari 2023. Ook onderdeel (iii) is niet toewijsbaar omdat in conventie reeds is bepaald dat het PRLG vrijstaat tijdens de ordemaatregel contracten te sluiten met nieuwe klanten.

5.3.

Vordering 2 (PRLG op straffe van dwangsommen te gebieden zich te houden aan de geheimhoudingsverplichting van artikel 12 van de VAR-overeenkomst) zal ook niet worden toegewezen. Artikel 12 van de VAR-overeenkomst waarborgt die verplichting van PRLG voldoende. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een dwangsom rechtvaardigen.

5.4.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Uniface worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Gezien de samenhang met het geding in conventie worden die kosten begroot op nihil.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie:

6.1.

veroordeelt Uniface om de VAR-overeenkomst tot 1 januari 2023 na te blijven komen, tegen betaling door PRLG van de tarieven die voor de periode vanaf 2020 zijn overeengekomen in de annex van 2015 bij de VAR-overeenkomst, zulks onder de voorwaarde dat door PRLG uiterlijk 31 december 2020 een bodemprocedure aanhangig is gemaakt,

6.2.

veroordeelt Uniface om aan PRLG een dwangsom te betalen van € 2.000,- voor iedere dag dat zij niet aan de in 6.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 400.000,- is bereikt,

6.3.

veroordeelt Uniface in de kosten van dit geding, aan de zijde van PRLG tot op heden begroot op € 2.209,38,

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie:

6.6.

weigert de gevraagde voorzieningen,

6.7.

veroordeelt Uniface in de kosten van dit geding, aan de zijde van PRLG tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.1

1 type: MV coll: EB