Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4053

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
13/701000-20, 13/701681-17 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige man krijgt 5 maanden gevangenisstraf omdat hij tussen 10 maart en 16 april van dit jaar in Amsterdam 2 diefstallen pleegde uit auto’s en een poging daartoe ondernam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/701000-20, 13/701681-17 (TUL)

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1981,

wonende op het adres [adres] , thans gedetineerd te: [detentieadres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.R.A.R. Sitaldin naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd en na wijziging op de zitting – beschuldigd van:

  1. diefstal met braak, verbreking en/of inklimming uit een voertuig van [slachtoffer 1] op 16 april 2020 te Amsterdam, waarbij een JBL Box is weggenomen;

  2. diefstal met braak, verbreking en/of inklimming uit een voertuig van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] op 1 april 2020 te Amsterdam, waarbij een TomTom(houder) is weggenomen;

  3. poging tot diefstal met braak, verbreking en/of inklimming uit een voertuig van [slachtoffer 4] op 10 maart 2020 te Amsterdam;

  4. poging tot diefstal met braak, verbreking en/of inklimming uit een voertuig van [slachtoffer 5] op 25 maart 2020 te Amsterdam;

  5. poging tot diefstal met braak, verbreking en/of inklimming uit een voertuig van [slachtoffer 6] op 25 maart 2020 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van alle feiten bepleit. Verdachte is niet aanwezig geweest op de plaatsen waar de auto-inbraken hebben plaatsgevonden en is dus ook niet de persoon die te zien is op de camerabeelden en foto.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewezenverklaring van feiten 1 tot en met 3

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de inbraken in de auto’s van [slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 3] (feit 2) en [slachtoffer 4] (feit 3).

Feit 1: autokraak op 16 april 2020

De auto van [slachtoffer 1] stond op 16 april 2020 geparkeerd in de RAI garage in Amsterdam. Op die dag is haar JBL box uit de auto gestolen. Deze diefstal is vastgelegd door de camera’s van de garage. Op de (stills van de) camerabeelden is te zien dat een persoon op 16 april 2020 naar deze auto loopt, de ruit aan de passagierskant kapot slaat, met de arm in de auto gaat en een voorwerp wegneemt. Op een ander beeld is te zien dat dit voorwerp een JBL box is. De persoon op deze camerabeelden wordt door zes politieagenten herkend als verdachte. Gelet op de camerabeelden en de eigen waarneming van de rechtbank op de zitting, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan deze herkenningen. De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte de JBL box uit de auto van [slachtoffer 1] heeft gestolen.

Feit 2: autokraak op 1 april 2020

De auto van [slachtoffer 3] stond op 1 april 2020 op het Minervaplein geparkeerd. Op die dag is zijn TomTom navigatiesysteem met houder uit de auto gestolen. Een omwonende is getuige geweest van de diefstal. Zij heeft verklaard dat een man met een ruitentikker de autoruit kapot sloeg en enkele minuten later iets uit de auto pakt. De man van de getuige heeft een foto van deze man gemaakt. Verdachte wordt door een politieagent herkend op die foto. Gelet op de foto en de eigen waarneming van de rechtbank op de zitting, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan deze herkenning. De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte de TomTom en houder daarvan uit de auto van [slachtoffer 3] heeft gestolen.

De rechtbank ziet geen verband met de diefstal uit de auto van [slachtoffer 2] . Uit haar aangifte blijkt dat die auto geparkeerd stond op de Richard Wagnerstraat, een locatie die niet te zien is vanaf het Minervaplein.

Feit 3: poging autokraak op 10 maart 2020

De auto van [slachtoffer 4] stond op 10 maart 2020 geparkeerd in de Oosterdokgarage in Amsterdam. Op camerabeelden van de garage is te zien dat een persoon met een ruitentikker de autoruit kapot maakt, de passagiersdeur opent en het dashboardkastje onderzoekt. Twee politieagenten herkennen deze persoon als verdachte. Gelet op de camerabeelden en de eigen waarneming van de rechtbank op de zitting, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan deze herkenningen. Uit de aangifte van [slachtoffer 4] blijkt dat niets is weggenomen. De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal uit de auto van [slachtoffer 4] .

3.3.2.

Vrijspraak van feiten 4 en 5

De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte de inbraken in de auto’s van
[slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] op 25 maart 2020 heeft gepleegd. Het volgende is hiervoor van belang.

De rechtbank gaat er wel van uit dat verdachte op 25 maart 2020 in de parkeergarage is geweest waar genoemde auto’s stonden. De politieagent die de beelden van de parkeergarage heeft bekeken omschrijft dat hij een persoon de garage in ziet lopen die hij herkent als verdachte. Deze politieagent heeft eerder processen-verbaal van herkenning opgemaakt over verdachte (feiten 1 en 3) en de rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze herkenning.

Van de auto-inbraken zijn geen camerabeelden beschikbaar. Het vermoeden dat verdachte deze inbraken heeft gepleegd, is gebaseerd op zijn aanwezigheid op
25 maart 2020 in het gedeelte van de garage waar ook de voertuigen stonden waar een ruitje van is ingetikt, de bevinding dat niemand anders bij de voertuigen is geweest en de omstandigheid dat het inslaan van autoruiten een werkwijze is van verdachte bij eerdere autodiefstallen. De rechtbank vindt deze omstandigheden onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

De rechtbank stelt voorop dat zich geen stills van de camerabeelden in het dossier bevinden. De camerabeelden worden alleen beschreven in een proces-verbaal van bevindingen. Uit dit proces-verbaal kan niet worden opgemaakt of verdachte daadwerkelijk bij de voertuigen is geweest. Omschreven is dat verdachte kort uit beeld is en dat de medewerker van de garage heeft verteld dat in die hoek, waar verdachte uit beeld is, de voertuigen stonden waar is ingebroken. De rechtbank kan zich echter geen indruk vormen van deze plek en kan dus ook niet vaststellen dat verdachte bij de voertuigen is geweest. Verder wordt opgemerkt dat niemand anders bij de voertuigen is geweest, maar uit het proces-verbaal blijkt niet hoe tot die conclusie wordt gekomen. Daarbij is relevant dat in beide aangiftes staat dat de voertuigen van 6:30 uur tot 15:30 uur in de garage hebben gestaan en dat in het proces-verbaal staat dat verdachte om 14:52 uur de garage in is gegaan en om
15:11 uur de garage heeft verlaten. Het is niet duidelijk of de politie ook de beelden van de rest van de dag heeft bekeken. De rechtbank vindt de manier waarop in de voertuigen is ingebroken, door het inslaan van een ruit, onvoldoende onderscheidend om deze inbraken aan verdachte toe te rekenen. Dit is immers een veel voorkomende methode om in te breken in voertuigen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte

1.

op 16 april 2020 te Amsterdam een JBL box uit een voertuig (een Volkswagen met kenteken [kenteken] ) dat toebehoorde aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen box onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

op 1 april 2020 te Amsterdam een TomTom en TomTomhouder uit een voertuig (een Toyota met kenteken [kenteken] ) dat toebehoorde aan [slachtoffer 3] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen TomTom(houder) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3.

op 10 maart 2020 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen uit een voertuig, een Peugeot met kenteken [kenteken] , dat toebehoorde aan [slachtoffer 4] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar die Peugeot toe is gegaan, waarna hij, verdachte, met een ruitentikker de ruit aan de passagierskant van die Peugeot heeft ingetikt, die Peugeot van binnenuit heeft geopend en die Peugeot heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten 1 tot en met 5 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om – in het geval van een bewezenverklaring – geen gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke strafdeel langer is dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het is in het belang van verdachte en de maatschappij dat hij verder kan met de hulpverlening en zijn woning kan behouden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan rekening gehouden met de ernst van het feit en de persoon van verdachte en overweegt daartoe het volgende.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit auto’s en één poging daartoe. In alle gevallen is verdachte die voertuigen ingegaan door een autoruit in te slaan. Dergelijke inbraken zijn heel vervelend voor de eigenaar van de auto. Niet alleen worden zij het slachtoffer van diefstal, zij moeten ook nog (aanzienlijke) kosten maken om de autoruit te laten repareren. In het algemeen zorgen dit soort delicten verder voor een gevoel van onveiligheid, waardoor mensen geen spullen meer durven achter te laten in hun auto.

Persoon van verdachte

Verdachte is in het verleden veelvuldig veroordeeld voor auto-inbraken en loopt nog in een proeftijd van één van deze veroordelingen. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om weer dezelfde strafbare feiten te plegen.

Uit de rapporten van de reclassering komt naar voren dat verdachte al meer dan tien jaar verslaafd is aan heroïne. Verdachte pleegt vermogensdelicten om aan geld te komen voor drugs.

Op te leggen straf

De rechtbank zal bij de straftoemeting aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Als oriëntatiepunt voor diefstal uit een auto en veelvuldige recidive geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden per keer. Bij een poging wordt deze straf met een derde verminderd.

De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 5 maanden. De rechtbank legt een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij minder bewezen verklaart dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank volgt de verdediging niet in het verzoek om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Op het moment van deze uitspraak heeft verdachte iets meer dan
3 maanden (105 dagen) in voorlopige hechtenis gezeten. De rechtbank vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden te kort in vergelijking tot straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij is het zeer omvangrijke strafblad van verdachte van belang, de omstandigheid dat hij nog in een proeftijd loopt en zijn proceshouding in deze zaak. Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij de feiten, terwijl hij duidelijk in beeld is gebracht door de camera’s en getuige. Dit, in combinatie met de lopende proeftijd, maakt voor de rechtbank duidelijk dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en dat baart de rechtbank zorgen. Het is van groot belang dat de achterliggende problematiek van zijn strafbaar handelen, te weten zijn verslaving, wordt aangepakt. De rechtbank zal daarom aan het lopende toezicht de voorwaarde van ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname toevoegen aan de bijzondere voorwaarden. Dat komt hierna bij de beoordeling van de vordering tenuitvoerlegging aan bod.

8 De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

[slachtoffer 1] (feit 1)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 449,- (vierhonderdnegenenveertig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze schade bestaat uit de volgende schadeposten:

Reparatie autoruit € 150,-

JBL Xtreme speaker € 299,-

Totale materiële schade € 449,-

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is.

De verdediging heeft de vordering betwist en het volgende aangevoerd. Bij een WA-verzekering of hoger hoeft geen eigen risico te worden betaald. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het eigen risico hier wel is betaald. Verder bestrijdt de verdediging de opgegeven waarde van de JBL box. In de aangifte staat als waarde van die box namelijk € 164,- vermeld.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 250,-. In het algemeen geldt bij een verzekering een eigen risico. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de benadeelde partij een eigen risico heeft betaald en het opgegeven eigen risico van € 150,- komt de rechtbank daarbij niet onredelijk voor. De benadeelde partij heeft in de aangifte de JBL box een bedrag toegekend van € 164,-, terwijl in de vordering een bedrag van € 299,- wordt opgevoerd. Deze bedragen komen niet overeen en zijn niet onderbouwd met documenten. De rechtbank zal de waarde van de JBL box daarom begroten op € 100,-. De schade van € 250,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 16 april 2020.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verder zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8.2.

[slachtoffer 6] (feit 5)

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert € 130,- (honderddertig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze schade bestaat uit het verschuldigde eigen risico voor het vervangen van de autoruit.

Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 5, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk straf opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 17 augustus 2017, met parketnummer 13/701681-17, ingediend. In deze zaak is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 163 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering af te wijzen en aan het lopende toezicht de voorwaarde toe te voegen van een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname bij terugval in middelengebruik. Dit verzoek is gebaseerd op het rapport van de reclassering van 6 juli 2020. Daarin schrijft de reclassering dat verdachte baat heeft bij toezicht en behandeling, maar belemmerd wordt door zijn verslaving. Met voornoemde nieuwe voorwaarde kan beter worden gewerkt aan gedragsverandering en risicobeperking. De verdediging heeft geen bezwaar tegen de toevoeging van deze voorwaarde. De rechtbank ziet het nut hier ook van in en zal deze voorwaarde daarom toevoegen aan het lopende toezicht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feiten 1 en 2, telkens:

diefstal met braak, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van feit 3:

poging tot diefstal met braak, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op de voorlopige hechtenis met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 april 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 250,- (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (16 april 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [slachtoffer 6] (feit 5) niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte eider de eigen kosten dragen.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/701681-17 af.

De rechtbank wijzigt de bijzondere voorwaarden in de zaak met parketnummer 13/701681-17, zodat die op dit moment als volgt luiden:

Meldplicht

Veroordeelde moet zich melden bij Leger des Heils reclassering Weesperzijde 70 te Amsterdam en zich telkens weer melden zo vaak en zolang deze reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht; veroordeelde zal zich houden aan de aanwijzingen van genoemde reclasseringsinstelling zolang deze instelling dit noodzakelijk acht;

Behandelverplichting

Veroordeelde wordt verplicht om zijn behandeling via Mentrum Jellinek Outreachend Team of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te continueren, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

Locatiegebod en elektronisch toezicht

Veroordeelde wordt geboden om zich op nader te bepalen tijdstippen op de [adres] te bevinden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Het locatiegebod zal afgestemd worden op de dagbesteding in het hulpverleningstraject van veroordeelde. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal tot drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van
17 augustus 2017 ondersteund worden door middel van GPS;

Andere voorwaarde

Veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan urinecontrole, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)

Betrokkene laat zich behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij terugval in middelengebruik of overmatig middelengebruik ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven werken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. Breugem, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en Ch.A. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 augustus 2020.