Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4026

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
13/751471-20
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Belgische executie-EAB. Interneringsmaatregel. Staat overlevering toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751471-20

RK nummer: 20/2669

Datum uitspraak: 13 augustus 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 mei 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2020 door het Openbaar ministerie, Parket Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] (België)

laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:

[adres],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Akkaya, advocaat te Helmond.

Gelet op de maatregelen die de rechtbank wegens de uitbraak van het coronavirus heeft genomen, is de opgeëiste persoon via een videoverbinding gehoord vanuit de Penitentiaire Inrichting.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis met beslissing tot invrijheidstelling op proef van de Kamer voor Bescherming Maatschappij te Antwerpen (KBM) van 13 december 2018, en later aangepast bij vonnis van 13 februari 2020 en het vonnis van 27 mei 2020 van de KBM waarbij de invrijheidstelling op proef is herroepen. Referentie: B18/379, B20/0036 en B20/1080.

Eerder werd aan de opgeëiste persoon driemaal de interneringsmaatregel opgelegd:

- bij beschikking van de Raadkamer van Antwerpen op 8 mei 1998;

-door de correctionele rechtbank te Antwerpen op 15 september 1998; en

- op 4 september 2015 door de correctionele rechtbank Hasselt, later bevestigd door het Hof van Beroep op 25 februari 2016.

Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 juli 2020 blijkt dat voornoemde drie titels op tegenspraak zijn gewezen. De opgeëiste persoon is bij de behandelingen ter terechtzitting aanwezig geweest en is bijgestaan door zijn raadsman.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een interneringsmaatregel van onbepaalde termijn, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen en voornoemd arrest.

Deze vonnissen en dit arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW de feiten vallen op deze lijst onder nummer 4, te weten:

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Interneringsmaatregel voor onbepaalde duur

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW, dan wel dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere informatie te verkrijgen uit België over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd na overlevering.

De Rechtbank van eerste Aanleg Antwerpen heeft in haar vonnis tot herroeping van de invrijheidsstelling op proef van 27 mei 2020 bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in de afdeling tot bescherming van de Maatschappij van de inrichting te Merksplas of Turnhout. Dat zijn gevangenissen. Uit het vonnis blijkt bovendien dat de opgeëiste persoon niet langer welkom is in Vzw Basis en dat een alternatieve reclassering niet voor ligt. Er dreigt aldus een grote achteruitgang in (medische) behandeling en opvang. Door een plaatsing in de gevangenis van Merksplas of Turnhout worden grondrechten van de opgeëiste persoon geschonden.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft meerdere malen geoordeeld dat veroordeelden aan wie een interneringsmaatregel is opgelegd, niet de nodige zorg en begeleiding in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) krijgen, maar in een gewone gevangenis geplaatst worden en geen enkel uitzicht hebben op re-integratie in de samenleving. Zo blijkt ook uit het rapport van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) van 8 maart 2020. Het EHRM heeft in het pilot-judgement1 België opgedragen om deze problemen binnen twee jaar op te lossen. De opgeëiste persoon betwist uitdrukkelijk dat de problemen door de Belgische autoriteiten zijn opgelost.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat het verweer niet kan slagen. De officier van justitie heeft als eerste aangevoerd dat de door de raadsman aangehaalde zaken waarin het EHRM heeft geoordeeld dat geïnterneerden niet de juiste zorg en begeleiding in een FPC krijgen, in deze zaak niet van belang zijn, omdat de problematiek van de opgeëiste persoon niet vergt dat hij in een FPC wordt geplaatst.

Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 17 juli 2020 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in een psychiatrische annex van de gevangenis van Merksplas of Turnhout. De opgeëiste persoon zal, indien hij daarvoor open staat, worden behandeld. De opgeëiste persoon wordt enkel in een gevangenis geplaatst zodat een nieuw reclasseringsplan kan worden opgesteld. Volgens de officier van justitie blijkt niet van een met het artikel 4 van het Handvest strijdige situatie voor geïnterneerden. De officier van justitie heeft ter onderbouwing verwezen naar uitspraken van deze rechtbank van 2 juni 20202 en 10 juli 20203.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de uitspraken van het EHRM, waaronder the pilot-judgement van 6 september 2016 zag op geïnterneerden in een prison environment without suitable treatment for mental condition or any prospect of social reintegration. De door het EHRM aangekaarte problematiek ziet op zaken waar geïnterneerden niet (tijdig) geplaatst worden in een FPC. In de zaak van de opgeëiste persoon speelt dit niet, omdat de psychiatrische problematiek van de opgeëiste persoon geen opname in een FPC vereist. De opgeëiste persoon was immers ver gevorderd in het interneringstraject en was al op proef in vrijheid gesteld en woonde in een Beschut wonen instelling.

Uit het vonnis van de Rechtbank van eerste Aanleg Antwerpen van 27 mei 2020 en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 17 juli 2020 blijkt, dat de opgeëiste persoon na overlevering tijdelijk in een psychiatrische annex of op een afdeling tot bescherming van de Maatschappij van de inrichting te Merksplas of Turnhout zal verblijven, teneinde een reclasseringsplan op te stellen. Tijdens zijn periode in de detentie-instelling van Merksplas of Turnhout zal de opgeëiste persoon een behandeling worden aangeboden.

Voor personen aan wie de interneringsmaatregel is opgelegd bestaat in het algemeen geen reëel gevaar op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De verdediging heeft in dit kader, dan wel in het specifieke geval van de opgeëiste persoon, geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens4 naar voren gebracht die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij de detentie-instellingen Merksplas of Turnhout betreffen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er geen sprake is van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. De rechtbank is van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor overlevering.

6 Asielaanvraag

Standpunten ter zitting

De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden, om een beslissing op de asielaanvraag van de opgeëiste persoon in Nederland af te wachten. De Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) is volgens de opgeëiste persoon in staat om een betere en individuele beoordeling te geven over een eventuele schending van mensenrechten, ex artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in België.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een asielaanvraag de overlevering niet in de weg staat. Zij heeft ter onderbouwing verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2013.5

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon in Nederland asiel heeft aangevraagd levert geen grond tot weigering van de overlevering op (zie in deze zin artikel 9, eerste en tweede lid, Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), 26 juni 2013, L 180/60, en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2010, zaak C-306/09, ECLI:EU:C:2010:626 (I.B.), punt 43).

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen en 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Openbaar ministerie, Parket Antwerpen (België).

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en C.W.M. Giesen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 augustus 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 EHRM 6 september 2016, pilot-judgement W.D. vs. België

2 Rechtbank Amsterdam. 2 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2766

3 Rechtbank Amsterdam, 10 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3467

4 HvJ EU, 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198).

5 Rechtbank Amsterdam, 11 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6944