Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4009

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
8515134 EA VERZ 20-348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

32 dienstjaren en na een overname, met nieuw management, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Ontbinding niet op grond van wanprestatie, maar op door werkgever veroorzaakte g-grond. Transitievergoeding en billijke vergoeding verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1032
RAR 2020/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 8515134 EA VERZ 20-348

beschikking van: 20 augustus 2020

func.: 245

Beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap [verzoekster 1] B.V.

gevestigd te [verzoekster 2]

verzoekster

nader te noemen: [verzoekster 1]

gemachtigde: mr. E.W. Kingma

t e g e n

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verweerster

nader te noemen: [verweerster]

gemachtigde: DAS, mr. J. Boersma

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster 1] heeft op 14 mei 2020 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft op 9 juli 2020 een verweerschrift ingediend. Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van 3 augustus 2020. Voorafgaand hebben partijen nog nadere stukken ingediend. [verzoekster 1] is ter zitting verschenen bij de heer [naam] , en mr. D.F.W. Schalkwijk namens de gemachtigde. [verweerster] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten, deels aan de hand van een pleitnota, nader mondeling toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.


Na verder debat is beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Bij de beslissing op het verzoek wordt uitgegaan van de volgende relevante feiten en omstandigheden:

1.1.

[verzoekster 1] is een onderneming die voor opdrachtgevers met klanten op de particuliere en zakelijke markt, hoofdzakelijk telefonische interviews afneemt.

1.2.

[verweerster] , van origine Duitse, is geboren op [geboortedatum] 1959 en derhalve 60 jaar oud. Zij is op 19 september 1988 bij het callcenter van het marktonder-zoeksbureau [voormalig bedrijf] BV (verder [voormalig bedrijf] ) in dienst getreden in de functie van [functie] . Het salaris van [verweerster] bedraagt nu € 1.276,29 bruto per maand, inclusief vakantiegeld. [verweerster] heeft een dienstverband van minimaal 28 uur per week. Zij werkt vanuit huis.

1.3.

De werkzaamheden van [verweerster] bestaan er uit dat zij voor de opdracht gevende bedrijven telefonisch enquêtes van particulieren afneemt aan de hand van vragenlijsten. Die lijsten worden ook wel het script genoemd. Voor [voormalig bedrijf] heeft [verweerster] altijd uitstekend gewerkt.

1.4.

[verzoekster 1] heeft het onderdeel van [voormalig bedrijf] , waar [verweerster] werkt, in het najaar van 2019 overgenomen. Het management van [voormalig bedrijf] is tot begin januari 2020 aangebleven, daarna heeft [verzoekster 1] de leiding over genomen.

1.5.

[verzoekster 1] werkt met een script waarop de vragen staan opgenomen en de wijze waarop met de verkregen antwoorden moet worden omgegaan. Het is voor [verzoekster 1] - en de opdrachtgever - van groot belang dat de interviewer een goede indruk op de gebelde respondent maakt. [verzoekster 1] heeft haar werkwijze met de overgenomen medewerkers besproken. [verzoekster 1] hanteert een volledig in de Engelste taal gesteld introductieboek, waarin het onderdeel “Fraud” is opgenomen. Volgens het introductieboek, dat [verweerster] uitgereikt heeft gekregen, zou men fraude (kunnen) willen plegen om een hoger aantal contacten te hebben. De maatregelen kunnen volgens het introductieboek dan zijn: ‘official warning’, ‘suspension with or without pay ‘ of ‘instant dismissal’. Een interview wordt opgenomen voor, zoals de medewerkers de respondenten mee delen, “kwaliteitsdoeleinden”.

1.6.

Op 16 maart 2020 heeft [verzoekster 1] via [voormalig bedrijf] over een afgenomen interview van [verweerster] een klacht ontvangen. Het interview vond plaats in het kader van een klanttevredenheid onderzoek over de afhandeling van energie-storingen bij Enexis. De klacht betrof het feit dat [verweerster] bij een klant van Enexis een interview had afgenomen over een storing, terwijl de klant stelde geen storing te hebben ondervonden maar een nieuwe meter had gekregen. Volgens het script moet het interview dan beëindigd worden, hetgeen [verweerster] niet (direct) had gedaan.

1.7.

Op 17 maart 2020 heeft de kwaliteitscontroleur hierover met [verweerster] gesproken. Op 24 maart 2020 heeft [verzoekster 1] [verweerster] geschorst zonder behoud van loon. [verweerster] heeft daartegen bezwaar gemaakt; [verzoekster 1] heeft de schorsing gehandhaafd.

1.8.

[verzoekster 1] heeft vervolgens eerdere opnames van interviews met [verweerster] afgeluisterd. Volgens [verzoekster 1] volgde daar uit dat [verweerster] in januari 2020 in drie andere gevallen ook van het script was afgeweken. Zij stelt daarvan een rapport te hebben opgemaakt, dat niet is overgelegd. [verzoekster 1] heeft wel een audio-weergave en een beperkte transcriptie van de door haar bedoelde gesprekken in de procedure gebracht.

1.9.

[verweerster] en de gemachtigde zijn door [verzoekster 1] uitgenodigd om een reactie te geven op ‘het rapport’. Op 2 april 2020 heeft een gesprek tussen partijen plaats gevonden. Daarbij heeft [verweerster] gevraagd om het rapport, de opnames of een volledige transcriptie van de bedoelde gesprekken, die [verzoekster 1] aan haar verwijten ten grondslag heeft gelegd. Die heeft [verzoekster 1] [verweerster] niet verstrekt.

1.10.

Vervolgens heeft er op 6 april 2020 een telefonische conferentie plaats gevonden. [verweerster] heeft daarbij verklaard dat het script haar niet duidelijk was (geweest) en dat zij meende dat onder energie-storing ook het plaatsen van een nieuwe meter viel, waarover meerdere van de op haar lijst voorkomende respondenten hadden gebeld.

1.11.

Bij brief van 9 april 2020 heeft [verzoekster 1] [verweerster] bericht dat zij overwoog om ontslag op staande voet te geven maar zij ervoor koos om een ontbindingsverzoek in te dienen.

1.12.

Bij brief van 9 april 2020 heeft [voormalig bedrijf] [verzoekster 1] bericht dat het project Storingen Enexis in verband met een klacht over één van de interviewers werd onder gebracht bij een andere leverancier.

1.13.

[verweerster] heeft haar werkzaamheden voor [verzoekster 1] niet mogen hervatten. Na zeven weken en na interventie van de gemachtigde van [verweerster] heeft [verzoekster 1] alsnog loon doorbetaald.

1.14.

[verzoekster 1] heeft na indiening van het verzoekschrift, bij brief van 24 juli 2020 de bewuste opnames en transcripties in de procedure gebracht.

Verzoek

2. [verzoekster 1] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] met onmiddellijke ingang, zonder toekenning van enige vergoeding, op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.

3. Primair stelt [verzoekster 1] dat de wijze waarop [verweerster] haar werkzaamheden heeft verricht, een tekortkoming in de nakoming oplevert, welke een ontbinding op grond van artikel 7:686 BW rechtvaardigt. Voor zover dat niet het geval is, verzoekt [verzoekster 1] ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub 3 BW sub e (ernstig verwijtbaar handelen) of sub g (verstoorde arbeidsverhouding), waarbij geen rekening moet worden gehouden met de opzegtermijn en evenmin ruimte is voor een transitievergoeding.

4. [verzoekster 1] stelt daarbij dat [verweerster] fraude heeft gepleegd, zoals bedoeld in het introductie-handboek. [verweerster] heeft een interview afgenomen van een persoon die niet bekend was met een storing. Niettemin heeft [verweerster] het interview afgenomen, waarbij zij vragen heeft veranderd of onvolledig heeft gesteld en antwoorden heeft ingevuld, die niet overeen kwamen met het script. Dat is fraude zoals beschreven in het introductiehandboek. Het gevolg daarvan is geweest dat [voormalig bedrijf] , althans Enexis de opdracht voor dit project bij [verzoekster 1] heeft beëindigd.

5. Voorts stelt [verzoekster 1] dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dan wel dat de verhoudingen hierdoor duurzaam en onherstelbaar zijn verstoord. Van [verzoekster 1] kan niet langer verwacht worden dat zij een interviewer inzet, die bewust verkeerde personen interviewt, daarbij de vragen wijzigt en gewenste antwoorden invult. [verweerster] is verschillende malen gewezen op het feit dat zij zich aan het script dient te houden. [verweerster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door ondanks duidelijke instructies haar eigen gang te gaan en onbruikbare interviewresultaten op te leveren.

Verweer

6. [verweerster] verzet zich op de zitting niet (langer) tegen het einde van de arbeidsovereen-komst. Wel weerspreekt zij de verwijten van [verzoekster 1] en verzoekt dat haar de wettelijke transitievergoeding ad € 14.798,40 bruto wordt toegekend, naast een billijke vergoeding van € 75.760,29 bruto en de ontbinding op een termijn van 4 maanden uit te spreken. Voorts stelt [verweerster] als bijkomende vordering dat haar nog achterstallig salaris over maart 2020 toekomt van € 535,22 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

7. [verweerster] voert – samengevat – aan dat de in het verzoekschrift genoemde gronden voor het ontslag onvoldoende zijn om een ontbinding van haar arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen. Zij stelt dat de verwijten niet juist, onterecht of niet onderbouwd zijn.

8. [verweerster] voert allereerst inhoudelijk verweer tegen het door [verzoekster 1] genoemde verwijt omtrent de fraude. [verweerster] heeft altijd uitstekend gefunctioneerd en is nooit eerder aangesproken op haar werkwijze of dat zij zich niet zou houden aan het script. Ze is wel eens een woordje vergeten, maar dat is niet meer dan menselijk.

9. Het gesprek op 17 maart 2020 (over het interview van 16 maart 2020) overviel [verweerster] volledig. Zij was aan het bellen en de kwaliteitscontroleur, die wordt betaald om opmerkingen over de interviews te maken, onderbrak haar. Het was [verweerster] volstrekt onduidelijk waar hij op doelde. Er is een grijs gebied bij het begrip ‘storing’. Het script was op dit punt niet duidelijk en het bel-bestand van [verweerster] was kennelijk vervuild met respondenten die een meter-storing in plaats van een energie-storing hadden gehad.

10. Op 24 maart 2020 werd [verweerster] vervolgens gebeld door [verzoekster 1] en werd haar fraude verweten. Dat betwist [verweerster] met klem. [verweerster] heeft zich aan het script gehouden en voor zover zij dat niet heeft gedaan, kan dat niet als fraude worden gekwalificeerd, ondanks het introductieboek, dat [verweerster] nooit heeft geaccepteerd en volledig in het Engels is opgesteld, welke taal de Duitse [verweerster] minder goed machtig is. [verweerster] heeft steeds gevraagd om de opnames van de gesprekken waar [verzoekster 1] zich op baseerde, maar die heeft zij pas in deze procedure, vlak voor de zitting gekregen. De transcripten van de gesprekken kloppen niet helemaal; zo laat degene die ze uittikt woorden weg en verandert zij zinnen. Daaruit blijkt al dat het vaak lastig is zo’n gesprek te voeren.

11. Verder voert [verweerster] aan dat sinds de overname door [verzoekster 1] de interviewers veel sneller moeten werken en de tijd dat zij niet aan het bellen zijn, krijgen ze niet betaald. Vroeger mochten ze 20 minuten over een interview doen, nu nog maar 5 minuten. Daardoor moet [verweerster] veel sneller het script afwerken en ontstaan onjuistheden, maar dat is geen fraude. Er zijn veel collega’s van [verweerster] die dezelfde problemen met het script hebben, waarvan de namen al voor de procedure door [verweerster] aan [verzoekster 1] zijn verstrekt. Maar [verzoekster 1] heeft daar niet op willen doorgaan; zij was vast besloten [verweerster] uit het bedrijf te werken, net als de andere voormalig collega’s van [verweerster] bij [voormalig bedrijf] . [verweerster] vreest dat als het dienstverband gehandhaafd blijft, [verzoekster 1] wel weer iets anders gaat vinden om haar er uit te werken.

12. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zijdens [verweerster] , zodat zij op de transitievergoeding aanspraak kan maken. [verweerster] dient voorts schadeloos gesteld te worden voor het handelen van [verzoekster 1] middels een billijke vergoeding. [verweerster] is alleenstaande en kostwinner, de schorsing is diffamerend voor haar en zij verwacht voor haar pensioen - gelet op haar buitenlandse afkomst en haar leeftijd - geen andere baan meer te vinden. Het verwachte inkomensverlies berekent [verweerster] op € 75.760,29 bruto. Een billijke vergoeding van dit bedrag is op zijn plaats.

13. Tot slot vordert [verweerster] nabetaling van het onbetaald gelaten loon over de maand maart 2020, waarin zij was ingeroosterd voor 148 uur. Zij heeft slechts loon ontvangen voor 97,12 uur. Het gaat om een bedrag van € 535,22 bruto (50,88 uur x € 9,74 +8% vakantietoeslag).

14. [verzoekster 1] weerspreekt de hoogte van de zijdens [verweerster] gevraagde bedragen, maar erkent dat het loon over maart 2020 niet volledig is betaald. Dat zal alsnog nabetaald worden.

15. Het verweer van [verzoekster 1] op de gevraagde vergoedingen van [verweerster] zal verder bij de beoordeling daarvan aan de orde komen, net als de overige stellingen van partijen.


Beoordeling op het verzoek

16. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Het door [verzoekster 1] primair aangevoerde artikel 7:686 BW bevat geen zelfstandige grondslag voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar naar de kantonrechter begrijpt bedoelt [verzoekster 1] het verzoek te baseren op artikel 6:265 BW. Voor toewijzing van een verzoek tot ontbinding op grond van wanprestatie is vereist dat sprake is van een ernstige (in de zin van verwijtbare) vorm van wanprestatie die zodanige van aard is dat zij het ingrijpende gevolg van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, in beginsel met terugwerkende kracht tot de dag van de wanprestatie, kan rechtvaardigen. Bij dit uitgangspunt is deze ontbinding min of meer op een lijn te stellen met een beëindiging van de dienstbetrekking wegens een dringende reden. (HR 20 april 1990, NJ 1990, 702).

16. [verzoekster 1] heeft nagelaten te onderbouwen waar de ernstige wanprestatie, de tekort koming van niet geringe aard als bedoeld in artikel 6:265 BW, specifiek uit bestaat. Dat [verzoekster 1] niet tevreden is met de wijze waarop [verweerster] interviews afneemt, is daartoe onvoldoende. Het is niet de taak van de rechter om uit de aangedragen feiten een (eventuele) tekortkoming te destilleren. Dit alles los van de vraag of de procedure dan niet met een dagvaarding moet worden ingeleid. Het primaire verzoek zal in elk geval worden afgewezen.

16. De kantonrechter stelt - met betrekking tot het subsidiaire verzoek - voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [verzoekster 1] voert bij haar verzoek aan dat de redelijke grond gelegen is in artikel 7:669 lid 3, onderdelen e en g BW, te weten verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding, waardoor het in redelijkheid niet van haar te vergen is dat de arbeidsovereenkomst wordt voort gezet. [verweerster] heeft de juistheid van hetgeen door [verzoekster 1] naar voren is gebracht, gemotiveerd en inhoudelijk bestreden.

16. E-grond
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat [verweerster] verwijtbaar heeft gehandeld, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW. De door [verzoekster 1] aangedragen argumenten zijn daartoe niet zwaar genoeg en/of niet aan [verweerster] verwijtbaar. Het verloop van het interview van 16 maart 2020 is onvoldoende en de eerdere interviews van [verweerster] maken dit niet anders. De kantonrechter heeft de opname van de interviews afgeluisterd en hooguit kan worden geconstateerd dat een inderdaad soms wat gejaagde interviewer moeite heeft met de antwoorden van een respondent, die kennelijk de storingslijn van Enexis had gebeld, en deze in te passen in het script.

16. Het had naar het oordeel van de kantonrechter, zeker gelet op het veeljarig dienstverband van [verweerster] waarbinnen zij altijd goed had gefunctioneerd, én de zeer recente overname door [verzoekster 1] , op de weg van [verzoekster 1] gelegen om - toen zij het gesprek beluisterde - rustig met [verweerster] te spreken over de verwachtingen van Enexis en een oplossing aan te dragen. Om direct te streven naar een einde van de arbeidsovereen-komst gaat alle perken te buiten. Ook de schorsing wordt buitenproportioneel geoordeeld, zeker zonder behoud van loon. Dat [verzoekster 1] in het (Engelse) introductieboek aandacht besteedt aan ‘fraud’ maakt dit niet anders; de daar beschreven situaties doen zich hier niet voor. En daarbij heeft [verzoekster 1] niet uitgelegd waarom meteen naar de zwaarste sanctie, opgenomen in het introductieboek, is gegrepen. Niet duidelijk is waarom een minder zware sanctie niet zou hebben volstaan. Dat [verzoekster 1] iets ‘fraud’ vindt, maakt overigens niet dat de kantonrechter datzelfde oordeel heeft of moet hebben.

16. G-grond
Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De arbeidsovereenkomst zal derhalve worden ontbonden, op de door artikel 7:671b lid 9 BW voorgeschreven termijn. Met een opzegtermijn van vier maanden en tegen het einde van de maand wordt het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op 1 januari 2021.

16. Transitievergoeding, billijke vergoeding en loon
De verstoring van de arbeidsrelatie vindt zijn oorsprong in de opstelling van [verzoekster 1] rond het interview van 16 maart 2020. Daarvan kan [verweerster] geen verwijt worden gemaakt. Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen zijdens [verweerster] , komt haar de transitievergoeding toe. Uitgaande van einde per 1 januari 2021 en een maand-salaris van € 1.276,26 bruto, inclusief vakantietoeslag (op basis van de garantie-uren van 28 per week) heeft de kantonrechter de verschuldigde transitievergoeding berekend op € 13.735,28 bruto. Dit bedrag wordt toegewezen.

16. Billijke vergoeding
Geoordeeld wordt dat [verzoekster 1] is te kort geschoten in haar verplichtingen als werkgever door te snel aan te sturen op ontslag in plaats van [verweerster] te begeleiden en haar in de gelegenheid te stellen haar functioneren aan te passen, zo dat door [verzoekster 1] nodig werd geacht. De verhoudingen zijn daardoor na ruim dertig dienstjaren van [verweerster] verstoord geraakt en dit valt [verzoekster 1] ernstig te verwijten. Getuige de verklaringen die zijn overge-legd kon [verweerster] bogen op een onberispelijk dienstverband. Dat zij eerder in negatieve zin op haar functioneren is aangesproken blijkt immers nergens uit. Daarom zal [verweerster] een billijke vergoeding worden toegekend.

16. De kantonrechter neemt bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding de gezichts-punten van de uitspraken van de Hoge Raad in de afgelopen jaren (van ECLI:NL: HR:2017:1197 New Hairstyle tot ECLI:NL:HR:2020:955 Blue Circle) tot uitgangspunt.

16. Gelet op de eenzijdige werkervaring van [verweerster] , die meer dan 32 jaar hetzelfde werk heeft gedaan, haar leeftijd en haar moeilijke positie op de arbeidsmarkt, is gerede kans aanwezig dat [verweerster] tot haar pensionering geen werk meer vindt. [verweerster] zal derhalve langere tijd worden geconfronteerd met een inkomensachteruitgang, terwijl het einde van de arbeidsovereenkomst onnodig is geweest. [verweerster] heeft het gemis aan inkomen tot haar pensioenleeftijd becijferd op ruim € 75.000,- bruto, maar is daarbij van een te hoog maandsalaris uitgegaan. De kantonrechter heeft het bedrag aan gemist inkomen berekend op € 70.324,00 bruto, uitgaande van een maandsalaris van € 1.276,29 bruto en onder aftrek van de door [verweerster] te ontvangen sociale zekerheidsuitkeringen.

16. Nu [verweerster] een transitievergoeding wordt toegekend, terwijl anderzijds haar inkomens-achteruitgang volledig wordt gecompenseerd, maar van de billijke vergoeding ook een preventieve werking voor [verzoekster 1] dient uit te gaan, zal de transitievergoeding niet helemaal, maar voor driekwart met de billijke vergoeding worden verrekend. Aldus wordt de billijke vergoeding bepaald op een bedrag van (afgerond) € 60.000,00 bruto. [verzoekster 1] dient dit bedrag aan [verweerster] te voldoen.

16. Intrekkingsmogelijkheid
Op grond van artikel 7:686a BW wordt [verzoekster 1] een termijn gesteld waarbij zij de bevoegdheid heeft haar verzoekschrift in te trekken. De kantonrechter geeft [verzoekster 1] deze intrekkingsmogelijkheid tot 1 september 2020 en deelt mede dat intrekking kan geschieden middels een schriftelijke mededeling aan de griffie van de rechtbank, sector kanton, met gelijktijdige verzending van een afschrift aan [verweerster] .

16. Achterstallig loon
[verweerster] heeft als aanverwante vordering verzocht [verzoekster 1] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 535,22 bruto over de maand maart 2020, op basis van haar inroostering voor 148 uur. Dat [verweerster] voor maart stond ingeroosterd voor 148 uur, is door [verzoekster 1] niet gemotiveerd betwist. [verzoekster 1] heeft gesteld nabetalingen te hebben verricht, maar die waren ten tijde van de zitting nog niet door [verweerster] ontvangen. Toegewezen zal derhalve worden het gevorderde bedrag met de wettelijke verhoging van 25%, waarbij geldt dat indien [verzoekster 1] inmiddels nabetalingen heeft gedaan, deze uiteraard in mindering kunnen worden gebracht. De gevorderde wettelijke rente is op dezelfde voet toewijsbaar, voor zover verschuldigd.

16. Kostenveroordeling
De kantonrechter bepaalt tot slot dat [verzoekster 1] de kosten van de procedure aan de zijde van [verweerster] dient te dragen, welke kosten tot heden worden begroot op € 720,00 voor salaris van de gemachtigde, voor zover verschuldigd, inclusief BTW.

BESLISSING

De kantonrechter:

stelt [verzoekster 1] in de gelegenheid haar verzoek in te trekken door middel van een vóór 1 september 2020 op de griffie van de rechtbank Amsterdam, team kanton te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan (de gemachtigde van) [verweerster] ;

en voor het geval dat het verzoekschrift niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen tegen 1 januari 2021;

veroordeelt [verzoekster 1] tot betaling aan [verweerster] van de volgende bedragen:
- € 13.735,28 bruto aan transitievergoeding,
- € 60.000,00 bruto aan billijke vergoeding;

veroordeelt [verzoekster 1] tot betaling aan [verweerster] het bedrag van € 535,00 bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging van (maximaal) 25% en de wettelijke rente voor zover verschuldigd;

veroordeelt [verzoekster 1] in de kosten van de procedure, gevallen aan de zijde van [verweerster] en tot heden begroot op € 720,00 voor salaris gemachtigde, voor zover verschuldigd, inclusief BTW, waarbij geldt dat [verzoekster 1] dit bedrag ook verschuldigd is als zij het verzoek intrekt;

veroordeelt [verzoekster 1] tot betaling van een bedrag van € 60,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden en [verzoekster 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan deze beschikking heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing inclusief BTW;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de verzoeken voor het overige af.

Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter