Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:4007

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
C/13/683370 / HA ZA 20-466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot vrijwaring (artikel 210 Rv) toegewezen. Referte. Het bestaan van een mogelijke rechtsverhouding (onrechtmatige daad) voldoende toegelicht. De juistheid hiervan behoeft in het incident (nog) niet te worden aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/683370 / HA ZA 20-466

Vonnis in incident van 12 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. J.P. Sanchez Montoto te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. T. Esen te Zaandam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 april 2020, met producties,

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ex artikel 210 Rv, met een productie,

- een B8-formulier van de zijde van [eiser] , met producties,

- de conclusie van antwoord in incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil

2.1.

In de hoofdzaak (tussen [eiser] en [gedaagde] ) heeft [eiser] - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Op 30 oktober 2016 heeft [eiser] met [gedaagde] een overeenkomst van geldlening (hierna: de overeenkomst) gesloten, waarin [eiser] aan [gedaagde] ter leen heeft gegeven een totaalbedrag van € 450.000,00. [eiser] heeft dit bedrag in twee delen op een bankrekening in Turkije ten name van [gedaagde] gestort. Op 1 augustus 2017 heeft [eiser] een aanvullend bedrag van € 30.000,00 gestort op dezelfde bankrekening. Volgens de overeenkomst vindt aflossing van de lening plaats door [eiser] als mede-aandeelhouder van een door [gedaagde] op te richten restaurant te aanvaarden en 49,5% van de aandelen van dat restaurant aan [eiser] ter beschikking te stellen. Ondanks herhaalde aanmaningen heeft [gedaagde] de lening niet op de overeengekomen wijze afgelost. Dat is thans ook niet meer mogelijk, aangezien [gedaagde] sinds 29 september 2017 geen aandeelhouder meer is van het restaurant. [gedaagde] is derhalve nalatig geweest om na te komen en verkeert thans in verzuim. Daarom heeft [eiser] bij brief van 31 maart 2020 de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van € 450.000,00 en additionele schadevergoeding gevorderd. Aangezien [gedaagde] niet op deze sommatie heeft gereageerd, vordert [eiser] voor de rechter onder meer terugbetaling van het totaal geleende bedrag van € 480.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, en een aanvullende schadevergoeding (ontbindingsschade), nader op te maken bij staat, die het gevolg is van het niet leveren van de overeengekomen aandelen.

2.2.

[gedaagde] vordert dat hem wordt toegestaan de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), wonende te [woonplaats] , in vrijwaring op te roepen. Hij stelt in dat kader het volgende. De overeenkomst waar [eiser] zich op beroept, is niet tussen [eiser] en [gedaagde] gesloten, maar juist tussen [eiser] en [betrokkene 1] . De handtekening op de overeenkomst is niet van [gedaagde] afkomstig. [gedaagde] heeft wel zijn bankrekening in Turkije aan [betrokkene 1] en [eiser] ter beschikking gesteld om het geld op te storten, maar het bedrag is niet aan [gedaagde] ten goede gekomen. [gedaagde] had op instructie van [betrokkene 1] de vertrouweling/boezemvriend van [betrokkene 1] , de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), gemachtigd om het geldbedrag van de bankrekening in Turkije op te nemen. [betrokkene 2] heeft het geld in opdracht van [betrokkene 1] van de bankrekening opgenomen. [gedaagde] is slechts als stroman gebruikt door [eiser] en [betrokkene 1] . Als [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de gestelde geldlening, dan kan [gedaagde] deze vordering doorleggen aan [betrokkene 1] op grond van een jegens hem verrichte onrechtmatige daad, aldus steeds [gedaagde] .

2.3.

[eiser] voert verweer tegen de door [gedaagde] weergegeven feiten, maar stemt wel in met het oproepen in vrijwaring van [betrokkene 1] .

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring ex artikel 210 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in beginsel toewijsbaar, indien de gedaagde in de hoofdzaak (in casu [gedaagde] ) voldoende gemotiveerd en concreet stelt krachtens zijn rechtsverhouding tot die derde (in casu [betrokkene 1] ) het recht te hebben de nadelige gevolgen van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen. De ratio daarvan is dat de in vrijwaring opgeroepen partij aan gedaagde in de hoofdzaak moet betalen waartoe die gedaagde in de hoofdzaak mogelijkerwijs wordt veroordeeld.

3.2.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] moet stellen dat tussen hem en [betrokkene 1] een rechtsverhouding bestaat die voor [betrokkene 1] een verplichting tot vrijwaring meebrengt. Aan dit vereiste heeft [gedaagde] voldaan. [gedaagde] stelt immers dat [betrokkene 1] gehouden is om de geleende bedragen terug te betalen en uit dien hoofde ook aansprakelijk is voor de gestelde ontbindingsschade, aangezien [betrokkene 1] de door van [eiser] geleende bedragen via [gedaagde] aan zichzelf heeft toegeëigend en misbruik heeft gemaakt van [gedaagde] . In dit stadium heeft [gedaagde] voldoende toegelicht dat tussen hem en [betrokkene 1] sprake kan zijn van een rechtsverhouding. De vraag of deze rechtsverhouding vaststaat en daadwerkelijk grond vormt voor regres, hoeft thans nog niet daadwerkelijk vast te staan.

3.3.

Het voorgaande leidt ertoe dat de incidentele vordering wordt toegewezen.

3.4.

Daar het nog onzeker is of de vrijwaring effect zal hebben, zal de beslissing omtrent de kosten van dit incident worden aangehouden totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

staat toe dat [betrokkene 1] door [gedaagde] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 23 september 2020,

4.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

4.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 september 2020 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2020.