Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3916

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
13 augustus 2020
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op een vestiging van supermarkt Coop, samen met anderen gepleegd op 22 september 2019. Verdachte heeft de feitelijke overval gepleegd. De medeverdachte is met het idee van de overval gekomen, heeft informatie over de supermarkt vergaard bij een in deze supermarkt werkzame vriendin, heeft deze vriendin bij de overval ingeschakeld, heeft voor vervoer van verdachte naar de supermarkt gezorgd, heeft hem geïnstrueerd en heeft een flink deel van de buit ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-020496-20

Datum uitspraak: 13 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in de ‘ [naam PI] ’ te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S. Kurniawan-Ayre, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.M. Feenstra, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 22 september 2019 samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een overval op een filiaal van Supercoop op het Dijkgraafplein te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte gaat op zondag 22 september 2019, rond 09:06 uur via een openstaande achterdeur de Supercoop op het Dijkgraafplein te Amsterdam binnen. De winkel is op dat moment nog niet geopend. De winkelmedewerksters [naam 1] en [naam 2] zijn in de winkel aanwezig en brengen de winkel in gereedheid voor de opening. Ook [naam 3] is aanwezig. Zij is eveneens medewerkster van de betreffende Coop, maar is die dag niet ingeroosterd. Zij zegt naar de winkel te zijn gekomen omdat zij nog iets moet kopiëren.

Verdachte heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich. Hij loopt naar de broodafdeling waar [naam 2] bezig is en zegt tegen haar dat hij geld wil zien. Verdachte loopt met het wapen zichtbaar in zijn hand samen met [naam 2] , die haar handen in de lucht heeft, naar het kassakantoor. In het kassakantoor zijn op dat moment [naam 1] en [naam 3] aanwezig. [naam 1] is bezig de kassalades uit de kluis te halen, [naam 3] is aan het kopiëren. Verdachte geeft een klap op de deur van het kassakantoor, waarop [naam 3] de deur opent en verdachte en [naam 2] het kassakantoor binnen gaan. Verdachte heeft een bivakmuts op, houdt het wapen op [naam 1] gericht en zegt dat hij al het geld wil hebben. [naam 1] haalt geld uit de al door haar geopende kassalades en gooit dit in de rugzak die verdachte bij zich heeft. Verdachte pakt zelf de resterende kassalades uit de kluis, die vervolgens door [naam 1] met een apparaat worden geopend. De inhoud gooit zij in de rugtas van verdachte. Ook verdachte stopt geld in de tas. Daarna beveelt verdachte dat [naam 1] ook een ander deel van de kluis moet openmaken maar zij zegt hem dat zij daar geen toegang toe heeft. Vervolgens zegt verdachte dat hij de mobiele telefoons van de aanwezige vrouwen wil hebben. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] geven daarop hun telefoons aan verdachte. Verdachte vernielt vervolgens (de bedrading van) enkele vaste telefoons in het kassakantoor en een ander kantoortje in de winkel. Na smeken van [naam 2] geeft verdachte uiteindelijk haar telefoon terug. Verdachte verlaat vervolgens rond 09:11 uur de winkel door dezelfde deur als waar hij binnen is gekomen. Hij stapt in een auto met kenteken [kenteken] en rijdt met de buit weg. Blijkens de aangifte gaat het om een geldbedrag van € 6.700,- en zegelboekjes ter waarde van € 500,-. Ook heeft hij de telefoons van [naam 1] en [naam 3] bij zich.

3.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige onderzoeksbevindingen kan worden vastgesteld dat hij de overval in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte] en/of anderen, waaronder [naam 3] , heeft gepleegd.

3.3.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft bekend dat hij de overval heeft gepleegd. De raadsvrouw is van mening dat het feit, inclusief medeplegen, bewezen kan worden verklaard.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring afgelegd die er - kort gezegd - op neer komt dat de medeverdachte [medeverdachte] , die hij zijn dealer noemt, met het idee was gekomen voor de overval en dat verdachte daarmee had ingestemd. Dat was ongeveer twee weken voor de overval. [medeverdachte] was bevriend met een meisje dat in de Coop werkte. In de ochtend van 22 september 2019 werd verdachte thuis, in [woonplaats] , door [medeverdachte] en een andere jongen die hij niet kent, opgehaald in een Volkswagen Golf. Zij reden hem naar een andere auto die in Capelle aan den IJssel stond, een Citroën C1. Verdachte is in deze Citroën overgestapt. [medeverdachte] en de andere man zijn in de Volkswagen blijven zitten. Vervolgens zijn de drie mannen in de twee auto’s naar Amsterdam gereden, waar ze in de buurt van de Coop hebben geparkeerd. Verdachte is bij de andere mannen in de Volkswagen ingestapt. Ook het meisje uit de winkel stapte in de auto. Zij vertelde hoe verdachte naar de supermarkt moest lopen en ze vertelde waar het geld in de winkel lag. Verdachte is daarna teruggelopen naar de Citroën, het meisje ging de winkel binnen. Verdachte had een nepwapen bij zich in de auto. Op een gegeven moment kreeg hij een app-bericht dat hij naar de winkel kon gaan. Afgesproken was dat het meisje de buitendeur op een kier zou laten staan. Verdachte is met het nepwapen door de openstaande deur naar binnen gegaan en heeft vervolgens de overval gepleegd.

Na de overval heeft verdachte eerst de auto teruggebracht naar Capelle aan den IJssel, waarna hij samen met [medeverdachte] en de andere man is meegereden naar zijn eigen huis in [woonplaats] . Binnen in de woning hebben [medeverdachte] en de andere man het geld geteld en verdeeld tussen hun vieren. Verdachte heeft € 800,- ontvangen en zegelboekjes ter waarde van € 500,-. € 1.000,- was bestemd voor het meisje. De derde - onbekend gebleven - man kreeg ook € 800,-, aldus verdachte.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte met betrekking tot de rol van [medeverdachte] en [naam 3] niet op zichzelf staat. Ook uit andere bewijsmiddelen blijkt van hun betrokkenheid bij de overval. Daarbij kan worden vastgesteld dat in ieder geval [medeverdachte] een aanzienlijke rol heeft gehad in de organisatie, de begeleiding, de facilitering en de afwikkeling van de feitelijk door [verdachte] uitgevoerde overval. [naam 3] heeft informatie over de supermarkt verstrekt, heeft de overvaller toegang tot de winkel en het kassakantoor verschaft en heeft gedeeld in de buit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de overval tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

Verdachte heeft verklaard dat het wapen dat hij bij de overval heeft gebruikt nep was en dat hij dit nepwapen van [medeverdachte] had gekregen. De verklaring van verdachte staat op dit punt op zichzelf en wordt bevestigd noch ontkracht door ander bewijs. Over de herkomst en aard van het wapen blijft veel onduidelijkheid bestaan. Voor de beoordeling van het tenlastegelegde is dit echter van ondergeschikt belang. De rechtbank acht bewezen dat verdachte bij de overval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gebruikt.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 22 september 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, in winkelbedrijf Supercoop (filiaal Dijkgraafplein 409) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en spaarzegelboekjes en mobiele telefoons, toebehorende aan winkelbedrijf Coop of [naam 2] en [naam 1] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam 2] en [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, opzettelijk dreigend (gemaskerd),

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op voornoemde [naam 2] en [naam 1] heeft gericht en gericht gehouden en getoond en voorgehouden en

- heeft gezegd: “Ik wil geld zien” en “Je mag niet de knop indrukken” en “Ik wil jullie telefoons hebben” en “Doe de andere kluis open”, in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- telefoons onklaar heeft gemaakt

en

op 22 september 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, in een winkelbedrijf Super Coop (filiaal Dijkgraafplein 409) met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam 2] en [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en spaarzegelboekjes en mobiele telefoons, die aan voornoemde [naam 2] of [naam 1] of winkelbedrijf Coop toebehoorden,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, opzettelijk dreigend, (gemaskerd)

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op voornoemde [naam 2] en [naam 1] heeft gericht en gericht gehouden en getoond en

- heeft gezegd: “Ik wil geld zien” en “Je mag niet de knop indrukken” en “Ik wil jullie telefoons hebben” en “Doe de andere kluis open”, in elk geval woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en

- telefoons onklaar heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de richtlijnen van het Openbaar Ministerie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De omstandigheid dat sprake is van medeplegen moet in deze zaak juist tot strafvermindering leiden. Verdachte heeft het vuile werk moeten doen en lijkt door de medeverdachte te zijn gebruikt. Verdachte heeft bovendien verantwoordelijkheid voor zijn gedrag genomen en in openheid over zijn aandeel in het gebeuren verklaard. Een gevangenisstraf met een zo groot mogelijk voorwaardelijk deel, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, echter zonder elektronisch toezicht, is passend.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt. Verdachte heeft de feitelijke overval gepleegd. Een kennis van hem is op het idee gekomen, heeft informatie over de supermarkt vergaard bij een in deze supermarkt werkzame vriendin, heeft deze vriendin bij de overval ingeschakeld, heeft voor vervoer van verdachte gezorgd en heeft verdachte geïnstrueerd. De buit is tussen verdachte en zijn mededaders verdeeld.

Bij de overval heeft verdachte de in de supermarkt aanwezige medewerksters met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van één van deze medewerksters blijkt wat een enorme impact dit soort feiten op slachtoffers hebben. Zij heeft gevreesd voor haar leven op het moment dat zij een van de kluizen niet open kreeg en de overvaller haar in de ogen keek. Ook maanden later slaapt zij nog steeds slecht en heeft zij nachtmerries en paniekaanvallen. Op haar werk kan ze niet meer goed functioneren. Verdachte is door zo te handelen op een gemakkelijke en laffe manier aan geld gekomen, waarbij hij de angst en het leed dat hij anderen daarmee aandeed voor lief heeft genomen. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig strafbaar feit, waarvoor een forse gevangenisstraf op zijn plaats is.

De oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) nemen voor een overval op een winkel, waarbij sprake is van bedreiging met geweld, een gevangenisstraf van twee jaar als uitgangspunt. Als strafverhogende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat de bedreiging heeft plaatsgevonden met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Voor de slachtoffers zal het in de regel niet kenbaar zijn of een wapen waarmee gedreigd wordt al dan niet echt is. De angst van de slachtoffers om door een kogel uit het wapen van de overvaller om het leven te komen zal bij een goed gelijkend nepwapen niet minder zijn, dan wanneer wordt gedreigd met een echt wapen.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte in het verleden transacties heeft gehad in verband met door hem gepleegde vermogensdelicten. Deze feiten zijn inmiddels van zo lang geleden dat de rechtbank deze niet ten nadele van verdachte zal meewegen.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte in een vroeg stadium openheid van zaken heeft gegeven over zijn aandeel in de overval. Verdachte komt bovendien oprecht over in zijn ter terechtzitting betuigde spijt en lijkt zijn leven te willen beteren.

Reclassering Nederland constateert bij verdachte in het over hem opgemaakte reclasseringsadvies van 28 april 2020 een inadequate probleemhantering en gebrekkige copingsvaardigheden. Middelengebruik en gokken zijn door verdachte als copingstrategie gebruikt. Hij sluit zijn ogen voor de financiële problemen die hij ondervindt. De reclassering omschrijft het beeld rondom betrokkene als zeer zorgelijk. Positief is dat verdachte open staat voor reclasseringscontact. De reclassering ziet een verband tussen voornoemde problemen en het huidige delict en acht hulpverlening geïndiceerd. Zolang verdachte niets aan zijn verslavingsgedrag en financiële problemen doet, is de kans op recidive aanwezig. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, drugsverbod, een locatieverbod en een locatiegebod met elektronisch toezicht en meewerken aan schuldhulpverlening.

Nu in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie een hogere straf als uitgangspunt wordt genomen dan in de LOVS-oriëntatiepunten, komt de rechtbank tot een lagere straf dan gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank ziet het belang van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Al met al acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden passend en geboden. De voorwaarden betreffende het locatieverbod en locatiegebod zal de rechtbank echter niet overnemen. De reden daarvoor is dat op dit moment nog onzeker is of het daarbij behorende elektronisch toezicht kan worden gerealiseerd, terwijl de rechtbank bovendien onvoldoende de meerwaarde van deze voorwaarden inziet.

7.4.

Ten aanzien van het beslag

Verbeurdverklaring

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

- rugtas, kleur: zwart, merk: Nike (item 5878491).

Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezengeachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

Onder verdachte is tevens het volgende voorwerp inbeslaggenomen:

- pas, ING (item 5878533).

De rechtbank zal bepalen dat dit voorwerp wordt bewaard voor de rechthebbende.

7.5.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij Coop Supermarkten B.V. vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Uit het verzoek tot schadevergoeding volgt dat dat bedrag is berekend door van het totaalbedrag aan materiële schade (€ 8.038,-) de door de verzekeraar vergoede schade (€ 7.038,-) af te trekken.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard omdat het totale bedrag aan materiële schade opgenomen in het verzoek tot schadevergoeding hoger is dan het schadebedrag genoemd in de aangifte (€ 6.700,-), terwijl uit de vordering niet blijkt op grond waarvan de benadeelde partij tot dit hogere bedrag is gekomen. De raadsvrouw heeft zich bij dit standpunt van de officier van justitie aangesloten.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. In de aangifte die namens Coop Supermarkten B.V. is gedaan, is opgenomen dat bij de overval op de supermarkt in totaal € 6.700,- is ontvreemd. In de vordering is echter vermeld dat een geldbedrag van € 8.038,60 aan contanten is weggenomen. Uit de vordering kan niet worden opgemaakt op basis waarvan de benadeelde partij tot dit hogere bedrag is gekomen. Inmiddels is door de verzekering een bedrag van € 7.038,60 aan de benadeelde partij uitgekeerd, aldus een hoger bedrag dan in de aangifte is genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert omdat de vordering, gelet op het voorgaande, onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b 14c, 33, 33a, 56, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Voortgezette handeling van:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Betrokkene moet zich binnen twee dagen na het einde van zijn detentie melden bij intake en screening Antes Reclassering op het adres Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam. Hierna moet betrokkene zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)

Betrokkene laat zich behandelen door GGZ-Antes reclassering of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De reclassering kan een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Drugsverbod

Betrokkene gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.

Meewerken aan schuldhulpverlening

Betrokkene werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan Antes Reclassering te Rotterdam de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Verklaart verbeurd:

- rugtas, kleur: zwart, merk: Nike (item 5878491).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- pas, ING (item 5878533).

Verklaart de benadeelde partij Coop Supermarkten B.V. niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2020.