Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3912

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
13/161618-19 (A) en 13/007216-20 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man krijgt 12 dagen gevangenisstraf en 20 uur voorwaardelijke taakstraf omdat hij in juli 2019 in een Amsterdamse forensische psychiatrische kliniek een man naar de grond trok en in zijn buik schopte en een paar dagen later een arrestantenverzorger in het gezicht stompte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/161618-19 (A) en 13/007216-20 (B)

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , feitelijk verblijvend op het adres [verblijfadres] , [verblijfplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juli 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Stolk-Hogeterp, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Zaak A:

1

hij op of omstreeks 4 juli 2019 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland,

[slachtoffer] heeft mishandeld door

- ( met kracht) de nek van deze [slachtoffer] te omsluiten met zijn arm, en/of (vervolgens)

- hem naar de grond te drukken/duwen, en/of (vervolgens)

- meermalen, althans eenmaal in zijn buik, althans tegen het lichaam te schoppen, terwijl deze

[slachtoffer] op de grond lag;

2

hij op of omstreeks 7 juli 2019 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland,

een ambtenaar, [naam ambtenaar 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening heeft mishandeld door in het gezicht, althans tegen het hoofd te slaan/stompen;

Zaak B:

hij op of omstreeks 8 juli 2019 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar,te weten [naam ambtenaar 2] , medewerker stafdienst BB&V in dienst van de Rechtbank Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn

tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde ambtenaar (meermaals) (in het gezicht) te spugen.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Zaak A, feit 1

Op 4 juli 2019 begaven verbalisanten zich naar de [naam kliniek] te [plaats] , waar verdachte en aangever [slachtoffer] op dat moment verbleven. Een medewerkster van de kliniek, [naam medewerkster] , deelde hen mee dat zij zojuist getuige was geweest van een vechtpartij. Zij verklaarde: “Ik zag zojuist dat er twee cliënten van mij met elkaar op de vuist gingen. Ik zag namelijk dat [verdachte] om de nek hing van [slachtoffer] . Ik ben er direct op af gerend. Ik heb geprobeerd om beide jongens uit elkaar te halen. Ik zag dat [slachtoffer] op de grond viel. [verdachte] is toen door blijven trappen in de buik van [slachtoffer] .” Aangever verklaarde ter plaatse onder meer het volgende: “Ik werd ineens uit het niets om mijn nek gegrepen door [verdachte] . (…) Toen hij om mijn nek hing, voelde ik pijn in mijn nek. Ik heb me daarom geprobeerd los te trekken. Ik heb [verdachte] ook geduwd hierna, waarna ik in mijn buik werd geschopt. Ook dat deed pijn.” De dienstdoende psycholoog [naam] verklaarde: “Ik heb [slachtoffer] zojuist nagekeken en heb daadwerkelijk een rode vlek in zijn buik geconstateerd. Ook als ik zijn buik aanraakte zag ik dat [slachtoffer] een pijnlijke reactie gaf.” 2

In de aangifte die aangever later op de dag op het politiebureau deed verklaarde hij: “Ik voelde opeens een arm om mijn nek. Ik voelde dat deze arm met kracht mijn nek omsloot en mij naar beneden wilde drukken. Ik voelde dat ik naar links op de grond viel. Ik zag dat [verdachte] een beetje naast mij op de grond viel. Ik probeerde met mijn beide armen [verdachte] van mij af te drukken. Dit lukte. Ik zag dat [verdachte] weer opstond terwijl ik nog op de grond lag. Ik zag dat [verdachte] weer op mij afkwam. Ik heb [verdachte] met mijn rechter voet van mij af geduwd. Dit lukte enigszins. Ik zag hierna dat [verdachte] wederom op mij afkwam. Ik heb hem voor de tweede keer met mijn rechter voet van mij afgeduwd. (…) Ik heb een hevige pijn ervaren in mijn nek omdat [verdachte] met kracht zijn rechter arm om mijn nek heeft gelegd. Ik voelde dat hij zijn arm probeerde te sluiten om mijn nek. Ik voelde ook een hevige pijn in mijn linker heup toen ik op de grond viel.”3

Op het politiebureau heeft getuige [naam medewerkster] – kort gezegd – de verklaring bevestigd die zij eerder direct na het incident had afgelegd.4

Verdachte heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij naar aangever is toegelopen , dat hij hem heeft beetgepakt en naar de grond heeft gedrukt.5

Zaak A, feit 2

Op 7 juli 2019 bevond verdachte zich in cellencomplex [naam cellencomplex] . [naam ambtenaar 1] was daar als arrestantenverzorger aan het werk en verklaarde in zijn aangifte, zakelijk weergegeven:

Op een gegeven moment opende ik het luikje in de celdeur van verdachte. Ik vroeg de verdachte: “Heb je nog afval?”. Toen hoorde ik dat [verdachte] zei: “Dat heb ik”. Vervolgens zag ik dat hij met zijn rechterhand een vuist maakte en deze door het openstaande deurluikje met kracht in de richting van mijn gezicht stootte. Ik zag zijn vuist in een flits voorbij komen maar kon niet genoeg uitwijken. Vervolgens voelde ik dat [verdachte] mij kennelijk opzettelijk met meer dan geringe kracht op mijn linker kaak raakte. Ik voelde onmiddellijk een pijnscheut door mijn kaak trekken.6

Een collega van aangever verklaarde dat zij gezien had dat er een vuist door het luikje kwam en richting het hoofd van aangever ging en zijn kaak raakte.7

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn hand door het luikje heeft gedaan.

Zaak B

Op 8 juli 2019 bevond verdachte zich in het cellencomplex van de rechtbank Amsterdam. [naam ambtenaar 2] was daar aan het werk als medewerker stafdienst BB&V en verklaarde in zijn aangifte, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat [verdachte] met zijn gezicht voor het luikje kwam staan. Ik zag dat [verdachte] alleen in mijn richting keek en geen aandacht gaf aan zijn advocaat die contact met hem probeerde te krijgen. Uit het niets spuugde [verdachte] richting mijn gezicht. Ik voelde dat het speeksel op mijn wangen en voorhoofd kwam. Ik voel me beledigd, vernederd, vies en aangeslagen. Vooral dat ik in het bijzijn van collega’s en de advocaat ben bespuugd.8

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat iemand het luikje opende en dat hij er doorheen heeft gespuugd.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat vaststaat dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde geen medicatie gebruikte en dat de stukken erop duiden dat de bij de voorgaande strafzaak in 2018 bij hem vastgestelde stoornis ten tijde van de tenlastegelegde feiten onverkort aanwezig was. Verdachte stond in die periode onder grote spanning omdat zijn oma op sterven lag en hij als enige van zijn gezin niet bij haar in Marokko was. Verdachte was daardoor in paniek en had angstaanvallen. Daarom kan geen sprake zijn van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, aldus de raadsvrouw.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Met haar verweer betoogt de raadsvrouw dat het opzet niet kan worden bewezen, omdat verdachte volgens haar volledig ontoerekeningsvatbaar is wegens het hebben van een ernstige geestelijke stoornis. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad9staat zo'n stoornis alleen aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen, ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal volgens deze rechtspraak slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

De rechtbank is, mede gelet op het ontbreken van onderzoek door deskundigen naar de geestelijke toestand van verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten, niet gebleken dat bedoelde uitzondering zich in dit geval voordoet. De rechtbank vindt het weliswaar aannemelijk dat de geestelijke stoornis bij verdachte nog aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde feiten, maar is niet van oordeel dat (hierdoor) ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen ontbrak. Verdachte heeft zelf immers verklaard dat aangever [slachtoffer] hem uitdaagde, dat hij naar aangever toe is gegaan en hem naar de grond heeft gedrukt. Ook heeft verdachte verklaard dat hij in het arrestantencomplex zijn hand door het celluikje heeft gestoken omdat hij het er niet mee eens was dat hij vast zat. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte zich – ondanks de aanwezigheid van zijn stoornis – wel bewust was van wat hij deed en ook in staat was zijn wil omtrent zijn handelen te bepalen, zodat hij wel degelijk opzet op de mishandelingen heeft gehad.

De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A:

1

op 4 juli 2019 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht de nek van deze [slachtoffer] te omsluiten met zijn arm, hem naar de grond te drukken en meermalen in zijn buik te schoppen, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag;

2

op 7 juli 2019 te Amsterdam, een ambtenaar, [naam ambtenaar 1] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door in het gezicht te stompen;

Zaak B:

op 8 juli 2019 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam ambtenaar 2] , medewerker stafdienst BB&V in dienst van de Rechtbank Amsterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden heeft beledigd, door voornoemde ambtenaar m n het gezicht te spugen.

5 De strafbaarheid van de feiten

Door de verdediging is met betrekking tot het in zaak A onder 1 ten laste gelegde een beroep gedaan op putatief noodweer. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte het gevoel had dat er sprake was van onmiddellijke wederrechtelijke aanval. Verdachte heeft verklaard dat de aangever hem de hele dag al aan het uitdagen en beledigen was en dat de aangever stond te masturberen.

De rechtbank overweegt dat de hierboven aangeduide omstandigheden, voor zover deze aannemelijk moeten worden geacht, niet een situatie opleveren waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat een noodzaak bestond om zich (fysiek) te verdedigen. Ook overigens heeft de raadsvrouw bij dit verweer niet toegelicht tegen welke (vermeende) aanval verdachte zich diende te verdedigen. Het verweer wordt verworpen.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Daartoe heeft zij aangevoerd dat aannemelijk is dat de psychische stoornis van verdachte bij de in deze zaak bewezen geachte feiten doorwerkte, maar dat niet is gebleken dat verdachte ten tijde van deze feiten in een zodanige psychotische toestand verkeerde dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Dit blijkt niet uit een deskundigenoordeel en verdachte verklaart zelf vrij rationeel over de feiten.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is, onder meer met verwijzing naar de dubbelrapportage die in juni 2018 is opgemaakt in het kader van een eerdere strafzaak tegen verdachte, ontslag van alle rechtsvervolging bepleit voor de feiten in zaak A. Verdachte is voor de zaak in 2018 volledig ontoerekeningsvatbaar geacht en bevond zich om die reden in de kliniek waar het eerste feit plaatvond. Daarnaast staat vast dat verdachte op dat moment geen medicatie innam en had hij last van angst- en paniekaanvallen. Er zijn dan ook voldoende aanwijzingen dat sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft naast de verklaringen van de aangevers, getuigen en verdachte zelf over de gepleegde feiten, kennisgenomen van het NIFP trajectconsult van 8 juli 2019, de reclasseringsadviezen van 4 september 2019, 13 november 2019, 29 januari 2020 en 9 juni 2020, het voortgangsverslag van 22 juli 2020 en van de stukken met betrekking tot de zorgmachtiging die op 19 maart 2020 en 22 juni 2020 bij de rechtbank zijn binnengekomen.

Psycholoog J.M. Oudejans, die het NIFP trajectconsult van 8 juli 2019 heeft opgemaakt, stelt dat er aanleiding is om te denken dat het tenlastegelegde nauw samenhangt met paranoïde-psychotische belevingen van verdachte en dat het hem mogelijk, net als in 2018, niet kan worden toegerekend. Uit het reclasseringsadvies van 4 september 2019 blijkt dat bij [naam kliniek] , waar verdachte verbleef, het vermoeden bestaat dat verdachte niet lijdt aan psychoses maar eerder aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en dat daarom de toediening van antipsychotica is afgebouwd. Uit het reclasseringsadvies van 13 november 2019 blijkt dat de antipsychotica weer wordt toegediend, maar dat er desondanks nog verontrustende signalen zijn met betrekking tot de psychotische kwetsbaarheid van verdachte. Uit de reclasseringsadviezen van 29 januari 2020 en 9 juni 2020 en het voortgangsverslag van 22 juli 2020 blijkt dat de situatie van verdachte is verbeterd maar dat hij kwetsbaar blijft voor psychose.

Blijkens de stukken met betrekking tot de zorgmachtiging na psychiatrisch onderzoek is vastgesteld dat verdachte lijdt aan een psychiatrische stoornis in de vorm van schizofrenie en een stoornis in cannabisgebruik (matig, ernstig, in remissie).

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemd onderzoek over voor wat betreft de vaststelling van de psychiatrische stoornis en maakt deze tot de hare. Uit de hierboven genoemde stukken blijkt dat de psychische gesteldheid van verdachte, welke sterk samenhangt met het al dan niet innemen van medicatie, een grote invloed heeft op het handelen van verdachte. Hoewel niet met zekerheid gesteld kan worden dat verdachte in de aanloop naar en ten tijde van de bewezenverklaarde feiten volledig psychotisch was, is wel duidelijk dat hij destijds geen medicatie innam en in enige mate psychotisch gedrag vertoonde. Het is daarom aannemelijk dat bij verdachte het besef van de wederrechtelijkheid van zijn gedrag deels ontbrak. Door zijn stoornissen was verdachte beperkt in de keuzevrijheid om zijn gedrag te bepalen. De rechtbank ziet in de stukken onvoldoende basis voor het oordeel dat de verdachte in beide zaken het ten laste gelegde in het geheel niet kan worden toegerekend. Gelet daarop acht de rechtbank verdachte, evenals de officier van justitie, verminderd toerekeningsvatbaar met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Dat betekent dat verdachte wel strafbaar is, zij het in verminderde mate.

7 Motivering van de straffen en maatregel

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijkheid tot verplichte korte klinische opname, middelencontrole en meewerken aan dagbesteding.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht geen langere straf op te leggen dan het voorarrest dat verdachte al heeft ondergaan en heeft meegedeeld dat verdachte zich niet verzet tegen oplegging van de voorgestelde bijzondere voorwaarden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht en dat aan hem in de zaak met rekestnummer 20-1535, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) voor de duur van zes maanden is verleend.

Verdachte heeft zich binnen het tijdsbestek van drie dagen schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Verdachte heeft een medebewoner van de kliniek waar hij verbleef naar de grond gedrukt en meermalen in zijn buik geschopt. Ook heeft hij in het politiecellencomplex een arrestantenverzorger in zijn gezicht gestompt. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze slachtoffers en hen pijn toegebracht. Daarnaast heeft hij een medewerker van de beveiliging van de rechtbank, die gewoon zijn werk deed, in zijn gezicht gespuugd. Dit is volstrekt onacceptabel en respectloos gedrag. Verdachte heeft hem in zijn eer en goede naam aangetast

Wat de persoon van verdachte en zijn persoonlijk omstandigheden betreft, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van 24 juni 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer wederspannigheid en mishandelingen. Uit het rapport van 9 juni 2020 en het voortgangsverslag van 22 juli 2020 blijkt dat de (medische) situatie van verdachte volgens reclassering stabiel is. Zij adviseren wel een aantal bijzondere voorwaarden om het risico te beperken dat het opnieuw misgaat met verdachte. Toezichthouder E.J.. de Leeuw van Reclassering Nederland en [naam 1] , zorgverantwoordelijke van verdachte bij Parnassia, hebben ter terechtzitting telefonisch toegelicht hoe het de laatste tijd met verdachte gaat. Verkort weergegeven, beamen zij beiden dat de situatie van verdachte nog steeds stabiel is, maar vinden het tegelijk van belang om – in aanvulling op een zorgmachtiging – nadere begeleiding en behandeling aan verdachte te kunnen bieden in de vorm van bijzondere voorwaarden. Zo zou verdachte ook op andere gebieden dan medicatie kunnen worden geholpen en wordt de kans dat het opnieuw met hem misgaat verder verkleind. De rechtbank ziet dit belang ook.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht, alles afwegende, een stok achter de deur noodzakelijk om ervoor te zorgen dat verdachte niet meer de fout zal ingaan. De rechtbank vindt dat een gevangenisstraf van 12 dagen, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uur met een proeftijd van 2 jaar en de door de officier van justitie genoemde bijzondere voorwaarden, recht doet aan de door verdachte gepleegde strafbare feiten.

8 Benadeelde partijen

8.1

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]

In het dossier bevindt zich een gedeelte van een schadevergoedingsformulier van de benadeelde partij [slachtoffer] . Uit het gedeelte van het formulier dat zich in het dossier bevindt, blijkt niet dat hij schadevergoeding heeft gevorderd en ook geen toelichting op de mogelijk geleden schade. De rechtbank kan de vordering daarom niet beoordelen en zal deze vordering om die reden niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.2.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam ambtenaar 2] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam ambtenaar 2] vordert € 325,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij [naam ambtenaar 2] door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, omdat hij hierdoor in zijn eer of goede naam is aangetast. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade..

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 150,00.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam ambtenaar 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat deze onvoldoende is onderbouwd en het bieden van gelegenheid om de vordering nader te onderbouwen een onevenredige vertraging van het strafproces zou meebrengen. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

1.

mishandeling

2.

mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

Zaak B

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 20 (twintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 (tien) dagen.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Veroordeelde moet zich melden bij Reclassering Nederland, Wibautstraat 12, te Amsterdam, na afspraak. Daarna blijft veroordeelde zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Veroordeelde laat zich behandelen door het FACT-team Parnassia of een soortgelijke zorgverlener. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen is een onderdeel van de behandeling. Bij bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De klinische opname duurt zo lang als dit nodig is.

Veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van (soft)drugs om het middelengebruik te beheersen.

Veroordeelde werkt mee aan het vinden van een adequate dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers-) werk en/of een opleiding.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam ambtenaar 2] toe tot een bedrag van € 150 (honderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam ambtenaar 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam ambtenaar 2] aan de Staat € 150,00 (honderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Dolfing, voorzitter,

mrs. H.E. Hoogendijk en R.P.F. de Groot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 augustus 2020.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2019, p. 06-07

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juli 2019, p. 03-04

4 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 juli 2019, p. 10-11

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 juli 2019, p. 12-16

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 juli 2019, p. A-B

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2019, p. C

8 Proces-verbaal van aangifte d.d. 11 juli 2019, p. 05-06

9 Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2775)