Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3903

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
8329210 EA VERZ 20-127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Integriteitsschendingen door (ex-)ambtenaar voldoende voor ontbinding op e-grond. De schendingen duiden op ernstige normvervaging. Transistievergoeding op grond van het 8e lid voor een kwart toegekend wegens lang dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 8329210 EA VERZ 20-127

beschikking van: 21 juli 2020

func.: 245/33494

Beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

het publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Amsterdam

gevestigd te Amsterdam

verzoekster

nader te noemen: de Gemeente

gemachtigde: mr. E. Wies

t e g e n

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verweerder

nader te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. D.C. Coppens

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De Gemeente heeft op 18 februari 2020 een verzoek ingediend, met producties, dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft op 22 juni 2020 een verweer-schrift met producties ingediend, met een voorwaardelijk (tegen-)verzoek tot toekenning van de transitievergoeding.

De mondelinge behandeling was gepland op 16 april 2020 maar is vanwege de maatregelen omtrent het Covid-19 virus uitgesteld. Het verzoek is uiteindelijk mondeling behandeld ter terechtzitting van 30 juni 2020. Voorafgaand aan de zitting heeft de Gemeente aanvullende stukken overgelegd.

De Gemeente is verschenen bij mr. A.M.C. de Haan, vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is verschenen, vergezeld door zijn partner en de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de Gemeente mede aan de hand van een pleitnota, en vragen van de kantonrechter beantwoord.

Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Uitgegaan wordt van het volgende.

1.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1963, is sedert 1 april 1993 in dienst van de Gemeente en is laatstelijk werkzaam als [functie] , met als officiële functietitel: [functie] . Het salaris bij een werkweek van 36 uur bedraagt
€ 3.520,00 bruto per maand exclusief Individueel Keuzebudget (IKB), waarvan de vakantietoeslag deel uitmaakt, en een toeslag onregelmatige diensten.

1.2.

Tot 1 januari 2020 had [verweerder] een aanstelling op basis van het ambtenarenrecht. Door de WNRA (Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren) is deze aanstelling per 1 januari 2020 omgezet in een civiele arbeidsovereenkomst als bedoeld in titel 10 van boek 7 BW. Wel is [verweerder] nog steeds ambtenaar als bedoeld in de Ambtenarenwet 2017, die ook op de arbeidsverhouding van toepassing is, evenals de Cao Gemeenten, de Cao Amsterdam en het Personeelshandboek tezamen met protocollen en reglementen van de gemeente Amsterdam (verder de reglementen).

1.3.

In deze reglementen is onder meer opgenomen dat privégebruik van dienstauto’s niet is toegestaan en dat de bedrijfsmiddelen die voor het werk beschikbaar zijn, niet privé gebruikt mogen worden (waaronder parkeerontheffingen). Ook bevatten de reglementen diverse regels omtrent integriteit, met als doel om corruptie en belangenverstrengeling tegen te gaan, zoals het gebruik van kennis en invloed om eigen belangen te dienen. Het is een ambtenaar bijvoorbeeld niet toegestaan om zonder toestemming van de (overheids-)werkgever giften, vergoedingen, beloningen en beloften van een derde aan te nemen of hierom te vragen, indien hij als ambtenaar met deze derde betrekkingen onderhoudt. Voorts mogen als privépersoon geen uitlatingen worden gedaan die het eigen functioneren als ambtenaar of het functioneren van de gemeente of het stadsdeel kunnen schaden.

1.4.

Integriteit heeft als belangrijk onderwerp de afgelopen jaren diverse malen op de agenda gestaan bij de Gemeente in briefings. Ook is in 2016 een offensief gestart met bijeenkomsten door de hele organisatie en is er in 2017 een gemeente-brede campagne met posters geweest. Tevens wordt op het intranet aandacht gevraagd voor integriteit.

1.5.

[verweerder] is als [functie] belast met alle handhavingstaken. Hij heeft een coachende en coördinerende rol voor nieuwe collega’s en hij treedt op als aanspreekpunt of mentor voor de (nieuwe) medewerkers.

1.6.

Op 8 mei 2014 heeft [verweerder] een schriftelijke berisping, in combinatie met vermin-dering van salaris met één periodiek voor de duur van een jaar (ingaande 1 juni 2014), opgelegd gekregen wegens het onrechtmatig gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden. Bij beslissing op bezwaar is uiteindelijk volstaan met de berisping, zonder vermindering van salaris. In de beslissing op bezwaar staat, voor zover relevant, het volgende:
Op 5 januari 2013 en op 31 maart 2013 bent u tijdens de calamiteitendienst met de dienstauto voor privéaangelegenheden van uw woonadres naar Beverwijk gereden. Wij zijn van oordeel dat het reizen van en naar Beverwijk niet opgevat kan worden als ‘zeer beperkt privé gebruik van dienstvoertuigen’, zoals opgenomen in artikel 3.2.1. van Reglement Gebruik Dienstvoertuigen Gemeente Amsterdam. Het feit dat u na de waarschuwing van uw leidinggevende per e-mail van 27 februari 2013, op 31 maart 2013 wederom met de dienstauto naar Beverwijk bent gereden merken wij aan als plichtsverzuim. Het feit dat u een [functie] -functie vervult, het feit dat in de organisatie in 2013 veel aandacht is besteed aan integriteitsschendingen, met name op het punt van misbruik van gemeente-eigendommen en het gegeven dat uw leidinggevende u per e-mail heeft gewaarschuwd dat privégebruik van de dienstauto niet is toegestaan, maakt dat wij van oordeel zijn dat u plichtsverzuim heeft gepleegd en dat u dit kan worden aangerekend en dat de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping proportioneel is.

1.7.

Per brief van 30 september 2014 is [verweerder] een officiële waarschuwing gegeven omdat hij op de openbare Facebook pagina ‘Vrienden van de PVV’ een negatief bericht had geplaatst bij een filmpje van een ISIS demonstratie in Den Haag. De Gemeente heeft [verweerder] laten weten dat de publieke plaatsing van een dergelijk bericht ongepast is en dat de brief dient te worden opgevat als een ernstige waarschuwing dat zij het gedrag van [verweerder] ontoelaatbaar vindt. [verweerder] wordt erop gewezen dat zijn gedrag in korte tijd tweemaal aanleiding is geweest voor onderzoek naar zijn gedrag en dat hij ervoor dient te zorgen dat zijn gedrag niet weer aanleiding zal zijn tot onderzoek en eventuele maatregelen.

1.8.

Op zondag 17 maart 2019 was [verweerder] de enige [functie] tijdens de dagdienst. Zijn vier collega-handhavers van die dag hebben verklaard dat [verweerder] heel kort op kantoor aanwezig is geweest en vertelde die dag een rondje te gaan rijden in Het Gooi voor een tour met de motorclub. [verweerder] heeft voor deze dag geen verlof opgenomen. Uit het systeem City Control, dat handhavers gebruiken voor hun werkzaamheden, blijkt dat [verweerder] in de ochtend van 08.25 uur tot 08.35 uur ingelogd is geweest en in de avond weer van 20.19 uur tot 21.19 uur. [verweerder] heeft op die dag om 16.43 uur een e-mail aan de afdelingsmanager van die dag gestuurd, met daarbij een dagrapportage. Een dagrapportage wordt opgemaakt door de senior van dienst op basis van de input van de overige medewerkers.

1.9.

Op 8 mei 2019 werd de wedstrijd Ajax-Tottenham Hotspur gespeeld in de Johan Cruijff Arena. [verweerder] heeft van een medewerker van UEFA, met wie hij via zijn werk bekend was, kaartjes aangeboden gekregen voor de wedstrijd. Een vriend van [verweerder] heeft de vier kaartjes - met een waarde van € 82,00 per stuk - gekocht voor een prijs van totaal € 80,00. [verweerder] heeft de wedstrijd bezocht samen met zijn vriendin, de bewuste vriend en een derde.

1.10.

Voorafgaand aan deze wedstrijd heeft [verweerder] zijn eigen auto geparkeerd op het parkeerdek bij het kantoor van Handhaving, waarna hij met gebruikmaking van een daar aanwezige dienstauto naar de wedstrijd is gereden. Hij heeft de dienstauto geparkeerd voor de Arena op een voor hulpdiensten en handhaving bestemde plek met parkeer(geld-)ontheffing. Bij de geparkeerde auto’s heeft [verweerder] met verschillende collega’s gesproken, met een geopend bierblikje in zijn hand. Na afloop is [verweerder] met hetzelfde dienstvoertuig weer naar het kantoor terug gereden, waarna hij de sleutel heeft terug gehangen en met zijn eigen auto naar huis is gegaan.

1.11.

Op 10 mei 2019 is [verweerder] in verband met het onderzoek naar dit gedrag een zogenaamde time out aangezegd. Deze heeft geduurd tot 16 mei 2019, de dag waarop een gesprek tussen de Gemeente en [verweerder] over de gebeurtenissen heeft plaats gevonden.

1.12.

Op 20 mei 2019 zijn er een vijftal integriteitsschendingen over [verweerder] gemeld, door collega handhavers. Omstreeks 21 mei 2019 heeft [verweerder] het volgende bericht op Facebook geplaatst:
Helaas zijn er collega’s op mijn Facebook, die er een sport van maken om iemand zwart te maken bij zijn werkgever. Ik weet inmiddels wie het zijn. Om geen onderscheid te maken verwijder ik per onmiddellijk alle directe collega’s.
(…) reken maar dat ik de betreffende collega’s ook ga aanspreken. Ze denken anoniem melding te hebben gedaan. Maar andere collega’s hebben het gehoord en die hebben mij de namen doorgegeven. ;-)
(…) nee inderdaad, daar moet je mee werken (…)
en, in reactie op twee personen die op zijn bericht hadden gereageerd (met respectievelijk: ‘Wat een NSB’ers’ en ‘Schijtlijers zijn het’):
Tja… Ik mag het niet zeggen. Maar je begrijpt het.
Komen aan de beurt tante, geloof mij maar.

1.13.

Van 13 juli 2019 tot en met 4 augustus 2019 heeft in Amsterdam het Kwaku festival plaats gevonden. [verweerder] had op [verjaardag] 2019 (zijn verjaardag) dienst backstage bij de (artiesten)ingang. Om via die ingang naar binnen te komen is een groen polsbandje nodig. Die worden verstrekt aan de artiesten en de stand-houders die ook via de artiesteningang het terrein mogen betreden. De vriendin van [verweerder] , haar dochter en zus, zijn op enig moment met groene polsbandjes backstage aangetroffen. [verweerder] heeft backstage van de organisatie van het festival een fles champagne gekregen. [verweerder] heeft de champagne niet aan zijn leidinggevende afgegeven, zoals de reglementen voorschrijven.

1.14.

Aansluitend op het Kwaku festival heeft [verweerder] van 5 augustus tot en met
25 augustus 2019 vakantie gehad. Op 28 augustus 2019 heeft hij zich ziekgemeld. Op 3 september 2019 heeft een ‘verantwoordingsgesprek’ plaatsgevonden en is met [verweerder] over de gebeurtenissen op [verjaardag] 2019 gesproken. Daarbij heeft [verweerder] verklaard dat hij de fles champagne heeft laten staan op het evenement. Ook heeft hij gesteld dat de toegangs-/polsbandjes niet door hem aan zijn vriendin en haar familie zijn gegeven maar door een beveiliger van het terrein, die hij al jaren kent en waarmee hij een goede samenwerking heeft. [verweerder] heeft de naam van de beveiliger niet genoemd. Voor de polsbandjes was niet betaald en het gezelschap had betaalde entreekaartjes voor het terrein.

1.15.

Op 30 september 2019 heeft [verweerder] zich hersteld gemeld. Van 30 september 2019 tot en met 7 oktober 2019 is [verweerder] vervolgens vrijgesteld van werkzaam-heden vanwege het lopende onderzoek naar zijn gedragingen. Op 7 oktober 2019 is [verweerder] een schorsing opgelegd en is hem de toegang tot de werkplek ontzegd. [verweerder] heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.16.

Op 31 oktober 2019 heeft de directie Juridische Zaken van de Gemeente advies uitgebracht over de te nemen disciplinaire maatregelen. Het advies was om een strafontslag op te leggen. De gemeentesecretaris heeft hier op 1 november 2019 akkoord voor gegeven.

1.17.

Per brief van 3 december 2019 is [verweerder] geïnformeerd over het voorgenomen besluit om hem onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen en is hij geschorst, zonder behoud van salaris. De salarisinhouding is later teruggedraaid. De Gemeente heeft [verweerder] (conform de toen geldende bepalingen) in de gelegen-heid gesteld om binnen 14 dagen een zogeheten zienswijze in te dienen. [verweerder] heeft daarvan geen gebruik gemaakt, maar om uitstel verzocht. De Gemeente heeft het uitstel niet toegestaan. Op 18 februari 2020 heeft de Gemeente het onderhavig verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend.

Verzoek

2. De Gemeente verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden primair op grond van verwijtbaar handelen, als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a jo. 7:669 lid 3, onderdeel e van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair verzoekt de Gemeente ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie op grond van artikel 7:686 BW. Meer subsidiair baseert de Gemeente haar ontbindingsverzoek op disfunctioneren(de d-grond), dan wel een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) dan wel de combinatiegrond (de i-grond). Daarbij stelt de Gemeente zich op het standpunt dat [verweerder] geen transitievergoeding toekomt, omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, en dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden zonder inachtneming van de opzegtermijn van 4 maanden.

3. Ter onderbouwing daarvan heeft de Gemeente naar voren gebracht dat [verweerder] zich bij herhaling niet heeft gedragen zoals van een ambtenaar mag worden verwacht en zich heeft schuldig gemaakt aan diverse vormen van ernstig verwijtbaar gedrag. [verweerder] heeft door zijn handelwijze ernstige inbreuk gemaakt op het aanzien en de betrouw-baarheid van de Gemeente. [verweerder] heeft bovendien een voorbeeldfunctie als [functie] en [functie] en aan hem mogen hoge eisen worden gesteld voor wat betreft integriteit, geloofwaardigheid en betrouwbaarheid. [verweerder] was bovendien al twee keer eerder gewaarschuwd. In 2019 zijn wederom vijf integriteitsschendingen gebleken en die brengen mee dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] ontbonden dient te worden.

Verweer

4. [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en meent - samengevat - dat het verzoek moet worden afgewezen. Hij heeft de verweten gedragingen niet of niet doelbewust begaan of had er toestemming voor en is niet eerder op zijn functioneren aangesproken; hij heeft aldus geen kans gehad dit aan te passen. De Gemeente heeft nagelaten om adequaat en voortvarend te handelen. Als er al een verstoorde arbeidsverhouding is, dan is dat aan de Gemeente te wijten. Dan kan er geen redelijke grond zijn. Herplaatsing is bovendien mogelijk.

5. Indien geoordeeld wordt dat er redenen zijn de arbeidsovereenkomst te ontbinden, meent [verweerder] dat de ontbinding met in achtneming van de opzegtermijn dient te geschieden en hij recht heeft op de transitievergoeding, alles met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure. Voor zover de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een transitievergoeding van € 44.139,89 bruto, al dan niet op grond van artikel 7:673 lid 8 BW. Er is sprake van een lang dienstverband en een relatief klein aantal misstappen, terwijl [verweerder] in een moeilijke positie zit, zowel financieel als qua kansen op de arbeidsmarkt.

6. Voor het overige komen de standpunten van partijen bij de beoordeling aan de orde.

Beoordeling

7. Voorop staat dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

8. De Gemeente stelt primair dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het handelen van [verweerder] verwijtbaar als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW. De arbeidsovereenkomst dient derhalve te worden ontbonden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

9. Incident 1: Ongeoorloofde afwezigheid
Met de vier verklaringen van collega’s is voldoende komen vast te staan dat [verweerder] op 17 maart 2019 meerdere uren afwezig is geweest tijdens zijn dienst, zonder dat hij daartoe verlof had opgenomen en terwijl hij die dag de [functie] van dienst was. Het enkele feit dat [verweerder] in de middag een formulier heeft ingevuld en om 16.43 uur een e-mail heeft gestuurd betekent immers niet dat hij dus aanwezig is geweest. Uit de stukken blijkt ook dat [verweerder] kort in de ochtend en daarna pas weer laat in de avond heeft ingelogd, terwijl onbetwist is gebleven dat [verweerder] de e-mail van 16.43 uur ook op afstand kon verzenden. Voor het feit dat geen van de collega’s [verweerder] op het werk heeft gezien, heeft [verweerder] ook geen verklaring gegeven.

10. Incident 2, 3 en 4: aankoop entree kaarten en gebruik dienstmiddelen voor privé doeleinden (Ajax - Tottenham Hotspur)
[verweerder] heeft, ondanks eerdere waarschuwingen, op 8 mei 2019 zowel een dienstauto als de daarbij behorende parkeerontheffing aangewend voor privé gebruik. In plaats van met zijn eigen auto naar de Arena te gaan heeft hij tegen de regels in een dienstauto gebruikt en heeft hij deze geparkeerd op een plek voor handhaving waarvoor geen parkeergeld verschuldigd is. Ook de wijze waarop [verweerder] de kaarten voor de wedstrijd heeft verkregen is laakbaar en wekt op zijn minst de indruk van een constructie ter omzeiling van de integriteitsregels die op [verweerder] van toepassing zijn. De zeer gereduceerde prijs lijkt daarvan een bevestiging te zijn.

11. Minder zwaarwegend maar niet zonder betekenis is voorts dat op 8 mei 2019, staande bij een dienstauto van handhaving, [verweerder] een blikje bier in zijn hand heeft gehad, hetgeen – zo voert de Gemeente terecht aan – niet goed is voor de beeldvorming.

11. Incident 5: onheus bejegenen collega’s
Vast staat dat [verweerder] zich op zijn voor iedereen toegankelijke pagina van Facebook dreigend en onbehoorlijk heeft uitgelaten over een aantal collega’s en dat valt [verweerder] zwaar aan te rekenen. Dat hij deze berichten na er op aangesproken te zijn, heeft verwijderd doet daaraan niet af, net als het feit dat [verweerder] dit in privé heeft gedaan. De regels daarover zijn immers duidelijk (zie ook rov. 1.3). Bovendien was [verweerder] reeds eerder voor soortgelijk gedrag gewaarschuwd.

11. Incident 6 en 7: gedragingen Kwaku festival
Ook blijkt uit de beschreven feiten en omstandigheden dat [verweerder] zijn functie, kennis en invloed heeft gebruikt om zijn vriendin, haar dochter en haar zus backstage toegang te verschaffen tot het Kwaku festival. Zij hadden daar niets te zoeken, [verweerder] was aan het werk en had ervoor dienen te zorgen dat zij niet backstage zouden zijn, al helemaal niet tijdens zijn werktijden. Dat zij al dan niet entreekaarten hadden voor het terrein, maakt dit niet anders. Voorts is gebleken dat [verweerder] een fles champagne van de organisatoren van het festival heeft aangenomen. Of hij de fles heeft laten staan op het festivalterrein - zoals [verweerder] aanvoert - is tegenover de verklaringen van wat [verweerder] tegen collega’s heeft gezegd over de kwaliteit van de fles, ongeloofwaardig maar maakt ook niet uit; [verweerder] had de fles niet mogen aannemen.

14. Alles bij elkaar bezien is de kantonrechter van oordeel dat bij [verweerder] duidelijk sprake is (geweest) van vergaande en onaanvaardbare normvervaging bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. [verweerder] is tijdens werktijd afwezig geweest, heeft dienstvoertuigen voor zichzelf gebruikt en deze ten onrechte met ontheffing geparkeerd, heeft via een constructie goedkoop kaartjes laten kopen voor een voetbalwedstrijd en heeft op zijn minst toegelaten dat zijn vriendin en haar familie tijdens een festival op plekken kwamen, waar bezoekers niet horen te komen. [verweerder] heeft daar bovenop onheuse uitlatingen op Facebook geplaatst en cadeautjes aanvaard. En dat alles met gebruikmaking van zijn functie, kennis en invloed. Het zijn veel incidenten in korte tijd, ook nadat [verweerder] al op recente integriteitschendingen was aangesproken. Overigens lijkt [verweerder] ook nu nog niet in te zien dat zijn gedrag niet door de beugel kan.

14. Dat [verweerder] huambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet 2017 is daarbij niet van doorslaggevend belang. Het vorenstaande zou voor elke werknemer gelden. Wel weegt mee dat gezien de aard van zijn functie, zijn kennis en ervaring en het feit dat hij een voorbeeld is voor jongere collega’s, maakt dat van [verweerder] mag worden verwacht dat hij zich strikt houdt aan de reglementen rond integriteit. De eisen en regels zijn duidelijk vastgelegd in de verschillende reglementen en deze zijn regelmatig bij [verweerder] onder de aandacht gebracht. [verweerder] heeft dat ook niet bestreden.

14. De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden wegens verwijtbaar handelen. Herplaatsing in een andere functie ligt daarbij niet in de rede. Voorts is het handelen van [verweerder] , gezien alle feiten en omstandigheden, niet alleen verwijtbaar maar ook ernstig verwijtbaar. Op grond van artikel 7:671b lid 8 onder b BW zal deze ontbinding worden uitgesproken zonder inachtneming van de opzegtermijn, per 1 augustus 2020. Dat de zaak bij de Gemeente lang heeft gelegen is daartoe niet redengevend, nu dat haar keuze is geweest en die omstandigheid dus voor rekening van de Gemeente moet blijven.

14. Aangezien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten aan de zijde van [verweerder] is de Gemeente op grond van artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW geen (volledige) transitievergoeding verschuldigd. Gezien echter het zeer lange dienstverband van [verweerder] , zijn leeftijd en het feit dat gedurende een gedeelte van dat dienstverband geen (relevante) aanmerkingen zijn geweest op het functioneren van [verweerder] , is de kantonrechter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hem geen enkel bedrag aan transitievergoeding toe te kennen. De kantonrechter ziet aldus aanleiding voor toepassing van artikel 7:673 lid 8 BW, en zal de transitievergoeding voor een kwart toekennen tot een bedrag van afgerond
€ 12.000,- bruto.

14. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 augustus 2020;

kent aan [verweerder] een gedeelte van de transitievergoeding toe ten laste van de Gemeente ter hoogte van € 12.000,00 bruto en veroordeelt de Gemeente tot betaling van deze vergoeding;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2020 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. J. Higler-Huisman.