Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3894

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
Parketnummer 13/752333-19
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Noorwegen toegestaan na terugkeergarantie en beantwoording van nadere vragen over de voorwaarden van een eventuele uitvaardiging van een AB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752333-19

RK nummer: 20/636

Datum uitspraak: 4 augustus 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 3, eerste lid, van de Wet houdende uitvoering van de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (hierna: de Uitvoeringswet) jo. artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.

Deze vordering dateert van 30 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB).

Dit AB is uitgevaardigd op 16 december 2019 door the National authority for prosecution of organized and other serious crime te Oslo, Noorwegen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

uit andere hoofde gedetineerd in de [detentieadres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 juni 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. B. Polman, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht ter zitting aanwezig te zijn.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet jo. artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak op 19 juni 2020 het onderzoek heropend en geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de Noorse autoriteiten nadere vragen te stellen over de voorwaarden van een eventuele uitvaardiging van een AB, met name de evenredigheid ervan en de mogelijkheid die de opgeëiste persoon heeft om deze door een rechter te laten toetsen.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 21 juli 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. B. Polman, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht ter zitting aanwezig te zijn.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het AB

In het AB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel (‘arrest warrant’), uitgevaardigd door the Oslo Courthouse en gedateerd 18 november 2019, met referentie 19-170727ENE-OTIR/06.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar Noors recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Uitvaardigende rechterlijke autoriteit

Bij tussenuitspraak van 19 juni 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de volgende vragen aan de Noorse justitiële autoriteiten voor te leggen:

1. zijn door de rechter die het nationale aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd tevens de voorwaarden voor een eventuele uitvaardiging van een AB, en met name de evenredigheid ervan, getoetst?

2. zo nee, heeft de opgeëiste persoon nog de mogelijkheid om de voorwaarden voor de uitvaardiging van het AB, en met name de evenredigheid ervan, door een rechter te laten toetsen?

Een en ander om te beoordelen of is voldaan aan het toetsingskader dat het Hof van Justitie heeft neergelegd in het arrest XD, waaraan de rechtbank in de tussenuitspraak heeft gerefereerd.

Genoemde tussenuitspraak is aan deze uitspraak gehecht en maakt daarvan deel uit.

In antwoord op deze vragen heeft de Senior Public Prosecutor bij e-mail van 23 juni 2020 het volgende meegedeeld:

Proportionality is one issues to be considered by the judge prior to the decision to arrest someone according to national law in Norway. The conditions are laid out in the attached decision for Mr. [opgeëiste persoon] from the first instance court of Oslo dated 18 of November 2019. The relevant sections in the NO prosedural act are 170a and 171.

De genoemde ‘sections’ luiden als volgt:

Section 170 a. A coercive measure may be used only when there is sufficient reason to do so. The coercive measure may not be used when it would be a disproportionate intervention in view of the nature of the case and other circumstances.

Section 171. Any person who with just cause is suspected of one or more acts punishable pursuant to statute by imprisonment for a term exceeding six months, may be arrested when:

1) there is reason to fear that he will evade prosecution or the execution of a sentence or other precautions,

2) there is an imminent risk that he will interfere with any evidence in the case, e.g. by removing clues or influencing witnesses or accomplices,

3) it is deemed to be necessary in order to prevent him from again committing a criminal act punishable by imprisonment for a term exceeding six months,

4) he himself requests it for reasons that are found to be satisfactory.

When proceedings relating to committal to compulsory mental health care pursuant to section 39 of the Penal Code or compulsory care pursuant to section 39 a of the Penal Code have been instituted, or it is probable that such proceedings will be instituted, an arrest may be made regardless of whether a penalty may be imposed if the conditions in the first paragraph are otherwise fulfilled. The same applies when a judgment ordering committal to compulsory mental health care or compulsory care has been pronounced.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting aangevoerd dat in de vraagstelling aan de Noorse autoriteiten en de beantwoording door de Noorse autoriteiten de nadruk wordt gelegd op de proportionaliteit van het uitvaardigen van het arrestatiebevel, maar dat de evenredigheid (het alternatief) ontbreekt (zoals te zien bij de Franse autoriteiten in de YC-zaak), terwijl dat relevant is om te kunnen toetsen. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat in de onderhavige overleveringsprocedure tussen het Noorse en het Nederlandse Openbaar Ministerie afstemming is geweest over waar de vervolging moest plaatsvinden en wie een (E)AB voor wat zou uitvaardigen. De raadsman heeft zich met deze kanttekening gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat de proportionaliteit blijkt uit het toegezonden nationale aanhoudingsbevel en de hiervoor genoemde section 170a. Daarmee is de evenredigheid van de beslissing voldoende onderbouwd, aldus de officier van justitie die concludeert dat de overlevering kan worden toegestaan.

Het oordeel van de rechtbank

In het toegezonden aanhoudingsbevel heeft de Noorse rechter het volgende overwogen:

(…)

Het gerecht meent voorts te kunnen constateren dat er sprake is van gevaar voor

onttrekking aan de rechtsvervolging overeenkomstig de strafproceswet § 171 nr. 1. Gewezen wordt op het feit dat de aangeklaagde Nederlands staatsburger is, gevestigd in

Nederland.

(…)

Hij is gescheiden en heeft twee kinderen die in Nederland woonachtig zijn, en hij heeft geen binding met Noorwegen. Hij heeft voorts een ernstige aanklacht tegen zich, en riskeert een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf als hij wordt veroordeeld. In de visie van de rechtbank bestaat er daarom een dreigend en concreet gevaar daarvoor, dat [opgeëiste persoon] zich aan strafvervolging en strafvolstrekking zal onttrekken als hij niet wordt aangehouden.

Het gerecht bevindt dat een aanhouding met het oog op uitlevering naar Noorwegen geen buitenproportionele ingreep is, cf. de strafproceswet § 170 a. Gewezen wordt in het bijzonder daarop, dat [opgeëiste persoon] is aangeklaagd in een bijzonder ernstige strafzaak.

Het gerecht besluit, dat [opgeëiste persoon] aangehouden kan worden, cf. de strafproceswet § 175

tweede lid, cf. § 171 nr. 1, cf. § 170 a.

De rechtbank constateert dat de Noorse rechter in zijn beslissing tot het uitvaardigen van het aan het AB ten grondslag liggende nationale arrestatiebevel de ernst van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht heeft meegewogen, alsmede de omstandigheid dat hij niet in Noorwegen woonachtig en geworteld is. Tevens heeft de rechter geoordeeld dat aanhouding met het oog op uitlevering aan Noorwegen geen buitenproportionele ingreep is, in het bijzonder gelet op de ernstige strafzaak waarin de opgeëiste persoon is aangeklaagd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit dat de voorwaarden voor de uitvaardiging van het AB, met name de evenredigheid ervan is getoetst in lijn met de hiervoor genoemde jurisprudentie.

3 Strafbaarheid, feiten vermeld in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de twee feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het AB vermelde gegevens is op deze feiten naar Noors recht telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4 De garantie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder 3 van de Overeenkomst

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op artikel 8, aanhef en onder 3 Overeenkomst kan zijn overlevering daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.

In het AB (onderdeel f) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende garantie gegeven:

As stated in Article 7 (2) of the Agreement of 28 June 2006 between the European Union and the Republic of Iceland and the Kingdom of Norway on the surrender procedure between the Member States of the European Union and Iceland and Norway, a Dutch citizen can be handed over to Norway if Norway issues a guarantee that the person sought in accordance with the Convention of the Transfer of Sentenced Persons, concluded on 21 March 1983 in Strasbourg, will be transferred back to the Netherlands in order to serve their sentence there after following the procedure referred to in Article 11 of the Convention, if a non-suspended custodial sentence or a detention order has been passed against them after surrender.
Norway guarantees that this will be done.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn ook naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het aanhoudingsbevel voldoet aan de in de Overeenkomst en Uitvoeringswet gestelde vereisten en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, 1 en 3 Wet houdende uitvoering van de op 28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen en 3, 5, 8, 11 en 20 Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the National authority for prosecution of organized and other serious crime te Oslo, Noorwegen.


Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en H.P. Kijlstra, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 augustus 2020.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.