Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3892

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
Parketnummer 13/751461-20
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Overlevering tussenuitspraak tbv aanvullende vragen ihkv artikel 12 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751461-20

RK nummer: 20/2666

Datum uitspraak: 4 augustus 2020

(TUSSEN-)

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 mei 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 21 maart 2018 door the district court in Zamość second penal division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 juli 2020. Het verhoor heeft middels telehoren plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M.H.M. den Dekker, advocaat te ‘s-Gravenhage en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een:

  1. Legally valid aggregate sentence of the regional court in Zamość, the tenth non-local penal division in Krasnystaw of 24 january 2014, which became legally valid on 12 february 2014, reference no. X K 516/13;

  2. Legally valid sentence of the regional court in Krasnystaw of 1 december 2016, which became legally valid on 31 december 2016, reference no. II K 748/15;

  3. Legally valid sentence of the regional court in Krasnystaw of 13 july 2016, which became legally valid on 21 july 2016, reference no. II K 175/16.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van:

1 jaar (samengevoegd vonnis van de vonnissen met nummers II K 672/10 en II K 20/11). Deze straf moet nog in zijn geheel worden uitgezeten.

1 jaar en 7 maanden (samengevoegd vonnis van de vonnissen met nummers II K 692/11 en II K 388/12). Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 maanden;

2. 10 10 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 9 maanden en 29 dagen;

2. 10 6 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 maanden en 28 dagen,

door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot vonnis 1 en vonnis 2 heeft geleid. Het EAB vermeldt verder dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot vonnis 3 heeft geleid.

Ten aanzien van vonnissen 2 en 3

Uit aanvullende informatie d.d. 24 juni 2020 blijkt dat de opgeëiste persoon toch niet aanwezig was bij de behandeling ter terechtzitting die tot vonnis 2 heeft geleid.

De rechtbank stelt vast dat het EAB met betrekking tot de vonnissen 2 en 3 strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees te aanhoudingsbevel.

Nu zodanige garantie ontbreekt dient de overlevering, zoals ook door de officier van justitie en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon betoogd, met betrekking tot deze vonnissen te worden geweigerd.

Ten aanzien van vonnis 1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan voor zover het betrekking heeft op dit vonnis. Zij heeft gesteld dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de terechtzitting die tot het verzamelvonnis heeft geleid en dat dit verzamelvonnis in persoon aan hem is uitgereikt.

Inzake het onderliggende vonnis met kenmerk II K 672/10 heeft de officier van justitie erop gewezen dat het vonnis voor de onherroepelijkheidsdatum aan de opgeëiste persoon is uitgereikt en dat hij de kans heeft gehad zijn verdediging te voeren.

Inzake het onderliggende vonnis met kenmerk II K 20/11 heeft de officier van justitie gesteld dat de opgeëiste persoon bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig was.

Met betrekking tot het onderliggende vonnis met kenmerk II K 692/11 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard.

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K 388/12 tot slot heeft de officier van justitie gesteld dat de dagvaarding aan de opgeëiste persoon aan hem persoonlijk is uitgereikt en dat hij aanwezig was bij de inhoudelijke behandeling van de zaak.

De officier heeft geconcludeerd dat ten aanzien van vonnis 1 is voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat overlevering ook ten aanzien van dit verzamelvonnis 1 dient te worden geweigerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de uitspraak en dat hij niet werd vertegenwoordigd door een advocaat. Er zijn geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat het vonnis aan hem is overhandigd.

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K 672/10 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de opgeëiste persoon niet bij de inhoudelijke behandeling aanwezig was.

Met betrekking tot het onderliggende vonnis met kenmerk II K 20/11 heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de opgeëiste persoon niet is bijgestaan door een advocaat en dat hij minder dan een maand tevoren was geïnformeerd.

Inzake het onderliggende vonnis met kenmerk II K 692/11 heeft de raadsvrouw gesteld dat de opgeëiste persoon niet is bijgestaan door een advocaat en slechts 4 dagen voor de zitting was geïnformeerd.

Met betrekking tot het onderliggende vonnis met kenmerk II K 388/12 dient de overlevering eveneens te worden geweigerd, aldus de raadsvrouw, die heeft geconcludeerd dat met betrekking tot vonnis 1 en de daaronder liggende vonnissen niet wordt voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW.

Het oordeel van de rechtbank.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

In aanvullende informatie d.d. 23 juni 2020 wordt het volgende vermeld:

The accused person was brought to the hearing from a penal institution. At the hearing the passing of a decision was adjourned till 24.01.2024. [opgeëiste persoon] was not present at the hearing on 24.01.2024, when the judgement was pronounced. The decision was handed to him in person on 04.02.2014. In this case [opgeëiste persoon] was not represented by a lawyer

as he hadn't appointed a defense counsel of his choice or he hadn't asked the Court to appoint a defense counsel for him.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet komen vast te staan of op de ‘hearing’ waar hij heen werd gebracht vanuit de gevangenis de zaak volledig inhoudelijk is behandeld en op 24 januari 2014 uitsluitend nog vonnis is gewezen. Evenmin blijkt of het vonnis op de voorgeschreven wijze aan de opgeëiste persoon ter hand is gesteld, dat wil zeggen of hij daarbij ook genoegzaam geïnformeerd is over zijn recht op een ‘retrial or appeal’.

Ten aanzien van het onderliggende vonnis met kenmerk II K 672/10 wordt in genoemde aanvullende informatie het volgende vermeld:

On 19.11.2010 [opgeëiste persoon] was informed in writing about the date of a hearing scheduled for 03.12.2010 (the summons was collected by his mother - an adult household member) but he did not appear at the said hearing. The decision in this case was handed to [opgeëiste persoon] in person on 07.12.2010.

De opgeëiste persoon is niet in persoon opgeroepen en niet blijkt dat hij anderszins daadwerkelijk in kennis is gesteld van de datum en plaats van het proces. Verder is ook in dit geval niet komen vast te staan of het vonnis op de voorgeschreven wijze aan de opgeëiste persoon ter hand is gesteld, dat wil zeggen of hij daarbij ook genoegzaam geïnformeerd is over zijn recht op een ‘retrial of appeal’.

De rechtbank zal het onderzoek heropenen ten behoeve van het voorleggen aan de Poolse autoriteiten van de volgende vragen:

  • -

    was de opgeëiste persoon aanwezig bij de inhoudelijke behandeling van de zaak die tot het vonnis met kenmerk X K 516/13 heeft geleid?

  • -

    Op welke wijze zijn de vonnissen van de zaken met kenmerk X K 516/13 en II K 672/10 aan de opgeëiste persoon overhandigd?

Daarbij dient gebruik te worden gemaakt van onderdeel d van het EAB-model.

Ten aanzien van de overige onder vonnis 1 liggende vonnissen is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de eisen van artikel 12 OLW.

4 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens de vonnissen 2 en 3.


HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd met betrekking tot vonnis 1, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hierboven genoemde vragen voor te leggen aan de Poolse autoriteiten.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de nader te bepalen dag en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en H.P. Kijlstra, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 augustus 2020.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.