Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3861

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
C/13/686332 / KG ZA 20-582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Twee buren mogen het asfaltpad van hun buurman enkel gebruiken om naar de openbare weg te komen, niet om er te parkeren of spullen neer te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/686332 / KG ZA 20-582 CdK/MvG

Vonnis in kort geding van 7 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 14 juli 2020,

advocaat mr. R. Geerars te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M. Verbaken te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van 23 juli 2020 heeft [eiser] zijn vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op heden.

Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig:

- aan de zijde van [eiser] : [zoon] , een zoon van [eiser] , met mr. Geerars,

- aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] : [gedaagde sub 2] met mr. Verbaken.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het in de pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] opgenomen Whatsapp-bericht, omdat dit feitelijk een productie betreft en die voorafgaand aan de mondelinge behandeling tijdig had moeten worden ingediend. Gelet op de beperkte omvang van het Whatsapp-bericht heeft de voorzieningenrechter beslist dat deze tot de procedure wordt toegelaten. De mondelinge behandeling is daarop geschorst om [zoon] en mr. Geerars in de gelegenheid te stellen het Whatsapp-bericht met elkaar te bespreken.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van een perceel grond met gebouwen aan de [adres 1] . Op dit perceel staat een bloemenkwekerij, die hij verhuurt aan een familielid.

2.2.

[eiser] was eigenaar van de woning aan de [adres 2] . In 1994 heeft hij deze woning verkocht aan zijn dochter. In de akte van levering is een erfdienstbaarheid gevestigd:

“Partijen verklaren bij deze tevens te vestigen de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan, te voet of per voertuig, naar de openbare weg, de [adres 2] , zulks op de voor het dienend erf minst bezwarende wijze, ten behoeve van het bij deze verkochte als heersend erf en ten laste van het asfaltpad hetwelk in eigendom aan verkoper toebehoort, als dienend erf (…)”.

2.3.

Na aanvankelijk vanaf februari 2013 de woning aan de [adres 2] te hebben gehuurd van de dochter van [eiser] hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] die woning in januari 2018 van haar gekocht. In de leveringsakte van 31 januari 2018 is de onder 2.2. geciteerde erfdienstbaarheid opgenomen. Voorafgaand aan de levering is aan de achterzijde van het perceel aan de [adres 2] , waar ook de voordeur van de woning is gelegen, tegen betaling een stuk braakliggend grond toegevoegd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op dit gedeelte een carport gebouwd, een overdekt terras aangelegd en een jacuzzi geplaatst.

2.4.

Het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] grenst aan de noordwest- en zuidwestzijde aan het perceel van [eiser] . Het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] grenst aan de zuidoostzijde aan de openbare weg, de [adres 2] . Tussen de openbare weg en beide percelen bevindt zich nog een fietspad en een stoep. Vanaf de openbare weg gezien links, loopt een asfaltpad (hierna: het asfaltpad), dat hoort bij het perceel van [eiser] , naar het achterliggend terrein van de bloemenkwekerij, die verder grenst aan de achterzijde van het perceel van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Hun perceel heeft geen eigen uitrit naar de openbare weg. De erfdienstbaarheid stelt hen in staat om via het asfaltpad vanaf de achterzijde van hun perceel de openbare weg te bereiken en andersom. Het asfaltpad is circa 4 meter breed en 25 tot 30 meter lang.

2.5.

Vanaf de openbare weg gezien links van het asfaltpad bevindt zich een grasveld dat hoort bij het perceel van [eiser] . Daar weer links van bevindt zich nog een iets smallere asfaltweg, die eveneens bij het perceel van [eiser] hoort en ook leidt naar de bloemenkwekerij.

2.6.

Bij Whatsapp-bericht van 8 april 2020 heeft [eiser] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevraagd te stoppen met het uitbaten van een bloemenstalletje op het asfaltpad en deze vrij te houden van zaken, auto’s en doorgaand verkeer. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daarop niet bevestigend gereageerd.

2.7.

Bij brief van zijn advocaat van 9 juni 2020 heeft [eiser] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bericht dat zij in strijd handelen met de erfdienstbaarheid en daarmee inbreuk maken op zijn eigendomsrechten. In deze brief zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gesommeerd iedere inbreuk op de eigendomsrechten van [eiser] te staken en gestaakt te houden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat:

I. primair [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vanaf de dag van betekening van dit vonnis te verbieden zich op het perceel van [eiser] te begeven of daarvan anderszins gebruik te maken, met uitzondering van het asfaltpad van [eiser] waarop de erfdienstbaarheid rust, en hen tevens te verbieden in strijd te handelen met de erfdienstbaarheid, een en ander op straffe van een dwangsom,

II. subsidiair in goede justitie een voorziening te treffen,

III. primair en subsidiair [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

[eiser] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op grond van de erfdienstbaarheid is het [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toegestaan om op de voor [eiser] minst bezwarende wijze te voet of per voertuig vanaf de parkeerplekken gelegen aan de achterzijde van hun perceel via het asfaltpad van [eiser] de openbare weg, de [adres 2] , te bereiken. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] handelen in strijd met de erfdienstbaarheid door onder meer (bezoek) op het asfaltpad te (laten) parkeren, daarop een bloemenstalletje te exploiteren en objecten zoals meubels en speeltoestellen te plaatsen. Deze wijze van gebruik van het asfaltpad is niet door [eiser] gedoogd. Ook voor het tijdelijk gebruik van een bloemenstal heeft hij geen toestemming gegeven. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] maken inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] en handelen daarmee onrechtmatig jegens hem. De bereikbaarheid van de bloemenkwekerij komt in het gedrang en de huurder daarvan wordt daardoor in zijn huurgenot beperkt. Het asfaltpad is de hoofdtoegang tot de bloemenkwekerij en breed genoeg voor grote vrachtwagens. Het andere asfaltpad is smaller en niet toegankelijk voor vrachtwagens.

Verder stallen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voertuigen op het verlengde van het asfaltpad waarop geen erfdienstbaarheid is gevestigd, zodat ieder gebruik van dat gedeelte van het perceel van [eiser] een inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben het volgende verweer gevoerd. [eiser] heeft geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat er geen sprake is van een gevaarlijke verkeerssituatie op het asfaltpad en hij de uitkomst van een bodemprocedure kan afwachten. Verder lenen zijn vorderingen zich niet voor kort geding nu dit feitelijk een verklaring voor recht inhoud ten aanzien van de uitleg van de erfdienstbaarheid. Toen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun woning nog huurden van de dochter van [eiser] heeft hij het altijd toegestaan dat zij het gedeelte van het asfaltpad waarop de erfdienstbaarheid rust gebruikten om daarop bijvoorbeeld af en toe (door derden) een auto op te parkeren of tijdelijk spullen neer te zetten, zoals een bankje of een speeltoestel voor de kinderen. Ook nadat zij in 2018 eigenaar zijn geworden van hun perceel, heeft [eiser] dit gebruik van het asfaltpad toegestaan. Bij de aankoop van hun perceel hebben zij de erfdienstbaarheid op die manier geïnterpreteerd en aanvaard. Artikel 5:73 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) voorziet ook in een dergelijke uitleg van een erfdienstbaarheid. Dit artikel schrijft voor dat de plaatselijke gewoonte beslissend is voor de uitleg van een erfdienstbaarheid indien die te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend.

De bloemenstal heeft slechts tijdelijk en met toestemming van [eiser] op dan wel naast het asfaltpad gestaan. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verkopen bloemen en vanwege corona was het goedkoper om de bloemen aan straat te verkopen dan om ze naar de veiling te brengen.

Het (kortstondig) parkeren van auto’s op het asfaltpad belemmert de toegang tot de kwekerij niet en valt onder de uitleg van de erfdienstbaarheid, namelijk het gebruik van het pad op de voor het perceel van [eiser] ‘minst bezwarende wijze’.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De gevraagde voorzieningen strekken tot het op korte termijn doen eindigen van een in de visie van [eiser] onrechtmatige toestand bestaande uit een inbreuk op zijn eigendomsrecht. [eiser] hoeft in beginsel een inbreuk op zijn eigendomsrecht niet te dulden, zodat het spoedeisend belang bij zijn vordering is gegeven.

4.2.

Anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd leent een voorlopig oordeel over de wijze waarop een erfdienstbaarheid mag worden uitgeoefend zich voor afdoening in kort geding, omdat dit geen constitutieve beslissing is.

4.3.

Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de erfdienstbaarheid mag worden uitgeoefend. Op grond van artikel 5:73 lid 1 BW worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Verder staat in dit artikellid dat als een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend, dat dan in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend is.

Bij de uitleg van de akte komt het aan op de partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511, NJ 2016/325).

4.4.

Voorop staat dus de akte van vestiging, die in haar bewoordingen voorshands duidelijk is: het asfaltpad mag door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] alleen worden gebruikt om te komen van en te gaan naar de [adres 2] , dus als toegangsweg van hun perceel naar de openbare weg en andersom. Elk ander gebruik van het asfaltpad door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , is in strijd met de erfdienstbaarheid en daarmee in beginsel onrechtmatig jegens [eiser] , ongeacht of dit de toegang tot de bloemenkwekerij wel of niet belemmert. Alleen in geval de akte geen uitsluitsel biedt, dienen inhoud en wijze van uitoefening door de plaatselijke gewoonte te worden bepaald. Nu de akte duidelijk is, wordt aan het beoordelen van de plaatselijke gewoonte niet toegekomen. Het is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat het door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beoogde gebruik niet is toegestaan. Zij hebben een overdekt terras geplaatst achter hun huis, waardoor de ruimte voor het plaatsen van auto’s beperkt is.

4.5.

Een erfdienstbaarheid ontstaat slechts door vestiging of door verjaring. Het gebruik dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hier bepleiten, zou dan door verjaring moeten zijn ontstaan. Het gedogen door [eiser] van het gebruik, als dit in een bodemzaak al komt vast te staan, is daarvoor niet voldoende, doordat de tijd van ongestoord gebruik te kort is geweest.

4.6.

Verder heeft [eiser] onweersproken gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voertuigen stallen op het verlengde van het asfaltpad waarop geen erfdienstbaarheid is gevestigd. Dit vormt een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] .

4.7.

Bovenstaande betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden toegewezen, zoals in de beslissing gemeld. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] en in strijd hebben gehandeld met de erfdienstbaarheid, maar het wel erop lijkt dat zij daarmee inmiddels zijn gestopt, zal de gevorderde dwangsom worden gematigd en gemaximeerd, zoals in de beslissing gemeld.

4.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 105,03 aan explootkosten, € 304,00 aan griffierecht en € 980,00 aan salaris advocaat.

4.9.

De nakosten zullen op de navolgende wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om vanaf de dag van betekening van dit vonnis van het perceel van [eiser] ander gebruik te maken, dan op grond van de erfdienstbaarheid is toegestaan;

5.2.

verbiedt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om vanaf de dag van betekening van dit vonnis in strijd te handelen met de erfdienstbaarheid, zoals het (laten) plaatsen en geplaatst houden van enig object of parkeren van een auto op het asfaltpad;

5.3.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een dwangsom verbeuren van € 100,00 per dag dat zij niet aan de veroordeling onder 5.1. en/of 5.2. voldoen, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.389,03, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2020.1

1 type: MvG coll: BB