Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3851

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
13/036100-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor o.a. bedreiging met een gaspistool met enig misdrijf tegen het leven gericht en het voorhanden hebben van een gaspistool en munitie tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/036100-20 (Promis)

Datum uitspraak: 29 mei 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [plaats 1]

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [locatie] ” te [plaats 2] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.R. Bons en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.M.J. Nuijten naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 8 februari 2020 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. bedreiging van [persoon 1] door hem een (gas)pistool te tonen en te zeggen: “Hiermee kan ik je knallen”;

2. het medeplegen van voorhanden hebben van een gaspistool en/of patronen;

3. het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering van een ambtenaar, door niet mee te werken aan een blaastest.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage (bijlage I) die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde, waarbij hij heeft opgesomd op basis van welke bewijsmiddelen hij daartoe komt.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging. Hij heeft aangevoerd dat er geen ondersteunend bewijs is voor de aangifte. Verdachte heeft dit feit bovendien ontkend.

Verdachte heeft het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde ter terechtzitting bekend. De raadsman heeft ten aanzien van die feiten geen bewijsverweren gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte bevond zich op 8 februari 2020 in het flatgebouw ‘ [naam] ’ in Amsterdam. Hij was daar samen met zijn vriend [persoon 2] . Aangever kwam rond 07:55 uur de centrale hal binnengelopen en liep door in de richting van de lifthal. Aangever zag dat een man achter hem aan kwam en samen met hem de lift in stapte. Dit was verdachte. Zij waren op dat moment met zijn tweeën in de lift. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij toen een gaspistool bij zich droeg in zijn broeksband. Tot zover zijn de feiten door verdachte niet betwist.

Verder stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat het volgende heeft plaatsgevonden. Deze feiten zijn wel door verdachte betwist.

Aangever heeft verklaard dat verdachte hem in de lift heeft bedreigd. Verdachte ging voor hem staan, pakte uit de voorzijde van zijn broeksbrand een wapen, deed een patroonhouder in het wapen, hield het wapen voor zich uit en zei daarbij: “Hiermee kan ik je knallen”. Verdachte heeft ontkend dat hij aangever heeft bedreigd met het gaspistool. Hij heeft desgevraagd verklaard dat hij de lift nam omdat hij naar zijn moeder zou willen gaan. De rechtbank vindt die verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte, blijkens het proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven, al bijna 2 uur in de centrale hal was en juist op het moment dat aangever richting de liften ging, ook die lift nam. De rechtbank volgt aangever in zijn verklaring, die de rechtbank betrouwbaar en geloofwaardig vindt, zeker nu die verklaring op essentiële onderdelen wordt ondersteund door ander bewijs. Uit het proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven volgt dat verdachte tegen aangever sprak op het moment dat zij samen in de lift stonden en dat hij met zijn linkerhand naar zijn broeksriem reikte. Verder heeft aangever verklaard dat het wapen grijs en zwart van kleur was en dat in de patroonhouder enkele patronen aanwezig waren. Ook dit deel van de verklaring van aangever vindt steun in andere bewijsmiddelen: uit het proces-verbaal van wapenonderzoek volgt dat het gaspistool dat verdachte voorhanden had voorzien was van een metalen (en - blijkens de in het proces-verbaal van bevindingen opgenomen foto - grijskleurige) slede en uit het proces-verbaal van vooronderzoek lab is op te maken dat in de patroonhouder enkele patronen zaten.

3.3.2

Het oordeel ten aanzien van feit 1

De rechtbank vindt gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte aangever heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door aangever een gaspistool te tonen en in zijn bijzijn een patroonhouder in het gaspistool te doen. Verdachte heeft deze bedreiging vervolgens kracht bijgezet door tegen aangever te zeggen: “Hiermee kan ik je knallen”.

3.3.3

Het oordeel ten aanzien van feit 2

De rechtbank vindt op grond van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , het proces-verbaal van onderzoek naar het gaspistool, het proces-verbaal van vooronderzoek lab en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting bewezen dat verdachte samen met een ander een gaspistool en munitie voorhanden heeft gehad. Daarbij overweegt de rechtbank dat zowel verdachte als [persoon 2] wisten van het wapen en daarover beiden beschikkingsmacht hadden. Omdat verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en de raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in een bijlage (bijlage II) die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingelast. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

3.3.4

Het oordeel ten aanzien van feit 3

De rechtbank vindt op grond van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , het proces-verbaal van gebruik middelen bij geweldsdelicten en de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting ook bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft gepleegd. Omdat verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en de raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen, die eveneens zijn opgenomen in voornoemde bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingelast. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft ook dit oordeel geen verdere motivering.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1

op 8 februari 2020 te Amsterdam [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend voornoemde [persoon 1] een gaspistool getoond en voorgehouden en in het bijzijn van voornoemde [persoon 1] een patroonhouder in dat gaspistool gedaan en daarbij voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd: “Hiermee kan ik je knallen”.

Ten aanzien van feit 2

op 8 februari 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool en patronen van categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 3

op 8 februari 2020 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of vordering, krachtens artikel 55d, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door ambtenaar [verbalisant 4] , belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem gevorderd had mee te werken aan een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging stonden, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis waar het gaat om het voorhanden hebben van het gaspistool aansluiting gezocht bij de Amsterdamse oriëntatiepunten voor het voorhanden hebben van vuurwapens. Hij heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert hij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling bij forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het vinden en behouden van dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de Amsterdamse oriëntatiepunten voor het voorhanden hebben van vuurwapens niet van toepassing zijn als het gaat om het voorhanden hebben van een gaspistool. Bij de straftoemeting voor dat feit moet aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) waarin een geldboete van € 550,- als uitgangspunt wordt genoemd. Bij een veroordeling voor de feiten 2 en 3 is oplegging van een geldboete passend. Subsidiair is naar voren gebracht dat, mocht de rechtbank ondanks de bepleite vrijspraak ook tot een veroordeling komen voor feit 1, hooguit een straf gelijk aan de duur van het voorarrest kan worden opgelegd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een willekeurige persoon, in diens eigen woonomgeving, bedreigd met een gaspistool. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig strafbaar feit, waarmee hij angst bij het slachtoffer heeft veroorzaakt. Het voorhanden hebben van een gaspistool met daarbij behorende munitie is bovendien een delict waar tegen wordt opgetreden, mede gelet op het gevaar en de dreiging die van een dergelijk wapen uitgaat. Ook heeft verdachte niet voldaan aan een ambtelijk bevel door – kort gezegd – geen medewerking te verlenen aan het doen van een blaastest, terwijl hij wettelijk verplicht was het bevel op te volgen.

De rechtbank zoekt voor het bepalen van het uitgangspunt van de op te leggen straf aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten. Daaruit volgt dat voor het voorhanden hebben van een gaspistool een geldboete als oriëntatiepunt geldt. Voor bedreiging middels het tonen van een (nep)vuurwapen geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Gelet op de ernst van de bedreiging en daarbij genomen de omstandigheid dat verdachte op lichtvaardige wijze tot het plegen van deze delicten is overgegaan, vindt de rechtbank een vrijheidsstraf de enige passende afdoeningsmodaliteit. Bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan, weegt de rechtbank ook het volgende mee.

Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 april 2020, blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor bedreiging of het voorhanden hebben van een vuurwapen, maar wel voor het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Vanwege de recidive zal het strafblad van verdachte enigszins in zijn nadeel bij de strafoplegging worden meegewogen.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsadvies van 21 april 2020, opgemaakt door C.S. Pruis. Uit het rapport blijkt onder meer dat het risico op recidive wordt ingeschat op gemiddeld tot hoog. De reclassering adviseert de rechtbank om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende voorwaarden te verbinden: een meldplicht, ambulante behandeling bij De Waag, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Verdachte heeft zich op de terechtzitting bereid verklaard om aan die voorwaarden mee te werken.

Ondanks de conclusies uit het reclasseringsadvies, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank schat in dat reclasseringstoezicht en -begeleiding niet of nauwelijks recidivedempend zullen zijn, zeker nu verdachte geen duidelijke hulpvraag heeft.

Alles afwegende, ziet de rechtbank aanleiding om van de vordering van de officier van justitie af te wijken, met name omdat zij uitgaat van andere oriëntatiepunten. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opleggen met aftrek van de tijd die hij al in verzekering en voorarrest heeft doorgebracht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 184, 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf. Dit bevel is ook apart op schrift gesteld.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en F.C.M. Weijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2020.

[...]

[...]

[...]

[...]