Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3840

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
AMS 20/3957
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft geen goede vergunning afgegeven voor de verbouwing van een woonhuis op IJburg. Daarom geldt er een bouwstop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/3957

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2020 in de zaak tussen

[verzoeker 1] ,

[verzoeker 2] ,

[verzoeker 3] ,

allen wonende te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. S.N. van den Heykant),

en

het college van burgemeester en wethouders Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: R. Offenberg).

Apollo Real Estate B.V., te Hilversum (de vergunninghoudster) heeft als derde-partij aan het geding deelgenomen,

(gemachtigde: mr. H.A. Dupree).

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2020 (de vergunning) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een extra verdieping, het maken van een uitbouw aan de achtergevel, het maken van vijf woningen en het plaatsen van een dakterras met dakluik op het pand [adres] tot en met [nummer] te [plaats] (het pand).

Verzoekers hebben tegen de vergunning bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor vergunninghouder is ook verschenen [naam 1] .

Overwegingen

Voorlopig oordeel

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

Feiten

2. Verzoekers zijn omwonenden van het pand en wonen op de adressen [adres 1] en [adres 2] en [adres 3] .

3. Vergunninghoudster heeft het pand aangekocht om hierin vijf appartementen te realiseren en deze te verhuren aan starters. Op 6 augustus 2019 heeft verweerder aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het wijzigen van één zelfstandige woning in vijf zelfstandige woonruimtes.

4. Het bouwplan bestaat uit de uitbouw op de begane grond van 3,13 meter hoog die vanaf de gevel 4 meter de tuin in wordt gebouwd over de gehele breedte van de gevel. Dit zal onderdeel worden van de woonkamer. Ook wordt een extra (5de) verdieping gerealiseerd, waardoor de bouwhoogte 14,50 m wordt. Hier bovenop komt een dakterras met een hekwerk van 1,20 m grenzend aan het dakterras van de buren.

5. Op 2 juni 2020 hebben verzoekers hiertegen bezwaar gemaakt. Begin juli 2020 is gestart met de werkzaamheden ter realisatie van het bouwplan.

Standpunt van verzoekers

6. Verzoekers vinden dat de vergunning niet verleend had mogen worden. Zij voeren – kort weergegeven – aan dat de uitbouw buiten het in het bestemmingsplan aangegeven bouwvlak wordt gebouwd, de maximumbouwhoogte met de extra verdieping en het dakterras wordt overschreden en dat zij in hun privacy worden geschaad door realisering van het dakterras. Zij verzoeken daarom de vergunning te schorsen en de bouwwerkzaamheden te doen staken tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Beoordeling

Uitbouw

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vergunning ook betrekking heeft op de uitbouw aan de achtergevel. Verweerders stelling op de zitting dat de uitbouw vergunningvrij is, omdat dit op bouwtekening AN.102, bladnummer 03,1 bij de aanvraag staat vermeld, volgt de voorzieningenrechter niet. De enkele vermelding dat dit deel van de aanvraag vergunningvrij zou zijn, is onvoldoende om deze uitbouw buiten de aanvraag te houden. Het is vaste jurisprudentie2 dat splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat, in beginsel niet mogelijk is. Het bouwplan dient als één geheel te worden beschouwd. Een bouwplan kan alleen worden gesplitst als het bestaat uit onderdelen die in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Dat is hier niet het geval. De uitbouw aan de achtergevel is een uitbreiding van de woonkamer en kan in functioneel en bouwkundig opzicht niet van de rest van de bouwactiviteiten op de begane grond worden onderscheiden. De achtergevel wordt vrijwel geheel verwijderd en vier meter verder verplaatst ten behoeve van een grote woonkamer.

8. Verweerder is in het bestreden besluit in het geheel niet ingegaan op de vraag of de uitbouw aan de achtergevel vergund kan worden. Niet in geschil is dat die uitbouw wordt gerealiseerd op gronden met de bestemming ‘Tuin’. Het bestemmingsplan “IJburg 1e fase” staat ter plaatse geen bebouwing toe. Ook kent het bestemmingsplan geen voorschriften die een vrijstellingsmogelijkheid voor de uitbouw bevatten. Vergunning voor de uitbouw is dus alleen mogelijk met een zogeheten buitenplanse vrijstelling. Dat heeft verweerder niet gedaan. Als verweerder ondanks de strijdigheid met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor de uitbouw wil verlenen, zal hij daar, in de nog te nemen beslissing op bezwaar, op in moeten gaan en beoordelen of hij daaraan wel of niet zijn medewerking wil verlenen middels een buitenplanse vrijstelling.

Bouwhoogte

9. De voorzieningenrechter oordeelt met verweerder dat de maximale bouwhoogte niet wordt overschreden door de extra bouwlaag. De maximale bouwhoogte ter plaatse is 14,5 meter. Dit bestaat uit 13,5 meter op basis van de verbeelding (en artikel 22.2.2, onder b, van de planregels). De 1 meter extra volgt uit artikel 39.2 van de planregels. Daarin staat dat het is toegestaan de maximale bouwhoogtes tot ten hoogste 1 meter te overschrijding. Deze bepaling komt de voorzieningenrechter niet logisch voor. Indien de planwetgever een maximale bouwhoogte van 14,5 meter toelaatbaar acht, ligt het in de rede om dit op de verbeelding te vermelden. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen aanleiding om deze bepaling exceptief te toetsen, zoals op de zitting is opgemerkt. Omdat de totale hoogte van het pand met de extra bouwlaag 14,5 meter wordt, zal de maximale bouwhoogte die het bestemmingsplan toestaat, niet worden overschreden. Hierdoor is ook geen sprake van stapeling, zoals verzoekers betogen.

Dakterras

10. Op de zitting heeft verweerder erkend dat de verleende vergunning voor het dakterras niet in stand zal kunnen blijven. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat opnieuw bekeken zal moeten worden hoe het dakterras wel vergund kan worden, zonder dat vanaf het te realiseren terras zicht is op het naastgelegen terras. Volgens verweerder zal in bezwaar een andere motivering moeten komen voor de privacy-schending en zal opnieuw beoordeeld moeten worden of en waar het dakluik en het dakhek geplaatst kunnen worden. Er zal in ieder geval een andere oplossing moeten worden gevonden, aldus het standpunt van verweerder op de zitting. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het dakterras en de opgang met dakluik in de extra bouwlaag zo niet vergund hadden kunnen worden. Dit zal moeten worden gewijzigd, zoals verweerder op zitting heeft toegelicht. Ook op dit punt zal verweerder dus opnieuw een besluit moeten nemen. Dat vergunninghoudster op de zitting heeft verklaard het dakhek nog niet te zullen plaatsen totdat dit goed is vergund, doet niet af aan de door verweerder erkende onjuistheid van de vergunning.

Conclusie

11. Gelet op de hiervoor geconstateerde gebreken kan de vergunning niet zonder aanpassingen en/of onderbouwing in stand blijven. Bij afweging van de belangen van verzoekers en vergunninghoudster is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekers zwaarder weegt dan het gestelde financiële belang van vergunninghoudster. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toewijzen in die zin dat de vergunning wordt geschorst tot zes weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist. Ook moet vergunninghoudster tot die tijd stoppen met verbouwen.

12. De voorzieningenrechter bepaalt verder dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt en veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit en bepaalt dat vergunninghoudster de werkzaamheden staakt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2020.

griffier voorzieningenrechter

de griffier is verhinderd de

uitspraak te tekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 Op deze tekening staat onder de uitbouw “uitbreiding vergunningvrij volgens WABO /BOR”.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3429.