Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3839

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
C/13/670694 / HA ZA 19-878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vereffenaar van een omvangrijke nalatenschap van een man hoeft geen geld uit te keren aan de man die vond dat hij recht had op terugbetaling vanuit de nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/670694 / HA ZA 19-878

Vonnis van 5 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.M.J. Comans te Utrecht,

tegen

[gedaagde]

in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de heer

[erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Katan te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de vereffenaar worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 augustus 2019 met producties;

  • -

    de akte van eiswijziging van 11 september 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 19 februari 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 juni 2020 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van mr. Katan met daarin opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [datum] is de heer [erflater] (hierna: erflater) als gevolg van een aanslag overleden.

2.2.

De erfgenamen van erflater hebben zijn nalatenschap (hierna: de nalatenschap) beneficiair aanvaard. Zij waren vanaf het overlijden van erflater vereffenaars van de nalatenschap en in die hoedanigheid gezamenlijk bevoegd om namens de nalatenschap op te treden.

2.3.

Tot de nalatenschap behoorden onder meer 25% van de aandelen in [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). De overige aandelen in [bedrijf 1] werden gehouden door de broer (hierna: [broer] ) en zussen van erflater.

Voor de duidelijkheid zullen de rechtsopvolgers van [bedrijf 1] (te weten: [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] ) eveneens als [bedrijf 1] worden aangeduid.

2.4.

Op 14 maart 2005 heeft [eiser] aan [bedrijf 1] een dagvaarding uitgebracht, waarin terugbetaling werd gevorderd van geldbedragen die hij volgens de faxbrief d.d. 7 mei 2003 (hierna: de faxbrief) aan erflater had geleend. Deze geldbedragen zijn in de faxbrief aangeduid als ‘[aanduiding 1] ’, ‘[aanduiding 2] ’ en [aanduiding 3] (hierna afzonderlijk: de woning in [plaats] , het onroerend goed in [aanduiding 2] en het [aanduiding 3] en gezamenlijk: de in de faxbrief genoemde geldbedragen). De faxbrief met briefhoofd van [bedrijf 1] luidt als volgt:

VERTROUWELIJK

Amsterdam, 7 mei 2003

Beste [eiser] ,

Hierbij de gevraagde brief voor jouw persoonlijk.

Ik heb van jouw ontvangen:

Hfl. 2.700.000,00 [aanduiding 1]

Hfl. 890.000,00 [aanduiding 2]

€ 1.000.000,00 Inzake aankoop [aanduiding 3]

Verder gaat naar jouw toe de winst van [aanduiding 3] 50% boven de Hfl. 7.700.000,00.

50% winst [bedrijf 5] , boven de Hfl. 19.000.000,00.

Verder 30% aandelen [aandelen 1] , [aandelen 2] , wat ik met jouw besproken heb.

Met vriendelijke groetjes,

[ handtekening ]

[erflater] ”

2.5.

Bij faxbericht van 8 december 2000 heeft erflater aan een niet nader te noemen derde, voor zover hier relevant, het volgende meegedeeld:

“(…) [bedrijf 6] zal 32% van de participaties van [aandelen 1] kopen. [bedrijf 7] en [bedrijf 8] zullen eveneens ieder voor 32% maatschapsaandelen kopen. (…)”

2.6.

Het [aanduiding 3] is bij akte van levering van 23 januari 2004 door [bedrijf 8] aan [bedrijf 1] geleverd. Blijkens de leveringsakte heeft [bedrijf 8] het [aanduiding 3] op 3 november 2003 in eigendom verkregen.

2.7.

In een brief van 2 november 2004 heeft mr. J.P. Koets, de (voormalige) advocaat van [bedrijf 1] , voor zover hier relevant het volgende aan [eiser] bericht:

“(…) Namens [bedrijf 1] kan ik u bevestigen dat zij omwille van de relatie die u in het verleden onderhouden heeft met [erflater] en teneinde u in de huidige financiële situatie tegemoet te komen, bereid is om, onder voorbehoud van alle rechten en zonder daarmee terzake aansprakelijkheid te erkennen, een bedrag ad € 403.864,39, zijnde het equivalent van f 890.000 te betalen binnen een termijn van zes weken na dagtekening van deze brief, onder voorbehoud dat [bedrijf 1] alsdan ook de middelen beschikbaar zal hebben. (…)”

2.8.

In een brief van 31 mei 2005 aan mr. Koets heeft mevrouw [naam 2] , voormalig secretaresse bij [bedrijf 1] (en hierna te noemen: [naam 2] ), voor zover hier relevant, als volgt verklaard:

“(…) Ik heb nimmer van [eiser] enveloppes of wat dan ook met geld ontvangen, laat staan 1 of 2 bruine enveloppes met in euro’s f 890.000. Ik heb ook niet gesuggereerd dat [eiser] maar moest terugkomen als [erflater] weer terug was. In het bureau in de voorkamer van kantoor was ook geen kastje waarin iets gelegd kon worden. Er is ook nooit iets van [eiser] in een kastje of lade gelegd. (…) De brief van 7 mei 2003 is bij ons allen (dat wil zeggen bij mij en mijn – voormalige – collega’s) volledig onbekend. (…)”

2.9.

De rechtbank Haarlem heeft in een vonnis van 11 januari 2006 de vorderingen van [eiser] betreffende de in de faxbrief genoemde geldbedragen tegen [bedrijf 1] afgewezen. [eiser] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

2.10.

Op 20 maart 2007 heeft op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden bij het gerechtshof Amsterdam. Tijdens dat getuigenverhoor heeft mevrouw [naam 3] , voormalig secretaresse bij [bedrijf 1] , voor zover hier relevant, als volgt verklaard:

“(…) U houdt mij voor een brief gedateerd 7 mei 2003 (…). Ik denk niet dat [naam 2] [ [naam 2] , toevoeging van de rechtbank] of ik die brief getypt heeft. Wij gebruikten altijd een ‘betreft’-regel en wij vermeldden altijd het adres of faxnummer van de geadresseerde. (…)”

2.11.

Tijdens de voortzetting van het hiervoor genoemde voorlopig getuigenverhoor op 13 april 2007 heeft mr. A. Zeegers, onder meer voormalig advocaat van erflater en hierna te noemen: Zeegers, voor zover hier relevant als volgt verklaard:

“(…) Eind 2002, het kan ook in januari 2003 zijn geweest, was ik op het kantoor van [erflater] . (…) Ik herinner mij dat [eiser] langs kwam met een bruine enveloppe voor [erflater] . Het kunnen ook twee bruine enveloppen zijn geweest, zij hadden A4-formaat. Hij zei dat er geld in zat en dat hij dat aan [erflater] wilde geven. Ik geloof dat hij ook vermeldde dat er NLG 890.000,-- in zat. Ik heb het geld niet gezien. Ik wist dat [eiser] wel eens contant geld aan [erflater] bracht. [naam 2] wilde aanvankelijk het geld niet aannemen. [eiser] wilde het echter niet mee terugnemen. Uiteindelijk heeft [naam 2] de enveloppe of enveloppen toch aangenomen en opgeborgen in het bureau van [erflater] . (…) Ik heb wel de volgende dag aan [erflater] gevraagd of hij het geld van [eiser] gevonden had. Hij antwoordde daarop bevestigend.

Later heb ik van [erflater] begrepen dat het geld bestemd was als aanbetaling voor een pand van [bedrijf 9] aan de [adres] . Ik heb dat begrepen toen het pand op verzoek van de hypotheekbank in maart 2003 geveild werd, omdat de hypothecaire verplichtingen niet werden nagekomen. [erflater] zei toen: “dat kost mij één miljoen gulden”. Daarmee doelde hij op het bedrag van NLG 890.000,--. (…)

U vraagt mij of “het pand van [aanduiding 3] ” mij iets zegt. Dit was een pand in Breda dat [erflater] moest afnemen. Hij beschikte echter niet over de benodigde liquiditeiten. Hij heeft toen alles in het werk gesteld om de overdracht uit te stellen en de benodigde middelen bijeen te brengen. Dat speelde in het najaar van 2003.

Ik herinner mij dat wij eind september 2003 samen in Israël waren en dat wij toen telefonisch van de problemen op de hoogte zijn gebracht, onder andere door [eiser] . Enige tijd later heeft [erflater] tegen mij gezegd dat [naam 1] hem ermee geholpen had. Hij bedoelde daarmee dat [eiser] hem een bedrag van één miljoen in contanten had betaald. Ik weet niet of dit een bedrag in guldens of in euro’s was. (…) U vraagt mij wat [erflater] in verband met de afname van het pand had aan een bedrag van één miljoen in contanten. Ik realiseer mij dat contant geld daarvoor niet kan worden gebruikt. Ik kan dan ook niet verklaren wat [erflater] precies heeft bedoeld met zijn uitspraak dat [naam 1] hem geholpen had. Ik weet wel dat zijn uitspraak betrekking had op het afnemen van het pand van [aanduiding 3] . Nu ik hier verder over doordenk weet ik niet zeker of ik van [erflater] gehoord heb dat de “hulp” van [eiser] betrekking had op het pand van [aanduiding 3] of van [eiser] zelf.

Ik herinner mij dat in het voorjaar van 2004 een nieuwe hypothecaire financiering van het [bedrijf 10] werd voorbereid bij HSH Nord Bank. Het verlijden van de aktes bij de notaris was voorzien op [datum] . [erflater] heeft op 15 mei 2004 tegen mij gezegd dat [naam 1] uit de daaruit vrijkomende gelden als één van de eersten moest worden betaald. Hij heeft daarbij geen bedrag genoemd. (…)”

2.12.

Op donderdag 29 mei 2008 heeft [broer] , eveneens in een getuigenverhoor bij het gerechtshof Amsterdam, voor zover hier relevant als volgt verklaard:

“(…) U houdt mij voor een brief gedateerd 7 mei 2003 op briefpapier van [bedrijf 1] (…) Ik heb die brief voor het eerst gezien op kantoor van mr. Koets, waar [eiser] de brief presenteerde. Ik kan mij niet voorstellen dat [erflater] die brief heeft geschreven. Hij schreef nooit dit soort brieven. De woordkeus is niet van hem afkomstig. (…) Ik heb bij de secretaresses op kantoor navraag gedaan, maar de brief was bij hen volslagen onbekend. Wat ook opvallend was, was het tijdstip waarop de brief boven water kwam. In de eerste besprekingen die wij met [eiser] hadden zei hij steeds dat hij van de leningen niets op papier had. 6 of 7 maanden na het eerste gesprek over zijn vermeende vordering kwam hij ineens met deze brief op de proppen. Volgens mij is de brief vals. (…)”

2.13.

Op 20 maart 2014 is de vereffenaar op verzoek van de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie, ondersteund door de erfgenamen, door de rechtbank Amsterdam benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap. Op verzoek van een andere schuldeiser van de nalatenschap is tevens een rechter-commissaris benoemd.

2.14.

Nadat de hoger beroepsprocedure tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem (zie hiervoor onder 2.9) gedurende enkele jaren werd geparkeerd en geschorst, is deze procedure op 2 september 2014 opnieuw op de rol gebracht.

2.15.

Bij brief van 11 november 2014 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] de in de hoger beroepsprocedure tegen [bedrijf 1] ingediende memorie van grieven toegezonden aan de vereffenaar, onder verwijzing naar de vordering van [eiser] “ten aanzien van de vereffenaars wijlen [erflater]”.

2.16.

In een arrest van 18 oktober 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Haarlem bekrachtigd en geoordeeld dat [eiser] jegens [bedrijf 1] geen recht heeft op betaling van de in de faxbrief genoemde geldbedragen.

2.17.

In een e-mail op 12 september 2018 heeft de advocaat van [eiser] aan de vereffenaar en mr. Koets meegedeeld dat [eiser] jegens de nalatenschap aanspraak maakt op de in de faxbrief genoemde geldbedragen. Verder heeft hij namens [eiser] aanspraak gemaakt op de in de faxbrief genoemde winstrechten en aandelen. Daarbij liet hij het aan de vereffenaar en mr. Koets om te bepalen of die vorderingen bestonden jegens de nalatenschap dan wel op een aan erflater te liëren entiteit.

2.18.

De vorderingen van [eiser] zijn tot op heden niet door de vereffenaar of [bedrijf 1] (of een andere aan erflater te liëren entiteit) erkend.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat de vereffenaar wordt veroordeeld tot betaling aan hem van:

I. een bedrag van € 819.670,05 inzake de woning in [plaats] ,

II. een bedrag van € 404.227,58 inzake het onroerend goed in [aanduiding 2] ,

III. een bedrag van € 1.000.000,00 inzake de aankoop van het [aanduiding 3] ,

IV. 50% van de behaalde winst op het [aanduiding 3] , voor zover de winst het bedrag van Hfl. 7.700.000,00 overschrijdt,

V. 50% van de behaalde winst op het [bedrijf 5] , voor zover de winst het bedrag van Hfl. 19.000.000,00 overschrijdt,

alsmede:

VI. te verklaren voor recht dat [eiser] gerechtigd is tot 30% van de aandelen van [aandelen 1] , [aandelen 2] op gelijke voet als erflater dat kennelijk eerder was, of de vereffenaar te veroordelen tot betaling van de met dat belang corresponderende tegenwaarde indien dat belang uit het vermogen van erflater is geraakt,

het een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. In de faxbrief heeft erflater aan [eiser] bevestigd dat hij de in de faxbrief genoemde geldbedragen, winstrechten en aandelen aan [eiser] verschuldigd is. Omdat erflater gedurende zijn leven die geldbedragen en winstrechten niet aan [eiser] heeft (terug)betaald en hij evenmin de genoemde aandelen aan [eiser] heeft geleverd, vordert [eiser] thans nakoming door de vereffenaar van zijn (in de faxbrief door erflater bevestigde) afspraak met erflater.

3.3.

De vereffenaar voert verweer en stelt zich daartoe – samengevat – op het volgende standpunt. De faxbrief is vals. [eiser] kan daar dus geen rechten aan ontlenen. Daarnaast heeft [eiser] niet voldaan aan zijn stelplicht, omdat de juridische grondslag van zijn vordering en de feitelijke onderbouwing daarvan ontbreken. Ten aanzien van de vorderingen onder I. tot en met III. blijkt niet onder welke titel [eiser] de door hem gestelde betalingen heeft gedaan of dat [eiser] die geldbedragen contant aan erflater heeft overhandigd. Verder is bij deze vorderingen onduidelijk waarom erflater in privé c.q. de nalatenschap (en niet [bedrijf 1] ) als debiteur van [eiser] te gelden heeft. Die vraag speelt ook bij de vorderingen onder IV. en V., nu de daar genoemde panden (waarop geen winst is gemaakt) tot het vermogen van [bedrijf 1] behoorden en erflater slechts 25% van de aandelen van [bedrijf 1] bezat. Bij de vordering onder VI. is onduidelijk naar welke [aandelen 1] -entiteit de woorden ‘ [aandelen 1] , [aandelen 2] ’ verwijzen. In de nalatenschap zijn geen aandelen in een vennootschap met de naam [aandelen 1] aangetroffen.

Voor zover [eiser] wel vorderingen op erflater heeft gehad, geldt dat deze zijn verjaard. Tot slot loopt de vereffenaar het risico dat hij zich schuldig zou maken aan witwassen indien hij de gepretendeerde vorderingen van [eiser] zou erkennen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De faxbrief

4.1.

Zoals namens [eiser] tijdens de mondelinge behandeling is bevestigd, vormt de faxbrief de belangrijkste grondslag van alle zes vorderingen van [eiser] . De vereffenaar heeft onder andere verweer gevoerd tegen de echtheid van de faxbrief en heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat deze niet door erflater is ondertekend. De rechtbank zal daarom eerst ingaan op de vraag of de faxbrief tot bewijs van de vorderingen van [eiser] kan bijdragen.

De echtheid van de faxbrief

4.2.

Ingevolge artikel 159 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een onderhandse akte waarvan de ondertekening stellig wordt ontkend door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, geen bewijs op zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. De bewijslast voor wat betreft de echtheid van de handtekening rust op degene die de akte als bewijsstuk gebruikt of zich daarop beroept.

4.3.

Nu de vereffenaar de echtheid van de faxbrief c.q. de ondertekening daarvan door erflater heeft betwist, ligt het op de weg van [eiser] om te stellen en te bewijzen dat de faxbrief door erflater is ondertekend. De rechtbank is van oordeel dat hij daarin niet is geslaagd en dat onvoldoende is komen vast te staan dat de faxbrief daadwerkelijk door erflater is opgesteld en ondertekend. Daarvoor is het hiernavolgende redengevend.

4.4.

In de faxbrief – die is gedateerd op 7 mei 2003 – wordt gesproken over een geldbedrag van € 1 miljoen dat erflater van [eiser] zou hebben ontvangen voor de aankoop van het [aanduiding 3] . [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat erflater inderdaad in mei 2003 geld tekort kwam voor het transport in het kader van het [aanduiding 3] , als gevolg waarvan [eiser] in mei 2003 het genoemde geldbedrag aan erflater had geleend. Echter, Zeegers heeft verklaard dat de aankoop van het [aanduiding 3] pas speelde in het najaar van 2003 (althans vanaf eind september 2003) en dat erflater pas toen bij derden (zoals [eiser] ) aanklopte wegens een tekort aan financiële middelen voor die aankoop (zie hiervoor onder 2.11).

4.5.

Beide verklaringen zijn dus met elkaar in strijd. Dat Zeegers (volgens zijn eigen woorden) niet meer wist of hij zijn informatie had verkregen van erflater of van [eiser] , maakt dat niet anders. Gelet op wat hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn verklaring nader toe te lichten, bijvoorbeeld door de overlegging van stukken of getuigenverklaringen die zijn stelling onderbouwen, maar dat heeft hij nagelaten. De enkele opmerking tijdens de mondelinge behandeling dat Zeegers zich in de datum moet hebben vergist, is daartoe in ieder geval onvoldoende.

4.6.

Bovendien heeft de vereffenaar terecht opgemerkt dat het [aanduiding 3] pas op 3 november 2003 door de verkopende partij ( [bedrijf 8] ) was verkregen. Die omstandigheid maakt dat niet voor de hand ligt dat erflater al in mei 2003 financiering behoefde voor de aankoop of het transport van het [aanduiding 3] .

4.7.

Bij deze stand van zaken acht de rechtbank het aannemelijk dat de financiële problemen van erflater bij de aankoop van het [aanduiding 3] pas speelden in de periode na september 2003. Het feit dat de faxbrief – die is gedateerd op 7 mei 2003 – verwijst naar betalingsproblemen die pas enkele maanden later ontstonden, is dan ook een sterke indicatie dat de faxbrief niet door erflater is vastgelegd of ondertekend.

4.8.

Ook in de verklaring van [broer] ziet de rechtbank duidelijke aanwijzingen dat de faxbrief niet door erflater is opgesteld of ondertekend. Hij verklaarde dat [eiser] aanvankelijk te kennen gaf dat hij van de (door hem gestelde) leningen niets op papier had staan, terwijl hij enkele maanden later “ineens” de faxbrief aan zijn vordering ten grondslag legde (zie hiervoor onder 2.12). Die verklaring is in lijn met de stellige verklaring van de twee secretaresses van erflater dat de faxbrief niet door hen is opgesteld en dat zij evenmin op de hoogte waren van het bestaan van de faxbrief. Weliswaar is tijdens de mondelinge behandeling namens [eiser] opgemerkt dat erflater de faxbrief mogelijk heeft opgesteld door de inhoud daarvan te dicteren aan iemand die hij vertrouwde, maar een dergelijke mogelijkheid is door [eiser] niet eerder aangevoerd en zal zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten.

4.9.

Gelet op het voorgaande kan er niet van uit worden gegaan dat erflater de faxbrief heeft ondertekend of dat erflater met de faxbrief afspraken heeft vastgelegd. Dat betekent dat de faxbrief niet kan gelden als onderbouwing van de vorderingen van [eiser] , zodat rechtbank deze verder buiten beschouwing dient te laten.

Bepaalbaarheid van de (door [eiser] gestelde) verbintenissen

4.10.

Maar zelfs als dat anders zou zijn en de faxbrief wél als vastlegging door erflater zou hebben te gelden, dan heeft de vereffenaar terecht als verweer aangevoerd dat de afspraken, die volgens [eiser] in de faxbrief zijn opgenomen, onvoldoende bepaalbaar zijn en om die reden alsnog niet tot grondslag van een vordering kunnen dienen. Op grond van artikel 6:227 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar zijn. Daarvan is sprake wanneer de vaststelling van de verbintenissen kan geschieden naar van te voren vaststaande criteria. Hoewel aan deze eis niet al te strenge eisen mogen worden gesteld, is de rechtbank met de vereffenaar van oordeel dat de inhoud van de faxbrief onvoldoende bepaalbaar is om daaraan enig rechtsgevolg te verbinden.

4.11.

Uit de faxbrief kan niet worden afgeleid wie ten opzichte van [eiser] als contractspartij zou hebben te gelden: [bedrijf 1] of erflater in privé. Daardoor is onduidelijk van wie [eiser] nakoming zou kunnen vorderen van de volgens [eiser] in de faxbrief vastgelegde afspraken. Het feit dat [eiser] aanvankelijk in diverse procedures nakoming door [bedrijf 1] vorderde, terwijl de onderhavige procedure is ingesteld tegen de vereffenaar (namens erflater in privé), is daarvan een duidelijke illustratie. De verklaringen van [eiser] dat de eerdere procedures tegen de verkeerde partij waren ingesteld of dat hij (zoals in de verzetprocedure aangevoerd) in een eerder stadium de erfgenamen van erflater niet wilde belasten met een procedure, maken dat niet anders.

4.12.

Daarnaast kan de inhoud van de door [eiser] gestelde afspraken met erflater niet aan de hand van de faxbrief worden vastgesteld. Ten aanzien van de in de faxbrief genoemde geldbedragen (die zijn opgenomen in de vorderingen onder I. tot en met III.) is slechts opgetekend dat erflater die bedragen van [eiser] zou hebben ontvangen. Uit de faxbrief blijkt niet onder welke titel die geldbedragen aan erflater zouden zijn betaald. Zelfs in het kader van deze procedure heeft [eiser] daarover geen duidelijk standpunt ingenomen. Want hoewel hij in correspondentie nog verwees naar een geldleningsovereenkomst, stelt hij nu dat het om ‘het ter beschikking stellen van gelden’ gaat. Uit de faxbrief is ook niet af te leiden dat de betrokken contractspartijen – ongeacht wie dat zijn – hebben vastgelegd dát er een geldbedrag terugbetaald moet worden en, als dat zou moeten, wanneer, op welke wijze of onder welke voorwaarden die terugbetaling zou plaatsvinden. De vorderingen van [eiser] tot terugbetaling van de onder vordering I. tot en met III. genoemde bedragen kunnen dan ook niet op grond van de faxbrief worden toegewezen, nog los van het reeds genoemde feit dat evenmin duidelijk is tegen wie [eiser] die vorderingen dan zou moeten instellen.

4.13.

Datzelfde geldt voor de vorderingen onder IV. en V. Weliswaar benoemt de faxbrief dat [eiser] een deel van de winst zou krijgen voor zover de winst de daar genoemde bedragen zou overtreffen, maar de voorwaarden van die afspraken zijn niet nader geconcretiseerd. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk hoe en wanneer de winst bepaald zou worden en per wanneer [eiser] daarop aanspraak zou kunnen maken en op welke wijze die winst aan [eiser] uitbetaald zou worden. Ook is onduidelijk of wordt gedoeld op de helft van de gehele winst boven de daar genoemde bedragen, of slechts op de helft van de winst boven de daar genoemde bedragen voor zover dat toekwam aan erflater (te weten: 25% van de gehele winst, in overeenstemming met het aantal aandelen van erflater in [bedrijf 1] ).

4.14.

Ook de inhoud van de vordering onder VI. kan niet worden afgeleid uit de faxbrief. Allereerst omdat de faxbrief spreekt van “30% aandelen [aandelen 1] , [aandelen 2]”, terwijl daaruit in het geheel niet blijkt welke [aandelen 1] -entiteit met die woorden is bedoeld. [eiser] heeft opgemerkt dat hij ‘vermoedt’ dat de genoemde aandelen in ‘ [aandelen 1] , [aandelen 2] ’ aandelen in [aandelen 1] betreffen. Dit vanwege de inhoud van een faxbericht van 8 december 2000, waarin staat dat die aandelen voor 32% in handen van [bedrijf 8] en voor 32% in handen van [bedrijf 7] zouden zijn en in ieder geval één van die vennootschappen mogelijk aan erflater zou toebehoren. Maar ook [eiser] is kennelijk niet zeker van zijn uitleg van de faxbrief op dit punt. Ten tweede beschrijft de faxbrief niet wat er met die betreffende aandelen zou moeten gebeuren, nu enkel wordt opgemerkt “30% aandelen [aandelen 1] , [aandelen 2] ”. Het is dan ook onduidelijk welk rechtsgevolg de contractspartijen – ongeacht wie dat zijn – daaraan wilden koppelen.

4.15.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat óók als de rechtbank zou oordelen dat de faxbrief door erflater is ondertekend, de inhoud daarvan onvoldoende bepaalbaar is om daarop enige verbintenis tussen erflater en [eiser] te baseren. Dus ook in dat geval zou de faxbrief niet tot toewijzing van de vorderingen kunnen leiden.

De afzonderlijke vorderingen

4.16.

Nu de faxbrief, waarop alle zes vorderingen in de kern waren gebaseerd, in geen geval kan gelden als onderbouwing daarvan, zal hierna per vordering afzonderlijk worden beoordeeld of de vordering kan worden gedragen door het overige, door [eiser] aangevoerde bewijs.

Vordering I: de woning in [plaats]

4.17.

Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 819.670,05 bestaat blijkens zijn toelichting uit de door hem aan erflater betaalde koopprijs van Hfl. 2,7 miljoen (wat gelijk is aan € 1.226.308,40) voor de woning in [plaats] , verminderd met in totaal € 406.638,35 aan kosten voor de woning die door erflater c.q. [bedrijf 1] zijn betaald.

4.18.

In aanvulling op de faxbrief heeft [eiser] (als bijlagen bij de e-mail van 12 september 2018) een aantal documenten in het geding gebracht die betrekking hebben op de aankoop van de woning in [plaats] . Aan de hand daarvan stelt hij dat de woning weliswaar door hem werd gekocht, maar dat deze op naam van erflater is (of zou worden) gezet om deze aan het oog van de fiscus te onttrekken. [eiser] heeft aan erflater in contanten een geldbedrag voldaan ter hoogte van de koopprijs, waarna erflater die gelden voor een ander doel dan betaling van de koopprijs heeft aangewend. Daardoor heeft [eiser] de woning alsnog c.q. nogmaals moeten kopen en betalen. De vereffenaar dient het door [eiser] betaalde aankoopbedrag (verminderd met de door [bedrijf 1] gemaakte kosten) aan hem terug te betalen, aldus steeds [eiser] .

4.19.

[eiser] heeft gesteld dat hij de woning kocht “voor zichzelf of een nader te noemen meester” en dat hij [bedrijf 1] als nader te noemen meester heeft geïntroduceerd. Dat gestelde feit maakt niet dat [eiser] daarmee als vanzelfsprekend ook de kosten van die aankoop voor zijn rekening nam. Verder kunnen de door [eiser] overgelegde documenten bij de e-mail van 12 september 2018 mogelijk relevant zijn bij de vaststelling van de rol die [bedrijf 1] heeft gespeeld bij de aankoop van de woning, maar zij geven er op geen enkele manier blijk van dat [eiser] de aankoopprijs contant aan erflater heeft overhandigd. De rechtbank is daarom met de vereffenaar van oordeel dat op grond van de door [eiser] overgelegde stukken ter onderbouwing van deze vordering en de daarop gegeven toelichting van [eiser] niet kan worden vastgesteld dat erflater het onder 4.17 genoemde geldbedrag in contanten van [eiser] heeft ontvangen.

4.20.

Daar komt bij dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet duidelijk is onder welke titel [eiser] de gestelde gelden aan erflater zou hebben betaald, aangezien in de stukken wordt gesproken van zowel een geldleningsovereenkomst als ook ‘het ter beschikking stellen van gelden’. Nu [eiser] daarover geen duidelijk standpunt heeft ingenomen, kan daaruit evenmin een terugbetalingsverplichting van de vereffenaar (namens de nalatenschap) worden vastgesteld. Op zichzelf leidt het ter beschikking stellen van gelden aan een ontvanger immers niet tot een verplichting voor de ontvanger om die gelden weer aan de gever terug te betalen.

4.21.

Gelet op het voorgaande kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden vastgesteld dat [eiser] op enig moment aan erflater een bedrag van Hfl. 2,7 miljoen in contanten heeft betaald, laat staan dat daaruit een verplichting tot terugbetaling zou voortvloeien. De vordering onder I. zal daarom worden afgewezen.

Vordering II: onroerend goed [aanduiding 2]

4.22.

De vordering inzake het onroerend goed in [aanduiding 2] heeft [eiser] , in aanvulling op de faxbrief, onderbouwd met een verklaring van Zeegers (zie hiervoor onder 2.11) en met de brief van 2 november 2004 (zie hiervoor onder 2.7).

4.23.

Zeegers heeft onder meer verklaard dat [eiser] eind 2002 of begin 2013 op het kantoor van erflater langs kwam met één of twee bruine enveloppen, waar (zo begreep Zeegers destijds van [eiser] ) in contanten een geldbedrag van Hfl. 890.000,00 in zat. Volgens Zeegers heeft [naam 2] de enveloppe(n) aangenomen en in het bureau van erflater gelegd. Ook heeft Zeegers verklaard dat erflater op een later moment aan hem de ontvangst van het betreffende geldbedrag heeft bevestigd.

4.24.

[naam 2] heeft echter verklaard dat zij van [eiser] nimmer een (of meer) enveloppe(n) met contant geld heeft ontvangen en dat zij evenmin een (of meer) enveloppe(n) met contant geld van [eiser] voor erflater in een kastje of lade heeft gelegd.

4.25.

Bij gebreke van een nadere, met stukken onderbouwde, toelichting van [eiser] bestaat geen aanleiding om de verklaring van Zeegers op dit punt zwaarder te laten wegen dan die van [naam 2] . Nu beide verklaringen elkaar hierover tegenspreken kunnen zij niet leiden tot de vaststelling dat [eiser] een bedrag van Hfl. 890.000,00 aan contant geld aan erflater heeft verstrekt.

4.26.

Daarnaast verwijst [eiser] ter onderbouwing van vordering II. naar de brief van 2 november 2004 van mr. Koets. In die brief is namens [bedrijf 1] aan [eiser] meegedeeld dat zij bereid is om een bedrag van Hfl. 890.000,00 (in euro’s) aan [eiser] te betalen, onder voorbehoud van alle rechten, zonder daarmee terzake aansprakelijkheid te erkennen en mits [bedrijf 1] over voldoende middelen zou beschikken. Tot uitbetaling van het genoemde bedrag is het niet gekomen. De rechtbank overweegt dat uit die brief niet blijkt welke titel aan die voorgestelde betaling ten grondslag ligt, laat staan dat uit die brief een titel van geldlening (al dan niet ten behoeve van onroerend goed in [aanduiding 2] ) afgeleid kan worden. Mede in het licht van de in de brief nadrukkelijk gedane mededeling dat met die voorgestelde betaling geen aansprakelijkheid wordt erkend, ziet rechtbank – anders dan namens [eiser] in de e-mail van 12 september 2018 is betoogd – dan ook geen erkenning van enig recht dat [eiser] zou hebben op het genoemde bedrag.

4.27.

Maar zelfs als dat anders zou zijn, dan geldt dat de brief van 2 november 2004 is verstuurd namens [bedrijf 1] en niet namens erflater in privé. Tegenover erflater in privé kan [eiser] aan die (voorwaardelijke) toezegging dus geen rechten ontlenen. Van een dergelijk aanbod aan [eiser] door of namens erflater in privé is niet gebleken.

4.28.

Dit alles leidt tot de conclusie dat ook het aanvullende bewijs dat [eiser] heeft aangedragen – ook indien dit tezamen wordt beoordeeld – niet kan leiden tot toewijzing van de vordering onder II., zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Vordering III: aankoop [aanduiding 3]

4.29.

[eiser] heeft ter zitting gezegd dat hij aan erflater een bedrag van € 1 miljoen heeft geleend voor de aankoop van het [aanduiding 3] . Deze stelling heeft hij, naast de faxbrief die hiervoor reeds is besproken, onderbouwd met de verklaring van Zeegers dat erflater van [eiser] een bedrag van “één miljoen in contanten” zou hebben ontvangen in het kader van de aankoop van het [aanduiding 3] .

4.30.

Vooropgesteld wordt dat Zeegers, ten aanzien van de inhoud van zijn verklaring over het [aanduiding 3] , heeft verklaard dat hij bij nader inzien niet met zekerheid kon zeggen of hij die informatie had gehoord van erflater of van [eiser] . Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van Zeegers, bij gebreke van nadere stukken die deze verklaring onderschrijven, niet tot bewijs kan dienen van enige betaling die [eiser] aan erflater zou hebben gedaan in verband met de aankoop van het [aanduiding 3] . Dat [eiser] de verklaring van Zeegers dat erflater van [eiser] geld zou hebben ontvangen heeft bevestigd, maakt dat – gelet op zijn hoedanigheid van procespartij en de bij Zeegers bestaande twijfel over de herkomst van zijn verklaring – niet anders, de verklaringen zijn immers mogelijk van dezelfde bron afkomstig, [eiser] .

4.31.

Bovendien kan uit de verklaring van Zeegers niet worden afgeleid dat, zou erflater inderdaad het gestelde bedrag van [eiser] hebben geleend, erflater en [eiser] afspraken hebben gemaakt over de terugbetaling daarvan. Dat beeld strookt met hetgeen [eiser] zelf tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, namelijk dat hij met erflater daarover niets had afgesproken. Ook om die reden kan de verklaring van Zeegers niet als bewijs dienen van de stelling dat [eiser] het genoemde geldbedrag aan erflater ter beschikking had gesteld onder de verplichting voor erflater om dat geldbedrag op enig moment weer aan [eiser] terug te betalen.

4.32.

Nu de verklaring van Zeegers onvoldoende is om de stellingen van [eiser] op dit punt te kunnen staven en [eiser] (naast de al besproken faxbrief) geen stukken aan de vordering onder III. ten grondslag heeft gelegd, zal deze worden afgewezen.

Vordering IV: winstrecht [aanduiding 3]

4.33.

[eiser] heeft zijn vordering inzake het gepretendeerde winstrecht met betrekking tot het [aanduiding 3] alleen onderbouwd met de faxbrief. Nu reeds is gebleken dat deze onvoldoende bewijs biedt, behoeft de vordering onder IV. geen verdere bespreking en zal deze worden afgewezen.

Vordering V: winstrecht [bedrijf 5]

4.34.

De vordering inzake het winstrecht ten aanzien van het [bedrijf 5] heeft [eiser] naast de faxbrief onderbouwd met een verwijzing naar de verklaring van Zeegers dat [eiser] volgens erflater als één van de eersten moest worden betaald uit een nieuw verkregen hypothecaire financiering van het [bedrijf 5] . Verder betoogt [eiser] dat het betreffende pand voor een te lage prijs is verkocht. Dat dient er volgens [eiser] toe te leiden dat bij de vaststelling van het winstrecht rekening moet worden gehouden met de reële verkoopprijs van het pand en niet met de prijs waarvoor het pand in werkelijkheid is verkocht.

4.35.

De vereffenaar heeft terecht als verweer aangevoerd dat Zeegers niets heeft verklaard over een winstrecht dat [eiser] zou hebben ten aanzien van het [bedrijf 5] . Uit de (volgens Zeegers) door erflater gedane mededeling dat [eiser] als één van de eersten moest worden betaald, kan immers niet worden afgeleid wat de achtergrond van die betaling zou zijn. Het enkele gegeven dat [eiser] zou worden betaald vanuit een hypothecaire financiering die was verkregen voor het [bedrijf 5] maakt niet dat die betaling daar ook mee zou samenhangen. Van een concrete verwijzing naar een winstrecht is niet gebleken. Verder overweegt de rechtbank dat erflater volgens Zeegers weliswaar zou hebben gezegd dat [eiser] van erflater een geldbedrag zou krijgen, maar het is geheel onduidelijk hoe hoog dat geldbedrag zou zijn geweest. Ook de hoogte van dat geldbedrag kan dus niet als aanwijzing gelden voor de stelling dat de – volgens Zeegers door erflater voorgenomen – betaling zag op de nakoming van een verbintenis tussen [eiser] en erflater betreffende een winstrecht van het [bedrijf 5] (of overigens, gelet op de inhoud van dit vonnis, op de nakoming van een andere verbintenis die volgens [eiser] zou zijn neergelegd in de faxbrief).

4.36.

Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat [eiser] met succes aanspraak kan maken op een winstrecht ten aanzien van het [bedrijf 5] . Bij die stand van zaken behoeft de stelling van [eiser] , dat het pand voor een te laag bedrag is verkocht en dat bij de vaststelling van zijn winstrecht daarmee rekening moet worden gehouden, geen bespreking meer. De vordering onder V. zal worden afgewezen.

Vordering VI: aandelen [aandelen 1] , [aandelen 2]

4.37.

In aanvulling op de faxbrief heeft [eiser] zijn vordering inzake de aandelen van “ [aandelen 1] , [aandelen 2] ” onderbouwd met het faxbericht van 8 december 2000. In het verlengde van wat daarover in 4.14 al is vastgesteld in relatie tot de faxbrief, geldt dat [eiser] aan het faxbericht van 8 december 2000 op zichzelf geen aanspraak kan ontlenen op aandelen in enige [aandelen 1] -entiteit. In dat faxbericht wordt, voor zover hier relevant, immers alleen door erflater opgemerkt dat de aandelen van [aandelen 1] in handen zijn van de drie daar genoemde vennootschappen (niet zijnde vennootschappen die toebehoren aan [eiser] ).

4.38.

Aangezien [eiser] geen andere onderbouwing aan de vordering onder VI. ten grondslag heeft gelegd dan de faxbrief en het faxbericht van 8 december 2000, zal deze – mede in het licht van 4.14 – worden afgewezen.

Verjaring vorderingen I. tot en met III.

4.39.

Voor zover de rechtbank in het voorgaande anders had moeten oordelen, dan geldt ten aanzien van de vorderingen onder I. tot en met III. dat deze zijn verjaard.

4.40.

Ingevolge artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Volgens het tweede lid van deze bepaling begint die vijfjarentermijn in het geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd pas te lopen op de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan.

4.41.

De vereffenaar heeft – onder meer – over de vorderingen onder I. tot en met III., het bevrijdende verweer gevoerd dat die vorderingen zijn verjaard op grond van artikel 3:307 lid 1 BW. Daartegenover heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van artikel 3:307 lid 2 BW, zodat van verjaring thans geen sprake is.

4.42.

De rechtbank is van oordeel dat – voor zover al enige verbintenis tussen [eiser] en erflater zou worden aangenomen – en met [eiser] zou worden aangenomen dat deze strekt tot nakoming na onbepaalde tijd, [eiser] zelf tot opeising van de vordering is overgegaan. Uit de door de vereffenaar overgelegde stukken blijkt dat [eiser] op 14 maart 2005 (tegen [bedrijf 1] ) een dagvaarding heeft uitgebracht, waarin hij betaling vorderde van de vorderingen onder I. tot en met III. [eiser] heeft dus al op 14 maart 2005 nakoming gevorderd van de door hem gepretendeerde vorderingen onder I. tot en met III. Dat hij die vorderingen instelde tegen [bedrijf 1] en niet tegen erflater in privé, maakt dat niet anders. Ongeacht wie als zijn wederpartij zou hebben te gelden, het staat vast dat [eiser] op 14 maart 2005 tot opeising van die vorderingen is overgegaan. Nu is gebleken de vorderingen onder I. tot en met III. in ieder geval op 14 maart 2005 opeisbaar zijn geworden, had [eiser] de verjaring tegen erflater in privé (c.q. de vereffenaar namens de nalatenschap) in ieder geval binnen vijf jaren na die datum moeten stuiten. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [eiser] eerst op 11 november 2014 aan de vereffenaar de memorie van grieven in de hoger beroepsprocedure tegen het vonnis van 11 januari 2006 heeft toegestuurd, onder verwijzing naar een vordering van [eiser] ten aanzien van de vereffenaar. Voor zover deze brief al gezien kan worden als een actie waarmee de verjaring wordt gestuit, zou gelden dat deze pas ruim negen jaar na het opeisbaar worden van de gepretendeerde vorderingen aan de vereffenaar is toegezonden. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] jegens de nalatenschap al voor 11 november 2014 aanspraak heeft gemaakt op de betreffende geldbedragen. Bij die stand van zaken moet worden geconcludeerd dat, zelfs als de vorderingen onder I. tot en met III. gegrond zouden zijn, deze wegens een geslaagd beroep op verjaring alsnog zouden moeten worden afgewezen.

Conclusie en proceskosten

4.43.

Al het voorgaande leidt er toe dat de vorderingen van [eiser] zullen afgewezen.

4.44.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de vereffenaar worden begroot op:

- griffierecht € 1.599,00

- salaris advocaat 7.712,00 (2 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 9.311,00

De nakosten zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

4.45.

Dit alles leidt tot de hiernavolgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de vereffenaar tot op heden begroot op € 9.311,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, rechter, bijgestaan door mr. M. Wiltjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2020.