Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3821

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
13/018830-20 (A) en 13/150232-20 (B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 31-jarige man is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf onder meer omdat hij op 30 december 2019 samen met een ander meermaals op een man schoot toen die wegrende nadat zij hem met geweld hadden geprobeerd te beroven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/018830-20 (A) en 13/150232-20 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 5 augustus 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in de [naam] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 april 2020 en 22 juli 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre en van wat verdachte en zijn raadsman mr. H. Polat naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting en kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Ten aanzien van zaak A

1. medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] door te zeggen “schiet hem, schiet hem, schiet hem in zijn been”, op het onderlichaam en in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten op 30 december 2019 te Amsterdam.

Subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van zware mishandeling

Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling;

2. medeplegen van diefstal met geweld tegen [slachtoffer 1] door een vuurwapen ter hand te nemen, te zeggen “geef gewoon rustig dat geld”, [slachtoffer 1] te slaan/stompen, te zeggen “schiet hem, schiet hem, schiet hem in zijn been” en op [slachtoffer 1] te schieten op 30 december 2019 te Amsterdam

en/of

medeplegen van afpersing van [slachtoffer 1] door een vuurwapen ter hand te nemen, te zeggen “geef gewoon rustig dat geld”, [slachtoffer 1] te slaan/stompen, te zeggen “schiet hem, schiet hem, schiet hem in zijn been” en op [slachtoffer 1] te schieten op 30 december 2019 te Amsterdam.

Ten aanzien van zaak B

1. medeplegen van oplichting van Vodafoneziggo BV door het My Vodafone account van [slachtoffer 2] te hacken, het telefoonabonnement van [slachtoffer 2] te verlengen, een mobiele telefoon (een Iphone 11 Pro Max) te bestellen en het pakketje voor aankomst op het adres van [slachtoffer 2] te onderscheppen in de periode van 17 t/m 18 januari 2020 te Nederland;

2. medeplegen van oplichting van Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV door het My Vodafone account van [slachtoffer 3] te hacken, een mobiele telefoon (een Iphone) te bestellen en het pakketje voor aankomst op het adres van [slachtoffer 3] te onderscheppen in de periode van 16 t/m 17 januari 2019 te Nederland;

3. medeplegen van oplichting van Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV door het My Vodafone account van [slachtoffer 4] te hacken, het telefoonabonnement van [slachtoffer 4] te verlengen en een mobiele telefoon (een Iphone) te bestellen in de periode van 16 t/m 20 januari 2020 te Nederland.

Subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot oplichting;

4. medeplegen van oplichting van Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV door zich voor te doen als klant, de adressen van [naam autobedrijf] te laten wijzigen, drie telefoonabonnementen te verlengen, drie mobiele telefoons (Iphone XS) te bestellen en die telefoons op het gewijzigde adres af te laten leveren in de periode van 12 t/m 16 november 2018 te Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van zaak A

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, alsmede de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing.

3.2.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van zaak A

De raadsman heeft zich – aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnotitie – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft hij aangevoerd dat dit feit niet kan worden bewezen, omdat uit het dossier niet blijkt dat de daders opzet hadden op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het ten laste gelegde. Zo blijkt niet dat op de betreffende dag contact is geweest tussen verdachte en aangever of dat zij elkaar hebben ontmoet. Daarnaast heeft aangever verklaard dat verdachte in een grijze polo zat. Verdachte heeft nooit een grijze polo gehad. Overig bewijsmateriaal dat verdachte zou kunnen linken aan het ten laste gelegde ontbreekt.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen van een poging tot doodslag niet kan worden bewezen. Aangever denkt te hebben gehoord dat de bestuurder van de Polo heeft gezegd schiet hem in zijn been. Dit wordt echter niet ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de bestuurder van de auto geen opzet heeft gehad op de dood van aangever. Ook niet in voorwaardelijke zin. Anders had hij niet gezegd schiet hem in zijn been maar schiet hem neer of schiet hem dood.

3.3.

Standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van zaak B

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4, behalve het medeplegen van feit 3.

3.4.

. Standpunt van de verdediging ten aanzien van zaak B

De verdediging heeft als verweer aangevoerd dat er ten aanzien van de tenlastegelegde feiten slechts sprake is van vermoedens en aannames zodat deze feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.5.

Oordeel van de rechtbank

3.5.1.

Ten aanzien van zaak A

3.5.1.1. Inleiding

Uit het dossier blijkt dat aangever [slachtoffer 1] op 30 december 2019 door de politie bloedend is aangetroffen. Aangever heeft een schotwond in zijn linkerbil en krassen in zijn gezicht en blijkt een contant geldbedrag van ongeveer € 8.000,00 bij zich te hebben. Aangever heeft op dat moment meteen verklaard dat hij die avond om 19:30 uur op de parkeerplaats bij de [adres 1] had afgesproken met een persoon waarmee hij al jaren zaken deed, om telefoons van hem te kopen. Deze persoon reed in een zwarte Volkswagen Polo. Op de achterbank zat een tweede persoon die aangever niet kende. Deze persoon toonde een vuurwapen en vroeg om het geld. Er is een worsteling ontstaan tussen de twee personen en aangever. Aangever is vervolgens weggerend. Hierop heeft de onbekende man tweemaal geschoten.

Dat er tweemaal is geschoten wordt bevestigd door het aantreffen van twee hulzen en een patroon op de parkeerplaats. Ook heeft getuige [getuige 1] twee of drie knallen gehoord. Toen hij uit het raam keek zag hij drie mannen en hij hoorde hen schreeuwen. Vervolgens reed een zwarte auto snel weg. De verklaring van aangever wordt tevens ondersteund door de letselverklaring. Hieruit blijkt dat aangever een schotwond in zijn linker bil heeft, de kogel zit in zijn linker bekkenbot. Daarnaast zijn een schaafwond op zijn rechterwang en een kneuzing op zijn voorhoofd geconstateerd.

3.5.1.2. Aanwezigheid verdachte bij het schietincident op 30 december 2019

Aangever heeft verklaard dat hij kort voor de ontmoeting op 30 december 2019 contact heeft gehad met de persoon met wie hij zaken deed. Uit onderzoek blijkt dat die persoon gebruik maakte van het telefoonnummer [nummer] . De gebruiker van dit telefoonnummer heeft op 30 december 2019 een bericht naar aangever gestuurd met de tekst ‘ben der half 8’. De gebruiker van dit telefoonnummer heeft een profielfoto op WhatsApp waar hij volgens aangever samen met zijn dochter op staat. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met zijn dochter op die profielfoto staat afgebeeld, maar dat hij niet de persoon is die via WhatsApp heeft gecommuniceerd met aangever.

Aangever heeft verder verklaard dat hij voor telefonisch contact met zijn zakenrelatie (NN1) een ander nummer gebruikte dan het genoemde WhatsApp nummer, namelijk [nummer] . Dit nummer blijkt op naam te staan van [naam 1] . Zij is de vriendin van verdachte en heeft samen met hem een dochter. Uit een oude aangifte van de moeder van verdachte blijkt dat zij heeft verklaard dat haar zoon (verdachte) kan worden bereikt op het nummer [nummer] . Uit de historische gegevens van dit telefoonnummer is gebleken dat op 30 december 2019 te 19:44 uur een inkomend gesprek heeft plaatsgevonden met een nummer dat ook op naam staat van [naam 1] . Tijdens dit gesprek wordt de zendmast op de [adres zendmast 1] aangestraald. Dit is in de directe omgeving van het schietincident. Vanaf 30 december 2019 te 19:57 uur is het telefoonnummer buiten gebruik.

Verder onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte in het verleden een zwarte Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken] op zijn naam had staan. Inmiddels staat dit voertuig op naam van zijn moeder. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nog altijd gebruik maakt van deze auto. Deze Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken] is op 30 december 2020 om 19:06 uur, net voor het schietincident, op de A10 bij de Coentunnel geregistreerd. Aan aangever is een politiefoto van verdachte getoond. Aangever heeft hierbij verklaard verdachte te herkennen als de persoon met wie hij al drie à vier jaar zaken doet en met wie hij had afgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het verdachte is geweest die WhatsApp contact heeft gehad met aangever en met hem op 30 december 2019 te 19:30 uur heeft afgesproken. De verklaring van verdachte inhoudende dat hij wel de persoon is op de WhatsApp profielfoto, maar niet met aangever heeft afgesproken, acht de rechtbank – gelet op alle feiten en omstandigheden – ongeloofwaardig.

Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte vervolgens aanwezig is geweest in de auto en bij het schietincident. Verdachte heeft een bericht verstuurd dat hij om 19:30 uur op de afgesproken plek zou zijn. Ook straalt het telefoonnummer waar verdachte gebruik van maakt net na het schietincident een zendmast in de directe omgeving van de plaats delict aan. Aangever heeft verklaard dat zijn zakenrelatie in een zwarte Volkswagen reed en verdachte blijkt gebruik te maken van een zwarte Volkswagen Polo, welke bovendien vlak voor het incident op de ring A10 is geregistreerd. Ten slotte heeft aangever verdachte herkend als zijnde de persoon met wie hij had afgesproken.

3.5.1.3. Poging tot doodslag

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat aangever door de onbekend gebleven aanwezige persoon in de Volkswagen Polo is beschoten terwijl hij rende. De kogel heeft hem in zijn linker bil geraakt en is in het bekken terechtgekomen.

De rechtbank is van oordeel dat de schutter, door met een vuurwapen vanaf een afstand te schieten op een wegrennend persoon, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de wegrennende persoon dodelijk zou worden getroffen, zodat sprake is van een poging tot doodslag. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat een wegrennend persoon onder deze omstandigheden dodelijk zou worden getroffen door een kogel uit het vuurwapen, immers aanmerkelijk te noemen. De schutter wordt hiermee bekend geacht. Desondanks heeft dit hem niet van zijn handelen weerhouden. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een poging tot doodslag.

3.5.1.4. Medeplegen

De volgende vraag waar de rechtbank antwoord op moet geven is of verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de poging tot doodslag en van de hierna te bespreken afpersing.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachte heeft contact gehad met de aangever en met hem afgesproken, naar aangever dacht om hem telefoons te verkopen. Verdachte is met de Volkswagen Polo die op naam staat van zijn moeder naar de afgesproken plek gereden om aangever daar te ontmoeten. Wanneer aangever niet meteen geld overhandigt, laat de onbekende man die ook in de auto zat, een vuurwapen zien. Er ontstaat een worsteling tussen aangever, verdachte en de derde onbekend gebleven persoon. Vervolgens rent aangever weg en zegt verdachte ‘schiet hem, schiet hem, schiet hem in zijn been’.

De rechtbank gaat uit van de verklaring van aangever ook al wordt deze verklaring op dit specifieke punt van de gebruikte bewoordingen niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaring van aangever wordt op veel andere belangrijke punten wel ondersteund. De rechtbank ziet daarom geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangever. Uit hetgeen verdachte heeft gezegd terwijl aangever wegrende, leidt de rechtbank af dat verdachte kennelijk wilde dat er op aangever zou worden geschoten. Ook verdachte moet bekend worden geacht met het feit dat de kans dat een wegrennend persoon onder deze omstandigheden dodelijk kan worden getroffen door een kogel uit het vuurwapen, aanmerkelijk te noemen is.

Gelet op de rol van verdachte voor en tijdens het ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de schutter die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.5.1.5. Onder 2 ten laste gelegde vermogensdelicten

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier blijkt dat het opzet van de daders was gericht op de afgifte van het geld. Zoals hiervoor is gebleken is een afspraak met aangever gemaakt, zijn de daders naar de afgesproken plek gegaan, heeft één van de daders een vuurwapen laten zien, hebben zij geworsteld met aangever en is uiteindelijk op aangever geschoten.

Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanwezig is geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met de onbekend gebleven persoon. De door verdachte verrichte handelingen leveren zonder meer een substantiële bijdrage op aan de poging tot afpersing.

De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen van afpersing dan ook bewezen. Nu niet is gebleken van opzet op het wegnemen van goederen of een geldbedrag, zal verdachte van de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging worden vrijgesproken.

3.5.2.

Ten aanzien van zaak B

3.5.2.1. Inleiding

Uit het dossier blijkt - kort gezegd - dat er My Vodafone accounts worden gehackt. Vervolgens wordt op deze accounts gekeken of die personen een abonnement hebben en of zij in aanmerking komen voor een verlenging daarvan. Online wordt dan aan de hand van die gegevens een abonnement verlengd en een telefoon (Iphone) besteld, waarbij het afleveradres soms ook wordt aangepast. Ook andere gegevens van de echte klant worden gewijzigd. Daarnaast is in een paar zaken telefonisch contact geweest met Vodafone waarbij de beller zich heeft voorgedaan als de echte klant. De telefoons worden vervolgens onderschept bij de postbode dan wel op het aangepaste adres afgeleverd.

3.5.2.2. Aangetroffen telefoons in gebruik bij verdachte

Naar aanleiding van het schietincident – ten laste gelegd in zaak A – heeft in de woning van verdachte op 21 januari 2020 een doorzoeking plaatsgevonden. Hierbij zijn twee telefoons aangetroffen:

- een zwarte iPhone, aangetroffen op een nachtkasje in de slaapkamer (goednummer: 5869490 en telefoonnummer: [nummer] );

- een witte iPhone 5, aangetroffen op het tv meubel in de huiskamer (goednummer: 5869503 en telefoonnummers: [nummer] en [nummer] ).

In de bij de woning geparkeerde Volkswagen Polo is een zwarte iPhone 6s, aangetroffen (goednummer: 5869500 en telefoonnummer: [nummer] ).

Zwarte iPhone aangetroffen op een nachtkastje in de slaapkamer (goednummer: 5869490)

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de telefoon met goednummer 5869490 bij hem in gebruik was en dat hij de enige gebruiker was van deze telefoon. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoon gebruik maakte van het nummer [nummer] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat dit telefoonnummer aan verdachte toebehoorde.

De rechtbank is van oordeel dat ook de andere twee telefoons bij verdachte in gebruik waren en overweegt daartoe het volgende:

Witte iPhone 5 aangetroffen op het tv meubel in de huiskamer (goednummer: 5869503)

Deze telefoon is uitgelezen. Hieruit blijkt dat in de telefoon een contactpersoon staat onder de naam ‘Me Alles’ met de gegevens van [naam 2] . Dit is de vriendin van verdachte. Ook wordt een contactpersoon gevonden onder de naam ‘Zusje’ met als gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] . Uit onderzoek is gebleken dat de zus van verdachte [naam zus] is genaamd. Daarnaast is op de telefoon een filmpje aangetroffen waarop twee vogelkooien met vogeltjes te zien zijn. De verbalisant herkent hierop de woning van verdachte. Dit filmpje is vermoedelijk opgenomen in de woning van verdachte.

Ten slotte is in deze telefoon een chatgesprek gevonden tussen ene [naam 3] en de gebruiker van de telefoon die zichzelf [gebruikersnaam 2] noemt. [gebruikersnaam 2] vertelt in een chat op 1 augustus 2019 aan [naam 3] dat zijn vrouw jarig is. [naam 2] , de vriendin van verdachte, is inderdaad op 1 augustus jarig. [gebruikersnaam 2] noemt in de chat ook dat hij drie kinderen heeft en verdachte heeft drie kinderen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook deze telefoon in gebruik was bij verdachte en dat hij gebruik heeft gemaakt van de telefoonnummers [nummer] en [nummer] .

Zwarte iPhone 6s aangetroffen in de Volkswagen Polo (goednummer: 5869500)

Ten aanzien van deze telefoon heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij deze telefoon in gebruik heeft gehad totdat deze eerder door de politie in beslag was genomen.

De telefoon is aangetroffen in de Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gebruik maakt van deze auto.

Bij het uitlezen van deze telefoon blijkt dat de gebruikersnaam is ‘ [gebruikersnaam 3] ’ en het telefoonnummer in deze telefoon is [nummer] . In de telefoon zijn meerdere foto’s van verdachte met [naam 2] en hun dochter aangetroffen. Ook is een gesprek aangetroffen tussen [naam 4] ( [nummer] ) en een contactpersoon genaamd ‘zusje’, met telefoonnummer [nummer] . In dit gesprek geeft ‘zusje’ haar adres: [adres zusje] . Hier staat [naam zus] ingeschreven. Het telefoonnummer staat geregistreerd onder haar naam. Uit onderzoek in het GBA register blijkt dat [naam zus] maar één broer heeft, zijnde verdachte.

Ten slotte zijn verschillende foto’s en films aangetroffen waarop verdachte is afgebeeld, is er een e-mail gericht aan [naam 5] gevonden en zijn er foto’s van 14 augustus 2018 van een pasgeboren kindje en felicitaties van rond die tijd aangetroffen. De dochter van verdachte is op 14 augustus 2018 geboren.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de telefoon met goednummer 5869500 in gebruik was bij verdachte en hij daarbij gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [nummer] .

3.5.2.3. Ten aanzien van feit 1 ( [slachtoffer 2] )

Het telefoonnummer [nummer] is getapt. Hieruit blijkt dat verdachte op 18 januari 2020 om 14:06 uur en om 16:09 uur heeft gebeld met het telefoonnummer [nummer] . Dit nummer staat op naam van [naam 6] . De telefoon van verdachte straalt op dat moment een zendmast aan op de Blaak in Rotterdam.

Uit de tapgesprekken blijkt dat [naam 6] om 14:06 een postbezorger aanspreekt en vraagt of hij op het adres [adres 2] komt. De bezorger komt daar niet. In het gesprek van 16:09 uur spreekt [naam 6] kennelijk een andere bezorger aan en vraagt ook aan hem of hij op het adres [adres 2] komt. Deze bezorger antwoordt dat hij daar komt, waarop zij kennelijk een nummer laat zien. Te horen is dat de bezorger zegt “ja klopt, [slachtoffer 2] ”, waarop zij een pakket krijgt.

Uit de tapgesprekken blijkt voorts dat verdachte om 16:26 uur een gesprek voert met een persoon die later blijkt te zijn meneer [naam 7] . Verdachte biedt hem een iPhone Max pro te koop aan. Verdachte en de man spreken om 17:15 uur af bij de tandarts. Vervolgens heeft verdachte om 17:36 uur opnieuw telefonisch contact met [naam 6] . Ook zij spreken af bij de tandarts. [naam 7] heeft later verklaard dat hij een iPhone Max pro van verdachte heeft gekocht.

Op het adres [adres 2] is mevrouw [slachtoffer 2] woonachtig. Zij blijkt klant te zijn bij Vodafone. Haar abonnement is via internet verlengd en daarbij is een telefoon besteld. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij zelf niets heeft besteld. Vodafoneziggo B.V. heeft aangifte gedaan van telecomfraude.

Op de iPhone met goednummer 5869503 is een Vodafonebestelling van 17 januari 2020 met emailadres [e-mail adres] .gevonden. Op de iPhone met goednummer 5869490 is een track and trace nummer gevonden dat hoort bij de bestelling voor [slachtoffer 2] .

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte zich samen met een ander heeft voorgedaan als [slachtoffer 2] en op haar naam een telefoon heeft besteld. Vervolgens heeft [naam 6] dit pakketje onderschept en heeft verdachte de telefoon doorverkocht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte door listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid bij het slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze is bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon (iPhone Max Pro). Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte de oplichting in ieder geval met een ander heeft gepleegd. Daarbij was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.

3.5.2.4. Ten aanzien van feit 2 ( [slachtoffer 3] )

Mevrouw [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij op 16 augustus 2019 een SMS bericht heeft ontvangen van Vodafone inhoudende dat haar bestelling is ontvangen. Zij had echter geen bestelling geplaatst. Op 17 augustus 2019 stond postbode [naam 8] bij [slachtoffer 3] aan de deur. Hij bleek een pakketje voor het adres van mevrouw [slachtoffer 3] aan een ander te hebben meegegeven. Wanneer [slachtoffer 3] zich bij Vodafone meldt, blijkt dat haar account is gehackt. [naam 8] heeft verklaard dat hij op 17 augustus 2019 rond 10:40 werd aangesproken door een vrouw die zowel een naam als adres noemde dat correspondeerde met het pakketje dat [naam 8] moest bezorgen. [naam 8] heeft het pakket aan de vrouw meegegeven. De vrouw heeft zich niet gelegitimeerd, maar [naam 8] heeft wel het kenteken van de auto van de vrouw opgeschreven: [kenteken] . Deze auto blijkt op naam van [naam 6] te staan. Op camerabeelden van een buurtbewoner is te zien dat [naam 6] uit haar auto stapt, de postbode aanspreekt, een pakketje overhandigd krijgt en terugloopt naar haar auto.

Uit de telecomgegevens van het nummer [nummer] van verdachte blijkt dat hij om 10:15 uur en 10:17 uur telefonisch contact heeft gehad met [naam 6] . Om 10:32 uur straalt het nummer van verdachte een zendmast in Assendelft aan. Vervolgens heeft verdachte om 10:41 contact met [slachtoffer 1] . Dit is de aangever in zaak A. Uit die zaak is bekend dat [slachtoffer 1] telefoons van verdachte kocht.

Op de in beslag genomen telefoon met goednummer 58669503 wordt in een chatbericht van 16 augustus 2019 tussen [naam 3] en [gebruikersnaam 2] het e-mailadres en een wachtwoord van [slachtoffer 3] aangetroffen. Uit de aangifte van Vodafone blijkt dat dit e-mailadres was gekoppeld aan het My Vodafone account van [slachtoffer 3] .

Schakelbewijs

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van dit feit door de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende feiten als zogenoemd schakelbewijs te gebruiken. Volgens de doctrine en de jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakel-, ketting- of ketenbewijs) toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

De rechtbank vindt het schakelbewijs in de eerste plaats in de werkwijze die verdachte en zijn medeverdachte telkens hebben gehanteerd (modus operandi). Deze is terug te vinden in de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden en komt op de volgende essentiële punten in voorkomende gevallen overeen:

- er wordt ingelogd op een Vodafone account van een bestaande klant;

- in dit account wordt een telefoonabonnement verlengd en daarbij wordt een telefoon (iPhone) besteld;

- het pakketje wordt onderschept door medeverdachte [naam 6] door zich voor te doen als de geadresseerde en aan de postbode te vragen of hij het pakket voor die geadresseerde heeft;

- ten tijde van het onderscheppen van het pakket hebben verdachte en medeverdachte telefonisch contact;

- wanneer het pakket met daarin de telefoon is onderschept, neemt verdachte contact op met een mogelijke koper van de telefoon.

Verdachte heeft het plegen van de feiten ontkend, maar nu dezelfde modus operandi is gebruikt als hierboven is geschetst, acht de rechtbank het feit onder meer op basis van die werkwijze bewezen. Daar komt bij dat de datum van het ontvangen van het chatbericht met de gegevens van [slachtoffer 3] overeenkomt met de datum van bestelling van de telefoon bij Vodafone. Ook ten aanzien van feit 2 komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van oplichting.

3.5.2.5. Ten aanzien van feit 3 ( [slachtoffer 4] )

Op de iPhone met goednummer 5869490, waarvan verdachte heeft verklaard dat hij deze als enige in gebruik had, is een notitie van 16 januari 2020 aangetroffen met gegevens van [slachtoffer 4] . Uit de aangifte van [slachtoffer 4] blijkt dat er op 16 januari 2020 is gepoogd hem op te lichten. Met zijn gegevens is via zijn My Vodafone account zijn bestaande abonnement verlengd en daarbij is een iPhone besteld. Toen [slachtoffer 4] een bevestiging ontving van deze bestelling heeft hij contact opgenomen met Vodafone, omdat hij zelf geen bestelling had geplaatst. De bestelling is door Vodafone geannuleerd waardoor het pakket met de telefoon niet is ontvangen. Vodafone heeft aangifte gedaan van deze oplichting.

Vodafone blijkt te zijn gebeld door het nummer [nummer] . Dit nummer is niet op naam gesteld. De beller heeft zich voorgedaan als [slachtoffer 4] . Uit onderzoek naar dit telefoonnummer blijkt dat deze vaak meereist met het nummer [nummer] , dat in gebruik is bij verdachte. Zo blijkt bijvoorbeeld dat het telefoonnummer [nummer] van de fraudeur op 16 januari 2020 te 15:03 uur gedurende 24 minuten de zendmast op de [adres zendmast 2] aanstraalt. Dit betreft het telefoongesprek met Vodafone. Het telefoonnummer van verdachte ( [nummer] ) straalt vanaf 14:45 uur gedurende 57 minuten dezelfde zendmast aan. Uit een technische actie blijkt dat verdachte op 16 januari 2020 om 13:47 uur met iemand afspreekt bij het Van der Valk hotel te Oostzaan. Deze locatie is vlak bij de zendmast aan de [adres zendmast 2] . Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat het nummer van de fraudeur toebehoort aan verdachte.

De bestelling van 16 januari 2020 op naam van [slachtoffer 4] plus track and trace van PostNL [nummer] met postcode [postcode] is teruggevonden in de iPhone met goednummer 5869503.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte heeft beschikt over de gegevens van [slachtoffer 4] , dat de bestelling waarvan [slachtoffer 4] een bevestigings - sms ontvangt is teruggevonden in één van de telefoons van verdachte en dat de telefoonnummers van verdachte en die waarmee de bestelling is geplaatst gebruik maken van dezelfde masten.

Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien brengt de rechtbank tot de conclusie dat het verdachte is geweest die heeft gebeld met Vodafone, zich heeft voorgedaan als [slachtoffer 4] en op zijn naam een telefoon heeft besteld. Dat het pakketje met de iPhone niet door verdachte is ontvangen doet daar niet aan af. Het goed moet uit de beschikkingsmacht van de ander raken, zonder dat noodzakelijk is dat het in de macht van de oplichter komt. Daarvan is in de onderhavige casus sprake geweest.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van Vodafone door zich voor te doen als [slachtoffer 4] . Verdachte heeft door listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid bij Vodafone een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor Vodafone is bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon.

Nu niet is gebleken dat verdachte het bovenstaande samen met een ander heeft uitgevoerd, zal hij worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

3.5.2.6. Ten aanzien van feit 4 ( [naam autobedrijf] )

In de in de auto aangetroffen telefoon (5869500) zijn berichten gevonden tussen verdachte en zijn zusje. Het zusje van verdachte stuurt op 12 november 2018 zowel haar eigen adres als het adres van haar buurvrouw (respectievelijk [adres buurvrouw] en [adres buurvrouw] ).

Het zusje bericht dat die buurvrouw pakketjes in ontvangst kan nemen en dat zij niet hoeft te weten wat erin zit.

Uit de aangifte van VodafoneZiggo blijkt dat op 13 november 2019 telefonisch contact is opgenomen door iemand die zich voordeed als (medewerker van) [naam autobedrijf] , zijnde een klant van VodafoneZiggo. In dit telefoongesprek is verzocht het adres te wijzigen in [adres buurvrouw] en het e-mailadres aan te passen. Vervolgens zijn via het online account drie abonnementen verlengd en daarbij zijn drie iPhones besteld. Eén van die telefoons is op 14 november 2018 bezorgd. De andere twee pakketjes zouden op 16 november 2018 worden bezorgd. De pakketjes stonden op naam van [naam 9] .

De levering van 16 november 2018 is door de politie gevolgd. Uit observatie blijkt dat de pakketjes inderdaad op [adres buurvrouw] worden afgeleverd en dat deze in ontvangst worden genomen door de bewoner van dat adres, [naam bewoner] . Wanneer de politie met mevrouw [naam bewoner] in gesprek is, komt verdachte het appartement binnen lopen. Verdachte heeft verklaard dat hij daar slechts was om zijn zusje te bezoeken.

Uit de chatgeschiedenis tussen verdachte en zijn zusje blijkt dat verdachte op 13 november 2018 een track and trace code verstuurt waarin de postcode [postcode] wordt genoemd, zijnde de postcode van het adres [adres buurvrouw] . Op 14 november 2018 stuurt hij berichten met de teksten “ [naam 9] ” en “is je naam”. Deze naam wordt op 15 november 2018 nog eens verstuurd. Ook wordt op 15 november 2018 gestuurd “nee we hadden naar voda gebeld”. Op 16 november 2018 stuurt verdachte het bericht “die andere2 komen vandaag”. Ten slotte stuurt hij op 16 november 2018 een bericht naar contactpersoon ‘ [contactpersoon] ’ met daarin een track and trace code.

[naam bewoner] heeft verklaard dat zij op verzoek van haar bovenbuurvrouw [naam zus] twee pakketjes voor haar broer zou aannemen. Op 15 november 2018 heeft zij twee pakketjes ontvangen van een medewerker van Post NL voor de broer van [naam zus] en kort daarna kwam de broer van [naam zus] binnen lopen en werd hij door de politie aangehouden.

De rechtbank stelt vast dat bij VodafoneZiggo telefonisch werd verzocht een adres en het mailadres van klant [naam autobedrijf] te veranderen in het adres [adres buurvrouw] , terwijl verdachte dat adres een dag eerder had ontvangen. Vervolgens zijn via het online account drie abonnementen verlengd en zijn drie iPhones besteld met ‘ [adres buurvrouw] ’ als afleveradres. Verdachte en zijn zusje beschikten over een track and trace code. Verdachte wist dat de pakketjes op 16 november 2018 zouden worden geleverd en heeft gezegd dat hij die komt ophalen. Vervolgens komt hij net na de bezorging van de pakketten het huis op adres [adres buurvrouw] binnenlopen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met zijn medeverdachte zich bij Vodafone heeft voorgedaan als (een medewerker) van [naam autobedrijf]

en het adres van dit bedrijf heeft laten wijzigen in ‘ [adres buurvrouw] ’, via het account van dit bedrijf drie abonnementen heeft verlengd en drie iPhones heeft besteld om vervolgens deze iPhones op het adres [adres buurvrouw] te laten afleveren. Ook hier is Vodafone bewogen tot afgifte van telefoons en derhalve kan ook dit feit worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van zaak A

1.

op 30 december 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met zijn mededader met een auto naar een ontmoeting met die [slachtoffer 1] is toegegaan en die [slachtoffer 1] voorin die auto heeft laten plaatsnemen, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader heeft gezegd ‘schiet hem, schiet hem, schiet hem in zijn been’ en met een vuurwapen, een kogel in het onderlichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten en een kogel in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten;

2.

op 30 december 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag, met zijn mededader met een auto naar een ontmoeting met die [slachtoffer 1] is toegegaan en die [slachtoffer 1] voorin die auto heeft laten plaatsnemen, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader

- een vuurwapen ter hand heeft genomen en

- een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] heeft gericht en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: “Geef gewoon rustig dat geld” en

- die [slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt en

- heeft gezegd: ‘schiet hem, schiet hem, schiet hem in zijn been’ en

- met dat vuurwapen meermalen op die [slachtoffer 1] heeft geschoten;

Ten aanzien van zaak B

1.

in de periode van 17 januari 2020 tot en met 18 januari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, het bedrijf Vodafoneziggo BV heeft bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon (een iPhone 11 Pro Max), hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

- het My Vodafone account van [slachtoffer 2] gehackt en

- zich voorgedaan als klant van Vodafoneziggo BV, te weten als [slachtoffer 2] en

- het telefoonabonnement van die [slachtoffer 2] verlengd en

- daarbij een mobiele telefoon (een iPhone 11 Pro Max) besteld en

- de postbezorger die die telefoon wilde afleveren op het adres van die [slachtoffer 2] heeft aangesproken en

- die postbezorger gevraagd naar een pakketje voor het adres van die [slachtoffer 2] en

- zich daarbij voorgedaan als die [slachtoffer 2] en

- aan die postbezorger iets (mogelijk een (track and trace) code) laten zien, waardoor die postbezorger het postpakket met daarin die mobiele telefoon heeft afgegeven;

2.

hij in de periode van 16 augustus 2019 tot en met 17 augustus 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, het bedrijf Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV heeft bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon (een iPhone), hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

- het My Vodafone account van [slachtoffer 3] gehackt en

- zich voorgedaan als klant van Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV, te weten als [slachtoffer 3] en

- een mobiele telefoon (een iPhone) besteld op naam van en met de (persoons)gegevens van die [slachtoffer 3] en

- de postbezorger die die telefoon wilde afleveren op het adres van die [slachtoffer 3] heeft aangesproken en

- die postbezorger gevraagd naar een pakketje voor het adres van die [slachtoffer 3] , waardoor die postbezorger het postpakket met daarin die mobiele telefoon heeft afgegeven;

3.

in de periode van 16 januari 2020 tot en met 21 januari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen, het bedrijf Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV heeft bewogen tot de afgifte van een mobiele telefoon (een iPhone), hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

- het My Vodafone account van [slachtoffer 4] gehackt en

- zich voorgedaan als klant van Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV, te weten als [slachtoffer 4] en

- met Vodafone gebeld om het abonnement te verlengen en zich daarbij voorgedaan als [slachtoffer 4] en

- een mobiele telefoon (een iPhone) op naam van en met de (persoons)gegevens van die [slachtoffer 4] besteld;

4.

in de periode van 12 november 2018 tot en met 16 november 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, het bedrijf Vodafoneziggo BV heeft bewogen tot de afgifte van drie mobiele telefoon (type Iphone XS), hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

- telefonisch contact opgenomen met Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV en zich voorgedaan als klant van Vodafoneziggo BV/Vodafone Libertel BV, te weten [naam autobedrijf] en

- adressen behorende bij [naam autobedrijf] laten wijzigen in [adres buurvrouw] , [postcode] en het emailadres laten wijzigen in [e-mail adres] en/of

- het My Vodafone account van [naam autobedrijf] gehackt, in elk geval op dat account ingelogd en

- in dat account drie telefoonabonnementen van [naam autobedrijf] verlengd en

- daarbij drie mobiele telefoons (type Iphone XS) besteld en

- die mobiele telefoons laten afleveren op het adres [adres buurvrouw] , [postcode] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

Met verwijzing naar het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft de raadsman geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , waarbij op aangever [slachtoffer 1] is geschoten terwijl hij wegrende. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer ondervindt hier nog steeds de gevolgen van, zo blijkt uit zijn verklaring op de terechtzitting; hij heeft zowel lichamelijke als psychische klachten. Zo lijdt hij aan PTSS en zal hij de rest van zijn leven een kogel in zijn bekkenbot hebben, omdat opereren te veel risico’s met zich brengt. Uit het dossier is gebleken dat verdachte en aangever al jaren zaken deden met elkaar. Aangever vertrouwde verdachte maar ondanks die vertrouwensband heeft verdachte samen met een ander excessief geweld toegepast op aangever. Het schietincident heeft bovendien vroeg in de avond op een parkeerplaats plaatsgevonden. Door het meermaals schieten op de openbare weg is een zeer gevaarlijke en angstaanjagende situatie ontstaan, waarbij van geluk mag worden gesproken dat niet meer (zwaar)gewonden of doden zijn gevallen.

Daarnaast heeft verdachte zich meermaals schuldig gemaakt aan oplichting. Verdachte heeft hierbij op slinkse wijze gebruik gemaakt van inloggegevens van anderen en daarmee dure iPhones besteld. Deze iPhones heeft hij vervolgens in het verkeer gebracht en verkocht voor hoge bedragen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij het vertrouwen van de slachtoffers heeft misbruikt, maar ook dat hij het algemeen vertrouwen in het maatschappelijk en economisch verkeer heeft beschadigd. Verdachte heeft met zijn gedrag alleen zijn eigen (financiële) belangen vooropgesteld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 juni 2020. Hieruit blijkt dat verdachte zich niet eerder heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten slechts kan worden volstaan met het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de gevangenisstraf gekeken naar de hiervoor genoemde omstandigheden en naar de straffen die in soortgelijke zaken (en dan vooral voor poging doodslag) zijn opgelegd. Voor alle bewezenverklaarde feiten vindt de rechtbank vier jaar gevangenisstraf een passende straf.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

In zaak A

- 4 STK munitie (omschrijvingen: 5860807, 5860804, 5860808, 5860811);

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869490, merk: iPhone);

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869500, merk: iPhone 6a);

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869503, merk: iPhone 5);

In zaak B

- 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: 1134283, merk: iPhone).

8.1.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869490, merk: iPhone);

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869500, merk: iPhone 6a);

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869503, merk: iPhone 5);

- 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: 1134283, merk: iPhone),

die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen de in zaak B bewezen geachte feiten zijn begaan.

8.2.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: munitie, dat aan verdachte toebehoort, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte in zaak A begaand misdrijf, terwijl dit voorwerp kan dienen tot begaan van soortgelijke misdrijven en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 11.518,01 aan schadevergoeding, bestaande uit € 1.518,01 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade voldoende is onderbouwd en dat deze in zijn geheel voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier gesteld dat de vordering moet worden gematigd en dat een bedrag ter hoogte van € 7.500,- voor toewijzing in aanmerking komt. Het toe te wijzen bedrag zal moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel zal moeten worden opgelegd. De benadeelde partij moet voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

De raadsman heeft – gelet op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken – bepleit dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- Eigen Risico 2019 : € 335,35

- Eigen Risico 2020 : € 385,00

- Ziekenhuisdaggeldvergoeding : € 60,00

- Schoenen : € 177,00

- Broek : € 99,95

- Uber : € 72,89

- Krukken : € 34,38

- Fitness abonnement : € 129,96

- Pleisters : € 35,94

- Douchekruk : € 32,50

- Parkeerkosten SHN : € 5,48

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade voor de autoverzekering niet in aanmerking voor vergoeding komt, omdat naar het oordeel van de rechtbank geen causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en het betalen van een autoverzekering. De vordering tot materiële schadevergoeding zal daarom tot een bedrag van in totaal € 1.368,45 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 30 december 2019.

Naar het oordeel van de rechtbank staat ook vast dat door het bewezenverklaarde aan [slachtoffer 1] rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft hij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien [slachtoffer 1] ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit. Daarnaast is gebleken dat aangever nog altijd last heeft van psychische klachten als flashbacks, verhoogde alertheid en spanning. Om die reden heeft hij behandelingen van een psycholoog ondergaan. Volgens de DSM-5 lijkt er sprake te zijn van posttraumatische stressstoornis.

Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, waarbij de rechtbank ook heeft gekeken naar de bedragen die worden toegekend door het Schadefonds Geweldsmisdrijven, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 7.500,-. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 30 december 2019. De vordering tot immateriële schadevergoeding zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de vordering van [slachtoffer 1] wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [slachtoffer 1] wordt, als extra waarborg voor betaling van het schadevergoedingsbedrag van € 8.868,45 de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287, 317, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A, onder 1

Medeplegen van poging tot doodslag;

Ten aanzien van zaak A, onder 2:

Medeplegen van poging tot afpersing;

Ten aanzien van zaak B, onder 1, 2, 3 en 4:

Medeplegen van oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869490, merk: iPhone);

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869500, merk: iPhone 6a);

- 1 STK GSM (omschrijving: 5869503, merk: iPhone 5);

- 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: 1134283, merk: iPhone).

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 4 STK munitie (omschrijvingen: 5860807, 5860804, 5860808, 5860811).

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 8.868,45 (zegge: achtduizend achthonderdachtenzestig euro en vijfenveertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 30 december 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening. Het voornoemde bedrag bestaat voor een deel, groot € 1.368,45, uit materiële schade en voor een deel, groot € 7.500,-, uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt op aan verdachte de verplichting, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 8.868,45 (zegge: achtduizend achthonderdachtenzestig euro en vijfenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 30 december 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast tot een maximum van 79 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en B.M. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2020.