Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3790

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
AMS 20/1626, 20/1732 (beroepen); 20/2884, 20/2885 VoVo
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herziening Wlz-indicatie VG03 naar VG02 n.a.v. ambtshalve herindicatie kan geen stand houden, omdat het CIZ niet heeft aangetoond dat sprake is van een verbetering in de gezondheidssituatie. Het besluit op bezwaar wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen, zodat verzoeker weer een indicatie heeft voor zorgzwaartepakket VG03. Gelet daarop moet het Zorgkantoor een nieuw besluit op bezwaar nemen over het pgb aan de hand van de VG03-indicatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2020/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/1626 (beroep indicatiebesluit), AMS 20/1732 (beroep persoonsgebonden budget), AMS 20/2884 (voorlopige voorziening indicatiebesluit) en AMS 20/2885 (voorlopige voorziening persoonsgebonden budget)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2020 in de zaken tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Baadoudi),

en

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder I

hierna te noemen: het CIZ

(gemachtigde: mr. J. Koedood),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder II

hierna te noemen: het Zorgkantoor

(gemachtigde: mr. S. Gezer).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2019 (het primaire besluit I) heeft het CIZ het zorgzwaartepakket waar verzoeker voor was geïndiceerd gewijzigd van VG03 (Wonen met begeleiding en verzorging) naar VG01 (Wonen met enige begeleiding) met ingang van 1 februari 2020.

Bij besluit van 4 november 2019 (het primaire besluit II) heeft het Zorgkantoor verzoeker een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend tot 2 februari 2020.

Verzoeker heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de voorzieningenrechter op 18 december 2019 de voorlopige voorzieningen getroffen dat de primaire besluiten worden geschorst tot zes weken nadat op de bezwaren is beslist.1

Bij besluit van 25 februari 2020 (het bestreden besluit I) heeft het CIZ het bezwaar van verzoeker deels gegrond verklaard en het zorgzwaartepakket gewijzigd naar VG02 (Wonen met begeleiding).

Bij besluit van 19 maart 2020 (het bestreden besluit II) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van verzoeker deels gegrond verklaard en bepaald dat het pgb van verzoeker met ingang van 7 april 2020 wordt beëindigd.

Verzoeker heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken de Wlz‑indicatie VG03 en het tot 7 april 2020 toegekende pgb voort te zetten tot zes weken na de uitspraak op de beroepen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het CIZ en het Zorgkantoor zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Daarnaast was namens het Zorgkantoor aanwezig [de persoon] .

Overwegingen

Kortsluiten

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen.

Waar gaat het in deze procedures over?

2.1

Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1990 en woont in Amsterdam in een studio van [bedrijf 1] . Daar krijgt hij drie keer per week op vaste tijden ambulante begeleiding en is 24 uur per dag begeleiding op afroep beschikbaar. Deze begeleiding ontvangt verzoeker op basis van een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) van 1 juli 2013, waarin bepaald is dat aan verzoeker het zorgzwaartepakket VG (verstandelijk gehandicapt) 03 wordt verstrekt tot 30 juni 2028. Het CIZ geeft het indicatiebesluit af. Verzoeker maakt gebruik van het indicatiebesluit door zijn zorg met een pgb in te kopen bij [bedrijf 1] . Het Zorgkantoor gaat over de toekenning van het pgb.

2.2

In september 2019 heeft het CIZ aangekondigd ambtshalve onderzoek te zullen instellen naar herindicatie van het indicatiebesluit. De medisch adviseur van het CIZ heeft vervolgens een advies uitgebracht op basis van een huisbezoek en het medisch dossier van verzoeker. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat onvoldoende onderbouwing is voor een grondslag verstandelijke handicap. Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek heeft het CIZ met het primaire besluit I de indicatie van verzoeker herzien van VG03 naar VG01. Als gevolg van deze herziening heeft het Zorgkantoor in het primaire besluit II bepaald dat verzoeker slechts een pgb krijgt tot 2 februari 2020.

2.3

In bezwaar heeft een medisch adviseur van het CIZ een aanvullend advies uitgebracht. Daarin staat dat op basis van het verhaal en de geschiedenis van verzoeker is te stellen dat hij waarschijnlijk een [niveau] heeft. Dit leidt echter niet tot een grondslag VG, omdat verzoeker geen intensieve begeleiding nodig heeft op één van de levensgebieden. Ook bestaat geen noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid.

2.4

In het bestreden besluit I heeft het CIZ vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de toegangscriteria voor de Wlz vanwege het ontbreken van een grondslag en de (blijvende) noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid. Verzoeker heeft daarom geen toegang meer tot het zorgprofiel VG03. Wel heeft hij op grond van het overgangsrecht uit bijlage F van de Regeling langdurige zorg toegang tot de lage zorgprofielen. Volgens het CIZ is zorgprofiel VG02 (Wonen met begeleiding) het meest passend en niet het in het primaire besluit I geïndiceerde VG01. Het CIZ heeft daarom de indicatie VG02 voor onbepaalde tijd afgegeven vanaf 7 april 2020. Omdat het CIZ de indicatie VG02 heeft toegekend, heeft het Zorgkantoor het pgb van verzoeker in het bestreden besluit II met ingang van 7 april 2020 beëindigd. Bij het zorgprofiel VG02 komt men namelijk alleen in aanmerking voor verblijf.

Indicatiebesluit

3.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat het CIZ de herziening van het indicatiebesluit heeft gebaseerd op de beoordeling dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden gesteld en dat verzoeker niet is aangewezen op 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 oktober 2019 kan enkel het niet langer aangewezen zijn op de geïndiceerde zorg een reden zijn voor intrekking of herziening van een indicatiebesluit.2 De voorzieningenrechter zal zich in deze uitspraak daarom beperken tot de toetsing van het standpunt van het CIZ dat verzoeker niet langer aangewezen is op de geïndiceerde zorg. Op de zitting heeft het CIZ namelijk toegelicht dat de omstandigheid dat verzoeker niet is aangewezen op 24 uur zorg in de nabijheid, ertoe leidt dat hij niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg. De beroepsgronden over de grondslag verstandelijke handicap worden dus niet besproken.

3.2

Het CIZ stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd was het indicatiebesluit te herzien. Bestuursorganen hebben namelijk altijd de bevoegdheid om ambtshalve een herindicatie onderzoek uit te voeren. Dit volgt uit rechtspraak. Daarnaast heeft de wetgever het wenselijk gevonden een specifieke grondslag over het herzien of intrekken van indicatiebesluiten op te nemen in artikel 3.2.4 van de Wlz. Dit blijkt uit paragraaf 9.2 van de Memorie van Toelichting (MvT).3Dat aan verzoeker eerder een indicatie VG03 is toegekend, maakt dus niet dat het CIZ deze indicatie niet zou mogen herzien. In dit geval is volgens het CIZ voldaan aan de eisen voor herziening, omdat uit de adviezen van de medisch adviseurs blijkt dat geen noodzaak bestaat tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid. Toen de indicatie in 2013 werd afgegeven, bestond deze noodzaak wel. Destijds woonde verzoeker bij [bedrijf 2] , waar hij 24 uur zorg kreeg. Uit de beschikbare (medische) informatie volgt dat verzoeker sindsdien een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zo krijgt verzoeker bij [bedrijf 1] drie keer per week ambulante begeleiding en daarnaast ontvangt hij zorg op afroep. Omdat verzoeker zelf aangeeft wanneer hij een hulpvraag heeft, is geen sprake meer van verlening van zorg op initiatief van de zorgverlener omdat anders sprake kan zijn van ernstig nadeel. Verzoeker ontvangt weliswaar ondersteuning bij huishoudelijke en algemene dagelijkse levensverrichtingen, maar niet zodanig dat overname nodig is. Verder heeft verzoeker veel sociale contacten en werkt hij bij een [winkel] . Ook kan hij zelfstandig reizen, wat wordt bevestigd door het feit dat hij zelf naar de zitting over deze procedure is gekomen. Uit deze omstandigheden blijkt dat verzoeker niet langer 24 uur per dag toezicht of zorg in de nabijheid nodig heeft. Wel heeft verzoeker begeleiding en ondersteuning nodig, maar die zorg valt niet onder de Wlz.

3.3

In artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz staat dat het CIZ een indicatiebesluit kan herzien dan wel intrekken indien het CIZ vaststelt dat de verzekerde niet langer op de geïndiceerde zorg is aangewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat het CIZ op grond van dat artikel de bevoegdheid heeft een indicatiebesluit te herzien. Het gaat in deze zaak om de beoordeling van de wijze waarop het CIZ deze bevoegdheid in het bestreden besluit I heeft gebruikt. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat een besluit tot herziening van een Wlz-indicatie een belastend besluit is. Het is daarom aan het CIZ om aan te tonen dat verzoeker niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg.

3.4

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het CIZ hier niet in geslaagd. Zoals de rechtbank Overijssel in haar uitspraak van 10 maart 2020 heeft overwogen, volgt uit de MvT bij artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz4 dat de wetgever er expliciet voor gekozen heeft het CIZ bij een lopende Wlz-indicatie alleen dan de bevoegdheid te geven de indicatie in te trekken of te herzien als sprake is van een verbetering in de gezondheidssituatie van de betrokkene.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CIZ niet heeft aangetoond dat hiervan bij verzoeker sprake is. Daarbij is van belang dat uit de medische adviezen en het bestreden besluit I onvoldoende blijkt hoe de gezondheidssituatie van verzoeker de afgelopen jaren was. Omdat dit niet duidelijk is, kan dus ook niet worden vastgesteld of de gezondheidssituatie van verzoeker inderdaad is verbeterd. Ook de stelling van het CIZ dat sprake is van verbetering gelet op de huidige zorgomvang, is onvoldoende om deze conclusie te kunnen dragen. Uit het verrichte onderzoek blijkt namelijk niet wat de oorzaak is voor de door het CIZ gestelde vermindering van de zorgomvang. Dat verzoeker nu niet in aanmerking zou komen voor een Wlz-indicatie als hij nu een eerste aanvraag zou doen, zoals de gemachtigde van het CIZ op de zitting heeft opgemerkt, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. In dit geval is immers geen sprake van een toelatingssituatie, maar van herziening van een reeds toegekende indicatie onder de AWBZ die valt onder het overgangsrecht.

3.5

Hieruit volgt dat het CIZ het bestreden besluit I onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarom vernietigt de voorzieningenrechter het bestreden besluit I en verklaart zij het beroep tegen dit besluit gegrond. Daarnaast herroept de voorzieningenrechter het primaire besluit I. Dat betekent dat verzoeker weer een indicatie heeft voor zorgzwaartepakket VG03, zoals is toegekend bij het besluit van 1 juli 2013.

Het persoonsgebonden budget

4. Omdat uit het voorgaande volgt dat de herziening van het indicatiebesluit onvoldoende is gemotiveerd, kan ook het bestreden besluit II niet langer standhouden. Daarom is het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond en vernietigt de voorzieningenrechter dat besluit. De voorzieningenrechter draagt het Zorgkantoor daarbij op een nieuw besluit op bezwaar te nemen aan de hand van de VG03-indicatie. De voorzieningenrechter stelt hiervoor een termijn van twee weken.

Voorlopige voorzieningen

5. Omdat de voorzieningenrechter met deze uitspraak op de beroepen beslist, bestaat geen aanleiding voorlopige voorzieningen te treffen. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af.

Proceskosten en griffierecht

6. Omdat de voorzieningenrechter de beroepen gegrond verklaart, bepaalt zij dat het CIZ en het Zorgkantoor aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter het CIZ in de door verzoeker gemaakte proceskosten, omdat de vernietiging van het door het Zorgkantoor genomen bestreden besluit II het rechtstreekse gevolg is van de vernietiging door het CIZ genomen bestreden besluit I. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1575,- (1 punt voor het indienen van twee samenhangende bezwaarschriften, 1 punt voor het indienen van het indienen van twee samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer AMS 20/1626

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I;

  • -

    herroept het primaire besluit I;

  • -

    draagt het CIZ op het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het CIZ in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1575,-.

De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer AMS 20/1732

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    draagt het Zorgkantoor op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het Zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoeker te vergoeden.

De voorzieningenrechter, in de zaken met zaaknummers AMS 20/2884 en AMS 20/2885

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.C.H. Hersbach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2020.

griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op de beroepen kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Tegen de uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

1 Zaaknummers AMS 19/6291 en AMS 19/6292.

2 ECLI:NL:CRVB:2019:3445.

3 Kamerstukken II, 2013/14, 33891, nr. 3.

4 Kamerstukken II, 2013/14, 33891, nr. 3, p. 152.

5 ECLI:NL:RBOVE:2020:1076.