Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3687

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
13/303658-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GS 15 maanden, waarvan 7 maanden vw. Bezit en verhandelen van harddrugs, eenvoudig witwassen en bezit vuurwapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/303658-19 (Promis)

Datum uitspraak: 17 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisadministratie personen op het adres [adres] in [woonplaats] ,

gedetineerd in [detentieplaats] .

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 3 juni 2020. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. van der

Willigen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.J. Oosterhagen, naar voren hebben

gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is - na de wijziging tenlastelegging - ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1: verhandelen van cocaïne en/of MDMA in de periode van 1juni 2019 tot en met 20

december 2019;

Feit 2: aanwezig hebben van 1227,88 gram cocaïne, 2,43 gram en vier pillen MDMA op 20

december 2019;

Feit 3: witwassen (primair) / eenvoudig witwassen (subsidiair) van € 21.655,62 in de periode

van 25 november 2018 tot en met 20 december 2019;

Feit 4: Het voorhanden hebben van een vuurwapen (omgebouwd gas/alarmpistool) en 25

omgebouwde patronen op 20 december 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt

als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten bewezen. De officier van justitie vraagt

vrijspraak voor feit 3 primair. Daarnaast vraagt zij ten aanzien van feit 1 partiële vrijspraak, wat

betreft de handel in MDMA en de ten laste gelegde periode vóór 1 augustus 2019. Zij heeft

daartoe het volgende aangevoerd.

Feit 1 (verhandelen drugs)

Tijdens de doorzoeking is in totaal 1227,88 gram cocaïne en 2,43 gram MDMA aangetroffen.

Daarnaast zijn een weegschaal met resten wit poeder, een rietje en lege wikkels in de woning

gevonden.

Uit historische gegevens van de telefoon van verdachte met het nummer [telefoonnummer 1] , over de periode 1 juni 2019 tot en met 1 november 2019, blijkt dat verdachte veelvuldig telefonisch contact heeft met bekende harddrugsgebruikers. Veel van de opgenomen en afgeluisterde gesprekken gaan voornamelijk over ergens afspreken, of over het feit dat verdachte “nodig” is.

Er wordt gesproken over de levering van “kaas”, “5 pennen”, ‘1” en “dingetjes”. Er zijn

verschillende observaties verricht op verdachte in de onderzoeksperiode. De observaties in

combinatie met de opgenomen en uitgeluisterde gesprekken, tonen een beeld van verdachte die

kort achter elkaar meerdere korte ontmoetingen heeft met personen. In een aantal gevallen

wordt gezien dat iets wordt overgedragen. Deze korte bezoeken en ontmoetingen met de daarbij

waargenomen overdrachten, in combinatie met de aangetroffen verdovende middelen in de

woning. de wijze waarop deze verdovende middelen waren verpakt (de aangetroffen wikkels),

het weegschaaltje met daarbij het aangetroffen rietje en veel cash geld staat vast dat verdachte

heeft gehandeld in cocaïne.

Gelet op de verklaring van verdachte op zitting, inhoudende dat de aangetroffen MDMA voor

eigen gebruik was bedoeld, moet verdachte worden vrijgesproken van het handelen van

MDMA.

Op basis van de medische stukken volgt dat verdachte tot 18 juni 2019 in het ziekenhuis heeft

gelegen, en daarna gestart is met revalidatie. De periode die kan worden bewezen wordt om die

reden ingekort van 1 augustus 2019 tot en met 20 december 2019. Verdachte moet worden

vrijgesproken van de periode vóór 1 augustus 2019.

Feit 2 (bezit drugs)

Op basis van het aantreffen van de verdovende middelen in de woning van verdachte, de

vaststelling dat het daadwerkelijk om cocaïne en MDMA gaat in combinatie met de bekennende

verklaring van verdachte kan feit 2 bewezen worden verklaard.

Feit 3 subsidiair (eenvoudig witwassen)

Verdachte heeft een geldbedrag van € 21.655,62 witgewassen in de periode van 25 november

2018 tot en met 25 november 2019, bestaande uit het in beslag genomen contante geldbedrag

van € 5.999,85 en de contante stortingen van €1 5.656,77 op de bankrekening van verdachte.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode geld heeft gekregen

van zijn broer. Daarnaast zou zijn mantelzorger contante stortingen hebben gedaan als

terugbetaling voor het gebruik van de bankpas van verdachte voor persoonlijke uitgaven. Deze

verklaring over de herkomst van het geld is niet aannemelijk.

Verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair, omdat de inkomsten van verdachte

afkomstig zijn van zijn eigen handel in harddrugs. Door het verwerven en het voorhanden

hebben van het contante geldbedrag en de contant gedane stortingen, welke bedragen

onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, heeft verdachte zich

wel schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen.

Feit 4 (bezit vuurwapen en munitie)

In de berging van de woning is een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen. Verdachte heeft over de aanwezigheid van het wapen een bekennende verklaring afgelegd. Hij

was zich bewust van het wapen en de munitie en had hierover de beschikkingsmacht.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig zijn pleitnota - bepleit dat verdachte vrijgesproken moet

worden van de feiten 1 en 3. Ten aanzien van de feiten 2 en 4 stelt de raadsman dat een

bewezenverklaring kan volgen. Met betrekking tot de feiten 1 en 3 heeft hij het volgende

aangevoerd.

Vrijspraak feit 1 (verhandelen drugs)

De ten laste gelegde periode vindt geen onderbouwing in het strafdossier. Uit het medisch

dossier volgt dat verdachte pas op 12 september 2019 weer zonder krukken kon lopen. De

observaties hebben plaatsgevonden vanaf 6 december 2019 en de telefoongesprekken zijn niet

eerder opgenomen dan na 9 december 2019. Deze informatie levert geen aanwijzingen op voor drugshandel in de periode vóór december 2019.

Er is geen bewijs voor het ten laste gelegde bereiden/bewerken/verwerken. Verdachte heeft ook geen drugs verkocht, verstrekt, vervoerd of afgeleverd. Uit het merendeel van de observaties van de politie volgt dat zij geen overdracht zien. Op 6 december 2019 zien de observanten verdachte een onbekende persoon ‘iets’ geven, maar zij kunnen niet waarnemen wat verdachte geeft. Op 20 december 2019 nemen de observanten waar dat verdachte een opgevouwen papiertje overhandigt, maar zij zien niet dat de persoon iets teruggeeft aan verdachte. Bij het verkopen van drugs wordt niet alleen drugs gegeven, maar moet ook voor de drugs worden betaald.

Vrijspraak feit 3 (witwassen)

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zou hebben gehandeld in drugs in de periode van 1 juni 2019 tot 20 december 2019.

In de periode vóór 1juni 2019 is € 11.700 op de rekening van verdachte gestort. Er is geen

enkel aanknopingspunt dat het hier gaat om geld afkomstig uit een misdrijf. Het geld is

afkomstig uit inkomsten uit arbeid van de gokhal, giften van familieleden, stortingen van [naam mantelzorger] als mantelzorger en spaargeld van de dochter van verdachte.

Ter aanvulling heeft verdachte op zitting verklaard dat hij zijn auto heeft verkocht voor

€ 6.000,-. De verkoopprijs heeft hij contant verkregen. Ook had hij nog spaargeld in huis liggen. Dat was afkomstig van de verkoop van de gokhal in 1994 en de exploitatie in 1996. Verdachte stortte steeds geld op zijn bankrekening voor de betaling van de vaste lasten. Zijn broer heeft verdachte ook geld gegeven. Zijn mantelzorger [naam mantelzorger] stortte het geld dan op zijn rekening. Toen [naam mantelzorger] boodschappen voor verdachte deed, betaalde [naam mantelzorger] zijn privé-uitgaven ook regelmatig met de bankpas van verdachte. [naam mantelzorger] stortte dat geld later weer terug op de rekening van verdachte.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Feiten en omstandigheden

Op 10 oktober 2019 krijgt de politie een MMA-melding binnen, met informatie:

“Grote cocaïnedealer in Amsterdam. In Amsterdam wordt al vele jaren in cocaïne gedeald

door een man genaamd [verdachte] (fon), wonende in de [adres] . [verdachte] bestelt bij zijn leverancier doorgaans 1 tot 2 kilo cocaïne per

keer. Hij verstopt de cocaïne in zijn woning in een kast in de huiskamer. Doorgaans is hij vanaf

ongeveer 14.00 uur actief Hij bezorgt de cocaïne ook op bestelling op zijn grijze scooter van

het merk Peugeot . Deze scooter staat doorgaans geparkeerd op het [straatnaam] . Het telefoonnummer van zijn drugslijn is [telefoonnummer 2] . Ook kan hij mogelijk gebruik maken van

het telefoonnummer [telefoonnummer 3] .”

De politie verricht onderzoek naar het telefoonnummer en het adres. Verdachte blijkt te wonen

op het genoemde adres en maakt gebruik van het nummer [telefoonnummer 2] . Ook blijkt verdachte

een bromfiets op zijn naam te hebben staan. Uit onderzoek volgt verder dat in 2015 en 2017

MMA-meldingen zijn binnengekomen over de bewoner van [adres] , inhoudende

dat hij drugs zou dealen vanuit zijn woning.

Op basis hiervan zijn observaties door de politie verricht, is een technische actie aangesloten

op het telefoonnummer van verdachte en zijn historische gegevens opgevraagd. Tijdens

observaties wordt door de politie waargenomen dat verdachte op zijn bromfiets naar

verschillende personen rijdt en iets aan hen overhandigt. In telefoon- en WhatsAppgesprekken

tussen verdachte en personen wordt gesproken over locaties en tijdstippen, waarop verdachte

bij hen kan zijn. De personen vragen verdachte om ‘kaas’ en dingetjes’. De personen waarmee

verdachte contact heeft, staan bij de politie geregistreerd als harddrugsgebruikers.

Op 20 december 2019 wordt verdachte aangehouden, nadat de politie ziet dat verdachte een

wikkel geeft aan een persoon. Bij de fouillering worden bij hem tien wikkels met wit poeder en

€ 105 in contanten aangetroffen. Aansluitend wordt de woning van verdachte doorzocht. In een

kast in de huiskamer worden wikkels met wit poeder, pillen, kristalvormig poeder, een

weegschaaltje met resten wit poeder en lege wikkels gevonden. Verder wordt in de woning een

hoeveelheid contant geld (€ 5.894,85) aangetroffen. In de berging wordt een omgebouwd

alarmpistool en munitie gevonden. In een andere berging worden in een kluis twee

boodschappentassen met 1,2 kg samengeperst wit poeder aangetroffen.

Uit forensisch drugsonderzoek blijkt dat de wikkels en boodschappentassen uit de kluis 1227,88

gram cocaïne bevatten. Het kristalvormig poeder (2,43 gram) en de pillen bevatten volgens het

onderzoek MDMA.

3.3.2.

Beoordeling feit 3: witwassen

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres] in [woonplaats]

op 20 december 2019 is in de woonkamer een geldbedrag van € 5.894,85 aangetroffen. Dit

bedrag zat in verschillende doosjes in een kast in de woonkamer. Het geld werd in het bijzijn

van harddrugs, verpakkingsmateriaal en een weegschaaltje met resten wit poeder aangetroffen.

Bij de fouillering van verdachte op 20 december 2019 is € 105,00 gevonden. Uit een analyse

van de bankgegevens van verdachte over de periode van 25 november 2018 tot en met 20

december 2019 komt naar voren dat in die periode contante stortingen zijn gedaan voor een

bedrag van € 15.656,77. Verdachte ontvangt geen inkomen of uitkeringen.

Vrijspraak feit 3 primair (opzet/schuldwitwassen)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet

worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Niet is gebleken dat verdachte één of

meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of

verhullen van de criminele herkomst van het geld.

Bewezenverklaring feit 3 subsidiair (eenvoudig witwassen)

In deze zaak kan geen directe link worden gelegd tussen een bepaald misdrijf en de contante

stortingen en aangetroffen geldbedragen. Verdachte wordt namelijk vrijgesproken van het

verstrekken van cocaïne in de periode vóór 1 oktober 2019. De rechtbank komt wel tot een

bewezenverklaring voor het verstrekken van cocaïne in de periode van 1 oktober 2019 tot en

met 20 december 2019. Uit het dossier is echter onvoldoende gebleken dat verdachte geld heeft

gekregen voor de cocaïne.

Omdat direct bewijs voor een criminele herkomst van het geld ontbreekt, dient zich de vraag

aan of sprake is van een vermoeden van (eenvoudig) witwassen. Als dat het geval is, mag van

de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die

niet zó onwaarschijnlijk is dat zij zonder meer terzijde kan worden geschoven. Ontbreekt een

dergelijke verklaring dan kan eenvoudig witwassen in beginsel worden bewezen verklaard.

In de woning van de verdachte is een contant geldbedrag van in totaal € 5.894,85 aangetroffen,

verdeeld over verschillende doosjes in de kast in de woonkamer. Dit bedrag wordt aangetroffen

in het bijzijn van harddrugs, verpakkingsmateriaal en een weegschaaltje met resten wit poeder.

Het bewaren van een dergelijk contant geldbedrag in een woning is op zichzelf al tamelijk

ongebruikelijk. Verder is een bedrag van € 15.656,77 contant gestort in een periode van een

jaar. Verdachte had geen aantoonbaar legaal inkomen in de periode van de contante stortingen

en de vondst van het geld in zijn woning.

Deze feiten en omstandigheden, in samenhang met zijn bewezen geachte handel in verdovende

middelen, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een vermoeden van eenvoudig

witwassen van opbrengsten uit eigen misdrijf. Nu er voldoende feiten en omstandigheden zijn

om het vermoeden van witwassen te rechtvaardigen, mag van verdachte een verklaring worden

verlangd voor de herkomst van het geld.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat het geldbedrag zou bestaan uit inkomsten uit arbeid

van de gokhal, giften van familieleden, stortingen van zijn mantelzorger (zijnde

terugbetalingen) en spaargeld van de dochter van verdachte. Daarnaast zou verdachte contante

opbrengsten van zijn auto ter hoogte van € 6.000,- en spaargeld van de verkoop van de gokhal

thuis hebben liggen. Verdachte stortte geld op zijn rekening om de vaste lasten te betalen, en

heeft zijn mantelzorger ook gevraagd om contant geld op zijn rekening te storten.

Verdachte heeft pas op zitting een verklaring gegeven over de herkomst van het geld, zonder

enige (schriftelijke) onderbouwing. De rechtbank is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat

de mantelzorger geld van zijn rekening heeft gebruikt voor privéuitgaven ter hoogte van de

gestorte bedragen. Ook is het niet aannemelijk dat verdachte giften van zijn broer in delen op

de rekening contant liet storten en dat verdachte nog gelden, afkomstig van de verkoop van zijn

gokhal in 1994/1996, in huis had liggen. Omdat verdachte pas op zitting een verklaring heeft

afgelegd, was het op voorhand niet mogelijk om onderzoek te verrichten. Daardoor is geen

sprake van een aannemelijke of verifieerbare verklaring waarmee het vermoeden van eenvoudig

witwassen kan worden weerlegd.

Met betrekking tot het aangetroffen geldbedrag in de pot (€ 544), heeft verdachte verklaard dat

dat geldbedrag spaargeld van zijn dochter is. De raadsman heeft op zitting een schriftelijke

verklaring overlegd van de dochter van verdachte, waarin zij zegt dat het bedrag van € 544,- in

de pot haar spaargeld is. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring aannemelijk is.

Verdachte wordt vrijgesproken van eenvoudig witwassen van het bedrag van € 544,-.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het geldbedrag van

€ 21.111,62 afkomstig is van eigen misdrijf, zodat wettig en overtuigend bewezen kan worden

dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen

Feit 1 primair (verhandelen drugs)

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verstrekken van cocaïne in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 20 december 2019.

Verdachte heeft op zitting een bekennende verklaring afgelegd over het verstrekken van cocaïne aan verschillende personen. Hij beschikte over ruim een kilo cocaïne. Een kennis heeft een grote hoeveelheid cocaïne (ruim 1,2 kg) gevonden op het strand in Zeeland. Deze kennis heeft met verdachte besproken dat verdachte deze cocaïne zou kunnen verkopen. Verdachte heeft verklaard dat hij in oktober 2019 samples heeft gekregen om de kwaliteit van de cocaïne te testen. Rond 5 december 2019 heeft verdachte de cocaïne in bezit gekregen. Vanaf dat moment heeft hij samples van de cocaïne aan verschillende personen uitgedeeld, waarvoor hij niet betaald kreeg. Voordat hij naar eigen zeggen was begonnen met het verkopen van de cocaïne, is hij op 20 december 2019 opgepakt.

Wat er zij van de geloofwaardigheid over de wijze waarop hij over de cocaïne is komen te

beschikken, staat vast dat verdachte vanaf 1 oktober 2019 cocaïne voorhanden heeft gehad en

dat hij vanaf 5 december 2019 beschikte over een handelsvoorraad cocaïne. Vanaf 5 december 2019 heeft verdachte de cocaïne verstrekt aan verschillende mensen. Dat verdachte cocaïne heeft verstrekt, wordt ondersteund door de weegschaal met resten wit poeder en lege wikkels, die zijn aangetroffen in de woning van verdachte. Daarnaast is verdachte aangehouden met tien wikkels cocaïne op zak. De bevindingen uit de tapgesprekken en observaties sluiten aan bij de verklaring van verdachte dat hij contact heeft gehad met personen over cocaïne. Ook volgt hieruit dat hij cocaïne, al dan niet in de vorm van samples, aan verschillende personen heeft gegeven.

Dat verdachte geen geld heeft ontvangen voor zijn samples, staat niet aan een

bewezenverklaring in de weg. Voor het verhandelen van drugs is namelijk niet vereist dat (geld) wordt betaald voor de drugs, althans niet in die zin dat sprake is van ‘gelijk oversteken’.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte cocaïne heeft

verhandeld.

Partiële vrijspraak feit 1

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte moet

worden vrijgesproken van het handelen in MDMA. Er is namelijk niet gebleken dat verdachte

een hoeveelheid MDMA heeft verhandeld.

Daarnaast spreekt de rechtbank verdachte vrij van de periode vóór 1 oktober 2019. Hoewel er

aanwijzingen in het dossier aanwezig zijn dat verdachte zich ook vóór deze datum bezig heeft

gehouden met de handel in harddrugs, kan dit niet met voldoende wettige bewijsmiddelen

worden ondersteund.

Feit 2 (bezit drugs) en feit 4 (bezit vuurwapen en munitie)

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat kan worden

bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van

1227,88 gram cocaïne, 2,43 gram MDMA en vier tabletten MDMA. Dit geldt ook voor het

voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool (Ekol Volga 9mrn) en 25

gemanipuleerde PAK-patronen (Özkursan 9mm).

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte:

1

in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 20 december 2019 te Amsterdam opzettelijk heeft

verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel bedoeld als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

2

op 20 december 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad wikkels en plastic zakken met in totaal 1227,88 gram van een materiaal bevattende cocaïne, en 2,43 gram en vier tabletten van een materiaal bevattende MDMA, telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

3

in de periode van 25 november 2018 tot en met 20 december 2019, te Amsterdam geldbedragen (van in totaal 21.111.62 euro) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf;

4

op 20 december 2019 te Amsterdam, - een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gewijzigd gas/alarmpistool, van het merk Ekol, type Volga, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool in de zin van artikel 1, lid 1 onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1. categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, en

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 25 gemanipuleerde 9 mm

PAK patronen, van het merk Özkursan, zijnde munitie in de zin van artikel 1, onder 4 gelet op

artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie,

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte

is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een

rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd

voor de duur van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het

voorarrest en een proeftijd van twee jaar. Een meldplicht bij de reclassering zou goed zijn voor verdachte, maar een behandeling is niet noodzakelijk.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf moet worden opgelegd, gelet op de persoonlijke omstandigheden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf dat de tijd in voorarrest overstijgt, in voorwaardelijke vorm op te leggen. Een meldplicht bij de reclassering zou goed kunnen werken voor verdachte, zodat ook zijn uitkeringen kunnen worden geregeld.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de

vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende drie maanden schuldig gemaakt aan handel in cocaïne.

Hiervoor heeft verdachte een grote hoeveelheid cocaïne (ruim 1,2 kilogram) op verschillende

plekken in zijn woning aanwezig gehad, waar ook zijn dochter verbleef. Ook is een hoeveelheid MDMA aangetroffen. Cocaïne en MDMA zijn niet alleen zeer schadelijk voor de

volksgezondheid, maar werkt ook verslavend met alle gevolgen van dien voor de maatschappij. De harddrugshandel gaat bovendien gepaard met zeer gewelddadige criminaliteit die de maatschappij ontwricht en in Amsterdam in het bijzonder regelmatig tot ernstige incidenten leidt. Met zijn handelen heeft verdachte een rol gehad in de keten van de handel in harddrugs.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen van een (contant)

geldbedrag van in totaal € 21.111,62. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale

economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt

verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en

heeft een schadelijke werking op de samenleving. Tot slot had verdachte de beschikking over

een vuurwapen (omgebouwd gas/alarmpistool) en 25 omgebouwde patronen. Het voorhanden

hebben een vuurwapen en de bijbehorende munitie brengt grote veiligheidsrisico’s met zich

mee. Het bezit van een dergelijk wapen en munitie is vanwege de daaraan verbonden

gevaarzetting een misdrijf dat stevig dient te worden bestraft.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting

die door de rechtbanken onderling zijn afgesproken zodat zoveel mogelijk min of meer gelijke

straffen worden opgelegd. De oriëntatiepunten voor ‘het dealen van harddrugs vanuit een

woning’ geven bij een periode van 3 maanden als uitgangspunt een gevangenisstraf van 6

maanden. Voor het aanwezig hebben van 1,2 kg kilogram geldt als uitgangspunt een

gevangenisstraf van 6 maanden. Ook heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Amsterdamse oriëntatiepunten voor vuurwapens en explosieven van mei 2019, gelet op het feit dat verdachte het wapen in zijn woning had liggen, waar ook zijn dochter veelvuldig verbleef. Voor witwassen bestaan dergelijke oriëntatiepunten niet, maar afhankelijk van de omvang wordt al snel een gevangenisstraf van meerdere maanden opgelegd.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te wijken van de gestelde uitgangspunten vanwege

de medische omstandigheden van verdachte.

Uit de door de raadsman overlegde medische stukken volgt dat verdachte meerdere

(gecompliceerde) fracturen heeft opgelopen na een val van zijn balkon op 31 oktober 2018. Op 21 november 2018 is hij ontslagen uit het ziekenhuis en heeft hij een lange periode

gerevalideerd in een verpleeghuis. In juni 2019 moest verdachte wederom geopereerd worden.

Na het ontslag uit het ziekenhuis op 18 juni 2019 volgde een nieuwe periode van herstel.

Verdachte heeft een lange tijd gebruik moeten maken van een rolstoel en krukken. In het kader van de revalidatie heeft hij ook Oxycodon moeten slikken.

Verdachte heeft zes maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht in een versoberd regime

vanwege de maatregelen rondom het coronavirus. Door de beperkingen in de penitentiaire

inrichting heeft verdachte geen gebruik kunnen maken van fysiotherapie en de sportschool.

Hierdoor heeft verdachte niet kunnen revalideren waardoor aannemelijk is dat hij achterstand

heeft opgelopen bij zijn herstel. Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij veel last heeft van

de schroeven in zijn linkerbeen, die medisch verwijderd moeten worden.

Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt met betrekking tot de periode van het verhandelen van cocaïne dan de officier van justitie, komt zij tot een lagere straf dan

geëist.

Alles afwegende acht de rechtbank passend een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, en een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast wordt als de bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering opgelegd. De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, van belang dat verdachte zich meldt bij de reclassering om een plan van aanpak te maken.

8 Beslag

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen bromfiets

(nr. 11) en het geld (als baten uit drugshandel) (nrs. 6-10) verbeurd moeten worden verklaard.

Het is aannemelijk dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is, omdat verdachte ook beschikte over een handelshoeveelheid cocaïne. De bromfiets is gebruikt bij het dealen van cocaïne. Het nephorloge (nr. 1), de e-sigaretten (nr. 5) en het valse geld (nrs. 12-13) moeten worden onttrokken aan het verkeer. De televisie (nr. 2), de afstandsbediening (nr. 3) en het bronzen beeld (nr. 4) mogen worden teruggegeven aan verdachte. Deze goederen zullen niet feitelijk teruggaan naar verdachte, omdat er nog conservatoir beslag op ligt.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldbedragen (nrs. 6-9) terug moeten

naar verdachte. De geldbedragen zijn niet in verband te brengen met de ten laste gelegde feiten. Het bedrag van € 544,- (nr. 9) is het spaargeld van de dochter van verdachte. Het omgezette Peruviaanse geld (nr. 10) moet ook terug, omdat dit bedrag niet in de tenlastelegging is opgenomen. Ook de bromfiets (nr. 11) en het bronzen beeld (nr. 4) moeten terug naar verdachte. Verdachte is vanwege zijn revalidatie afhankelijk van zijn bromfiets. Het bronzen beeld is een erfstuk van zijn overleden vader.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De geldbedragen (nrs. 6-8) worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, omdat het

onder 3 subsidiair bewezen geachte feit hiermee is begaan. De e-sigaretten (nr. 5) en het valse geld (nrs. 12-13) worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. Het pistool (nr. 14) wordt ook onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 4 bewezen verklaarde feit is begaan.

Het (nep)horloge (nr. 1) wordt teruggegeven aan verdachte, omdat het enkele bezit daarvan niet strafbaar is op grond van artikel 337 Sr, en dit voorwerp niet kan dienen tot het begaan van of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven als waarvan verdachte wordt verdacht.

Het geldbedrag ter hoogte van € 544,- (nr. 9) wordt teruggegeven aan verdachte, omdat verdachte is vrijgesproken van eenvoudig witwassen ten aanzien van dat bedrag. De televisie

(nr. 2), de afstandsbediening (nr. 3), het bronzen beeld (nr. 4) en het omgezette Peruviaanse

geld (nr. 10) worden ook teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich

daartegen niet langer verzet. Daarnaast wordt de bromfiets (nr. 11) teruggegeven aan verdachte. De rechtbank vindt het disproportioneel om de bromfiets verbeurd te verklaren, gelet op de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Omdat het Openbaar Ministerie op deze goederen (nrs. 2,3,4,9 en 10-11) ook conservatoir beslag heeft gelegd, zullen deze voorwerpen feitelijk niet terug gaan naar verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht

26 en 55 Wet Wapens en Munitie

2 en 10 Opiumwet

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, onder 2, onder 3 subsidiair en onder 4 ten laste

gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is

bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde

eenvoudig witwassen;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan

met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in

mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte van 7 (zeven) maanden van deze gevangenisstraf niet zal worden ten

uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd

schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de verdachte gedurende de proeftijd de

hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Meldplicht bij reclassering

dat verdachte zich binnen veertien dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij

Reclassering Nederland op het adres [adres reclasseringsinstantie] . Verdachte blijft

zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt

om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Verdachte werkt mee aan het toezicht en de

begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het

meewerken aan huisbezoeken. Verdachte houdt zich aan aanwijzingen van de reclassering

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het

Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde en de verdachte

ten behoeve daarvan te begeleiden.

Van rechtswege gelden de voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel

1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Gelast de verbeurdverklaring van:

6 5070 EUR

5855532

7 105 EUR

5855548

8 180 EUR

5855560

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Horloge

Rolex Batman

5855500

2 1 STK Televisie

LG,zwart

5855644

3 1 STK Afstandsbediening

LG

5860799

4 1 STK Beeld

Bronzen, Jan Desmarets

5855694

9 544,85 EUR

5855585

10 23,40 EUR

Omgewisseld van 100 Peruviaanse sol

5855552

11 1 STK Bromfiets

Kymco Dink, bouwjaar 2012

5811318

Gelast de onttrekking aan het verkeer van:

5 117 STK E-sigaretten

Scorpion Venom Pen

5855595

12 1 STK vals geld € 50,--

5860790

13 1 STK vals geld € 50,--

5860791

14 1 STK Pistool

Ekol Volga

5855406

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. J. Thomas en J.G. Vegter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 17 juni 2020.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

3 [...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

19 [...]

[...]