Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3640

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
RK 20/2185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 96/125340-20

RK: 20/2185

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:

[klager],

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats],

wonende op het adres [adres]

,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,

mr. D.M. Rupert,

[adres raadsvrouw]

klager.

1 De procesgang

Het klaagschrift is op 1 mei 2020 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.

In verband met de coronacrisis heeft de geplande zitting op 4 juni 2020 niet plaatsgevonden. Met instemming van de officier van justitie en de verdediging is op 19 juni 2020 –buiten raadkamer– op het klaagschrift besloten. Dit na een (korte) extra schriftelijke ronde, waarbij de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de aanvulling van de raadsvrouw, maar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

2 De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.

Klager heeft in zijn klaagschrift betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk bij coffeeshop [naam coffeeshop] aan de [straat 1] en aan de [straat 2] in Amsterdam. In het kader van zijn werkzaamheden haalt hij personeel op van huis en zet hij ze na werk weer thuis af. Voorts doet hij voor beide vestigingen boodschappen bij de groothandel [naam groothandel]. Reizen met het openbaar vervoer is geen alternatief, mede omdat de reistijden te lang zijn voor het personeel dat buiten Amsterdam woonachtig is en de boodschappen vanuit Duivendrecht vervoerd moeten worden. Daarnaast levert het reizen per openbaar vervoer voor klager en het personeel, gelet op de huidige coronacrisis, kans op besmetting op en wordt reizen met het openbaar vervoer voor niet-vitale beroepen door de Nederlandse autoriteiten afgeraden. Ook voor de werkgever van klager levert de inhouding van het rijbewijs grote problemen op. De werkgever van klager is afhankelijk van hem, omdat hij de enige werknemer is met een rijbewijs en een auto.

De raadsvrouw van klager heeft op 9 juni 2020 een werkgeversverklaring van klager naar de rechtbank en de officier van justitie gemaild.

Ten slotte heeft de raadsvrouw van klager aangevoerd dat klager niet eerder voor een soortgelijke overtreding is staande gehouden of is veroordeeld. Ook is hij niet eerder betrokken geweest bij een verkeersongeval.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in haar schriftelijk standpunt opgenomen dat zij zich verzet tegen teruggave van het rijbewijs aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat klager gevaarlijk heeft gereden, antecedenten heeft op het gebied van verkeer en het belang tot teruggave van het rijbewijs verder niet met stukken is onderbouwd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het belang van de verkeersveiligheid dient te prevaleren boven het persoonlijk belang van klager.

4 De beoordeling

Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 5 WVW 1994, gepleegd binnen de bebouwde kom van Amsterdam op 28 april 2020. Klager wordt blijkens het proces-verbaal verdacht van het op die datum veroorzaken van gevaar of hinder voor andere weggebruikers door als bestuurder van een personenauto -onder meer- meerdere malen het rode verkeerslicht te negeren, ongecontroleerd en slingerend te rijden, met (veel) te hoge snelheid te rijden en gevaarlijk in te halen.

Op 29 april 2020 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd. Op 11 mei 2020 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs drie maanden wordt ingehouden, uiterlijk tot 28 juli 2020.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 14 mei 2020 blijkt onder meer dat klager in januari 2020 bij strafbeschikking een geldboete van € 390 opgelegd heeft gekregen voor een snelheidsovertreding die op 20 januari 2020 in Amsterdam is gepleegd. In 2017 heeft klager onder meer een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden opgelegd gekregen in verband met het (bij herhaling) onverzekerd rijden.

Het is nog onbekend wanneer de strafzaak tegen klager behandeld zal worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, nu het vermoeden bestaat dat klager door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Klager heeft gesteld het rijbewijs nodig te hebben voor zijn werk bij twee filialen van een coffeeshop, omdat hij boodschappen moet doen en personeel naar huis moet brengen nu er geen openbaar vervoer rijdt. Deze stelling wordt onderbouwd met een niet ondertekende verklaring van ‘Bestuur [naam coffeeshop] Internationaal’, waarin wordt gesteld dat het inhouden van het rijbewijs van klager extreem negatieve gevolgen heeft waar het bedrijf onder lijdt.

Tegenover het belang van klager staat het geverbaliseerde rijgedrag van klager op 29 april 2020 in Amsterdam en zijn strafblad.

Gelet op de ernst van het feit waarvan klager wordt verdacht en het strafblad van klager moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, niet korter dan de tijd die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden zal zijn geweest. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 19 juni 2020 door

mr. M.A.E. Somsen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.