Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3639

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
RK 19/7244
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, geldbedrag, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/304839-19

RK: 19/7244

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager]

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats],

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw mr. M.S. Kat,

[adres raadsvrouw],

klager, tevens beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 24 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

In verband met de coronacrisis heeft de geplande zitting op 28 april 2020 niet plaatsgevonden. Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw van klager hebben per e-mail aangegeven dat een behandeling van het bezwaarschrift zonder zitting kan plaatsvinden en dat volstaan kan worden met een uitwisseling van schriftelijke standpunten.

De rechtbank heeft op 8 mei 2020 per e-mail het standpunt van de raadsvrouw van klager ontvangen. De officier van justitie is hierna in de gelegenheid gesteld te reageren, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In het dossier bevindt zich het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie dat dateert van 24 januari 2020.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het bij klager in beslag genomen geldbedrag van € 400,- (goednummer: 5856536).

In het klaagschrift heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Het geld dat bij klager in beslag is genomen is niet door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan alsmede door het uitblijven van een last tot teruggave, omdat hij hierdoor geen gebruik van zijn eigen geld kan maken. Klager heeft zijn geld nodig om in zijn levensbehoeften te kunnen voorzien. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de gevraagde teruggave.

De raadsvrouw heeft per e-mail van 8 mei 2020 ter aanvulling van het klaagschrift het volgende aangevoerd. Klager had het geld van zijn moeder en oma gekregen om kerstinkopen voor hen te doen. De moeder van klager bevestigt dit. Klager blijft derhalve bij zijn standpunt dat hij het geldbedrag rechtmatig onder zich had, dat het geld niet van misdrijf afkomstig is en niet vatbaar is voor beslag ten behoeve van aangever. Gelet op het voorgaande heeft de raadsvrouw verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan klager en heeft daartoe in haar schriftelijke standpunt opgenomen dat op het geldbedrag conservatoir beslag is gelegd. Ook is het geld mogelijk afkomstig van misdrijf en kan het geldbedrag anders voor een door de rechter op te leggen schadevergoedingsmaatregel worden gebruikt.

4 Beoordeling

Uit de stukken is het volgende gebleken.

Het geldbedrag € 400,- is op 29 december 2019 bij klager tijdens zijn aanhouding in beslag genomen. Klager wordt in de strafzaak met parketnummer: 13/304839-19 onder meer verdacht betrokken te zijn geweest bij een overval en gijzeling. Deze feiten zouden hebben plaatsgevonden in de periode 20 december tot en met 21 december 2019. Bij de overval zou het slachtoffer onder bedreiging van een mes zijn telefoon, bankpassen, pincodes en contant geld hebben afgegeven. De daders die betrokken zouden zijn geweest bij de overval hebben vervolgens goederen en een geldbedrag uit de woning van het slachtoffer weggenomen. Er is ook met de bankpas van het slachtoffer € 1.530,- gepind.

Het betreft conservatoir beslag ten laste van klager. Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris daartoe op 15 januari 2020 een machtiging conservatoir beslag verleend tot een maximum bedrag van € 1.890,-.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823).

Naar het oordeel van de rechtbank is buiten redelijke twijfel dat klager als eigenaar van dat in beslag genomen geldbedrag moet worden aangemerkt. De stelling dat het geld niet aan hem maar (deels) aan zijn moeder en oma toebehoort, is onvoldoende onderbouwd.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van een geldbedrag dat volgens het Openbaar Ministerie via misdrijf is verkregen of dat aan klager toebehoort en dat dient tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de

1) vijfde categorie kan worden opgelegd en of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen klager een geldboete zal opleggen (artikel 94a lid 1 Sv),

2) vijfde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak tegen klager, aan hem de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (artikel 94a lid 2 Sv),

3) de vierde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen klager, een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen (artikel 94a lid 3 Sv).

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken is de rechtbank in dit stadium van het onderzoek en gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure, van oordeel dat – nu sprake is van een verdenking ter zake afpersing en/of diefstal met geweld en gijzeling, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en – het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager, een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 12 juni 2020 door

mr. L. Dolfing, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier.

Tegen de beschikking staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.