Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3629

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
13.049143.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag Amsterdam. Meerdere steekbewegingen met mes van 23 centimeter in de richting van slachtoffer. Videobeelden telefoon. Voorwaardelijk opzet. Verwerping noodweer, noodweerexces. Adolescentenstrafrecht. Jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.049143.20

Datum uitspraak: 11 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 2000,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd te: [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2020. Verdachte en zijn raadsman waren daarbij aanwezig.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 23 februari 2020 met een mes meerdere steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van [aangever] (hierna: [aangever] ).

Dit is aan hem – kort gezegd – ten laste gelegd als:

poging tot doodslag,

subsidiair: poging tot zware mishandeling.

De volledige tekst van tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van deze strafzaak.

Op 23 februari 2020 vond te Amsterdam een confrontatie plaats tussen verdachte en aangever [aangever] . Verdachte trok daarbij een mes en maakte meerdere steekbewegingen met dat mes.

Het gaat in deze zaak om de vraag of verdachte met het steken met het mes opzet had op de dood van aangever. Daarnaast speelt de vraag of verdachte een beroep op noodweer toekomt. Deze laatste vraag komt aan de orde onder rubriek 6, de strafbaarheid van het feit.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde poging tot doodslag moet worden vrijgesproken.

Uit de feiten niet kan worden afgeleid dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aangever te doden, met name omdat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de exacte bewegingen die verdachte met het mes heeft gemaakt. De steekrichting is niet waarneembaar op de beelden en de politie heeft een eigen invulling van de feiten geverbaliseerd. [aangever] zelf vertelt niets over de richting waar het mes naartoe zou zijn gegaan. Er kan uitsluitend worden geconcludeerd dat er een beweging met een mes heeft plaatsgevonden.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat voor de vaststelling van voorwaardelijk opzet op de dood bij messteken onder meer betekenis wordt toegekend aan de omstandigheid of doelbewust in het betreffende lichaamsdeel is gestoken, met welke kracht is gestoken en welke risico’s op de dood de gedragingen in het leven hebben geroepen, in welk verband de aard en plaats van de verwondingen een rol spelen. In deze zaak is er niet in een lichaamsdeel gestoken. Ook is niets gebleken van doelbewust in (de nabijheid van) vitale lichaamsdelen steken. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich bewust was van de kracht waarmee hij stak en er is geen enkele verwonding bij [aangever] ontstaan als gevolg van de beweging van verdacht met het mes.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag en overweegt daartoe als volgt.

Getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) heeft met haar telefoon videobeelden van het incident gemaakt. Deze beelden zijn door een opsporingsambtenaar bekeken en beschreven in een proces-verbaal van bevindingen. Hierin staat dat is te zien dat verdachte met kracht meerdere steekbewegingen maakt in de richting van de buikstreek van aangever, die aangever probeert te ontwijken door zijn buik van verdachte af te draaien. Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte probeerde aangever in zijn buik te steken. De rechtbank gaat daarom uit van steekbewegingen door verdachte in de richting van de buikstreek van aangever.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [aangever] – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte met kracht steekbewegingen richting de buikstreek van aangever heeft gemaakt. Hij gebruikte daarbij een groot mes met een lemmet van 23 centimeter en stond heel dicht bij aangever. Aangever moest het mes ontwijken om niet geraakt te worden door zijn buik van verdachte af te draaien. Er was dus een grote kans dat verdachte aangever zou raken met het mes. Naar het oordeel van de rechtbank is de kans op de dood bij een of meerdere krachtige steken met een dergelijk groot mes in de buikstreek aanmerkelijk gelet op de vitale organen die zich in dit lichaamsgebied bevinden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [aangever] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het voor de vaststelling van voorwaardelijk opzet niet van belang is dat [aangever] ongedeerd is gebleven. De vraag of de kans op het gevolg aanmerkelijk is en of verdachte die kans bewust heeft aanvaard is immers niet afhankelijk van de vraag of het gevolg ook daadwerkelijk is ingetreden.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 23 februari 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met kracht met een mes meermalen steekbewegingen in de richting van de buikstreek van voornoemde [aangever] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6 De strafbaarheid van het feit en de verdachte

6.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, wegens een beroep op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer.

Er was sprake van een reëel gevaar, omdat de belager van verdachte met een hooggeheven fles zijn richting op kwam. Verdachte kon zich niet onttrekken aan de situatie omdat hij was omsingeld. Nu veel onduidelijk is gebleven kan niet worden geconstateerd dat de actie van verdachte niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Bij het niet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste is de gemoedsbeweging van verdachte van doorslaggevend belang geweest voor de verweten gedraging. Pas op het moment dat hij werd belaagd door [aangever] handelde hij zoals hij heeft gehandeld. Dat verdachte al kwaad was op [aangever] maakt dat niet anders, omdat de hevige gemoedsbeweging in essentie niet is terug te voeren op deze eerder bestaande emotie.

De handelingen hebben zich afgespeeld in een kort tijdsbestek. De emotionele toestand van verdachte bleek ook tijdens zijn verhoor, waarin hij vroeg om kalmerende medicatie. Het ging ook al langer niet goed tussen verdachte en [aangever] : [aangever] was die ochtend al agressief geweest, waarbij hij geweld gebruikte. Het onmiddellijke gevolg van deze combinatie van factoren was dat bij verdachte – door de wederrechtelijke aanranding – een hevige gemoedsbeweging van angst, vrees en radeloosheid teweeg werd gebracht: Verdachte dacht dat hij weer in elkaar geslagen zou worden en met een fles zou worden bewerkt.

Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt gelet op de afstraffing eerder die ochtend, de omsingelingssituatie en de duidelijk waarneembare fles bij [aangever] .

6.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat een ogenblikkelijke en wederechtelijke aanranding niet aannemelijk is geworden en subsidiair dat niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer wordt verworpen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Tussen verdachte enerzijds en aangever en de getuigen anderzijds was een redelijke afstand voordat de confrontatie plaatsvond. Allen bevonden zich buiten op de openbare weg. De rechtbank heeft uit het dossier niet afgeleid noch op de beelden waargenomen dat sprake was van een omsingelsituatie, waarin verdachte in het nauw zou zijn gedreven.

Bovendien blijkt uit de beschrijving van de beelden dat de afstand tussen aangever en verdachte door verdachte zelf werd verkleind. Dit is in lijn met de verklaring van aangever en getuige [getuige] , waaruit blijkt dat verdachte naar hen toe begon te lopen. De rechtbank heeft op de beelden waargenomen dat er weliswaar een drankblik werd gegooid in de richting van verdachte, maar dat dit pas gebeurde nadat verdachte het mes had getrokken.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De rechtbank overweegt dat de hierboven als aannemelijk aangeduide feiten en omstandigheden ook niet een situatie opleveren waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat er een noodzaak bestond om zich te verdedigen. Dit oordeel wordt ook niet anders als daarbij betrokken wordt dat eerder die ochtend al sprake zou zijn geweest van gewelddadig gedrag van [aangever] in de richting van verdachte. Het is verdachte zelf geweest die de confrontatie heeft gezocht.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Adolescentenstrafrecht

De raadsman heeft de rechtbank ter zitting verzocht om – bij een bewezenverklaring – verdachte te berechten volgens het adolescentenstrafrecht en de daarbij behorende straftoemeting, nu er aanwijzingen zijn dat pedagogische beïnvloeding van verdachte nog mogelijk is.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast, omdat de adviezen van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen, onvoldoende onderbouwd zijn en er verschillende contra-indicaties aanwezig zijn.

De rechtbank heeft op zitting beslist dat in het geval zij tot een veroordeling zou komen, zij het jeugdstrafrecht zou toepassen. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 18 jaar en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.

Het Openbaar Ministerie lijkt als uitgangspunt te nemen dat het volwassenstrafrecht wordt toegepast, tenzij het redenen heeft om daarvan af te wijken. De rechtbank ziet, gelet op de wetsgeschiedenis bij de introductie van het adolescentenstrafrecht echter meer ruimte om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het antwoord op de vraag of pedagogische beïnvloeding mogelijk is, staat bij deze keuze voorop. De rechtbank heeft gekeken naar het wegingskader adolescentenstrafrecht en heeft beoordeeld of pedagogische beïnvloeding van verdachte mogelijk is.

De rechtbank heeft daarbij kennisgenomen van het reclasseringsadvies, waarin toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geadviseerd. De rechtbank neemt die conclusie en de motivering daarvan over. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het gedrag van verdachte in detentie; hij blijkt zich goed aan de regels te houden. Ook hecht de rechtbank veel waarde aan de brief van de vader van verdachte waarin de vader uitspreekt zich in te zullen spannen zijn zoon op het rechte pad te houden.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat het toepassen van het adolescentenstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte als ook in het belang van de maatschappij, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. Dat neemt overigens niet weg dat het heel ernstig is wat het slachtoffer is aangedaan. De ernst van het feit is echter geen reden om niet het adolescentenstrafrecht toe te passen als dat om andere redenen wel de voorkeur verdient.

8 Motivering van de straf

8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie van één jaar met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de door de officier van justitie geëiste straf veel te fors is en dat deze gematigd moet worden dan wel deels voorwaardelijk aan verdachte moet worden opgelegd. Daarvoor is van belang dat de voorlopige hechtenis grote gevolgen heeft gehad voor verdachte, dat verdachte een onbeschreven strafblad heeft en dat hij uit de problemen wil blijven. Ook is het haalbaar om reclasseringscontact aan verdachte op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met kracht met een mes meerdere stekende bewegingen te maken naar de buikstreek van [aangever] . De omstandigheid dat het slachtoffer geen lichamelijk letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid, die in het geheel niet aan verdachte is te danken. Dit soort feiten brengen angst en leed toe aan slachtoffers. Doordat dit geweld plaatsvond op de openbare weg heeft verdachte ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde gemaakt en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. In het bijzonder in een tijd waarin het dragen en gewelddadig gebruik van messen onder jongeren in toenemende mate een maatschappelijke probleem aan het worden is.

Uit het strafblad van verdachte van 25 februari 2020 volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 8 mei 2020 betreffende verdachte. Volgens de reclassering is hulpverlening in de vorm van een reclasseringstoezicht niet haalbaar, gelet op de verblijfstatus van verdachte en omdat hij de Nederlandse en Engelse taal niet beheerst. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Volgens de reclassering zijn er geen contra-indicaties voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

Alles overwegende vindt de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden en de rechtbank zal daarom aan verdachte één jaar jeugddetentie opleggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 77c, 77i, 77gg, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie van 1 (één) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2020.

[(...)]