Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3584

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
19/6710
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift 530 Sv. Kosten raadsman voor het opstellen sepotverzoek toegewezen, omdat raadsman geen afschrift ontvangen had van de sepotbrief en niet op de hoogte was van sepot. Corona-vergoeding (€ 550).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/172477-19

RK: 19/6710

Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] [geboorteland] ),

ingeschreven in Basisregistratie Personen op het adres [GBA-adres] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman, mr. M.D. Rijnsburger [adres raadsman] ,

verzoekster.

Procesgang

Het verzoekschrift is op 13 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 24 december 2019 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

In verband met de coronamaatregelen heeft verzoekster afstand gedaan van het recht op (aanwezigheid bij) een mondelinge behandeling in raadkamer. In plaats daarvan heeft de rechtbank, met instemming van de raadsman en het Openbaar Ministerie, na schriftelijke rondes, op 23 april 2020 buiten de raadkamer om op het verzoekschrift besloten.

De officier van justitie heeft op 10 april 2020 haar schriftelijke standpunt kenbaar gemaakt. De raadsman heeft hier op 15 april 2020 op gereageerd. De officier van justitie heeft op 17 april 2020 laten weten te persisteren bij het eerder ingenomen standpunt.

Inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 1.128,68 voor de kosten van de raadsman en € 550,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift ter terechtzitting.

In zijn schriftelijke reactie van 15 april 2020 heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Verzoekster heeft gebruik gemaakt van haar zwijgrecht. Zij heeft de vervolging niet over zichzelf afgeroepen of haar proceshouding heeft er niet nodeloos toe geleid dat de vervolging langer heeft voortgeduurd. Een bestraffing van het gebruik van het zwijgrecht is niet op zijn plaats en zelfs in strijd met art. 6 EVRM.

Op grond van deze zaak kan niet gezegd worden dat gronden van redelijkheid en billijkheid aan een vergoeding van de noodzakelijke kosten ten behoeve van de verdediging in de weg staan.

Er zijn kosten gemaakt na dagtekening van de sepotbrief, omdat er geen afschrift van de sepotbrief naar de raadsman was gezonden. Hierdoor raakte de raadsman een week na de gemaakte kosten op de hoogte dat de zaak al anderhalve maand geleden geseponeerd was.

Aangezien de raadsman deze kosten gemaakt heeft ten behoeve van de verdediging en dat te wijten is aan de vervolgende instantie, stelt de raadsman dat met deze bijzondere feiten en omstandigheden een volledige vergoeding van de verzochte kosten op zijn plaats is.

Met het oog op de bijzondere omstandigheden (COVID-19) die een mondelinge behandeling verhinderen, verzoekt de raadsman de zittingstoeslag van € 550 toe te wijzen nu deze mondelinge behandeling zijn vorm heeft gekregen in de daarvoor in de plaats gestelde mailcorrespondentie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoeding moet worden gematigd.

Verzoekster had het recht om te zwijgen. Maar als de politie het opsporingsonderzoek niet voortvarend heeft kunnen doen door het zwijgen van verzoekster, dan hoeven de gemaakte kosten niet meteen voor de rekening van de Staat te komen.

Er wordt door raadsman verzocht om vergoeding voor het opstellen van een processtuk op 14 oktober 2019, terwijl de sepotbrief dateert van 30 augustus 2019. Deze kosten lijken niet nodig te zijn geweest, en komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Beoordeling

Verzoekster is op 15 mei 2019 verhoord op verdenking van overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoekster onvoorwaardelijk geseponeerd en dat bij brief van 30 augustus 2019 aan haar meegedeeld.

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv, aan haar, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die zij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.

Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het verzoek is tijdig ingediend.

De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties.

De raadsman heeft ook kosten voor het opstellen van een sepotverzoek gemaakt. Hoewel het sepotverzoek door de raadsman is opgemaakt ná de sepotbrief van 30 augustus 2019, heeft de raadsman geen afschrift ontvangen van de sepotbrief en was hij derhalve niet op de hoogte van het sepot. De gevraagde vergoeding is billijk en zal dan ook worden toegekend.

De raadsman heeft tevens verzocht om de zittingstoeslag (€ 550) toe te wijzen, omdat de schriftelijke afdoening van de zaak in de plaats kwam van een behandeling op zitting.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen en daarbij, gelet op de uitgebreide schriftelijke uitwisseling van standpunten nu wegens de uitbraak van het coronavirus is afgezien van een mondelinge behandeling, uitgaan van het bedrag van € 550,-.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank kent aan verzoekster uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 1.128,68 (elfhonderd achtentwintig euro en achtenzestig eurocent) voor de kosten van de raadsman.

De rechtbank kent aan verzoekster uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.C.J. Hamming, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2020.

Tegen deze beslissing staat voor verzoekster en de officier van justitie hoger beroep open,

in te stellen ter griffie van deze rechtbank,

binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.678,68 (zestienhonderd achtenzeventig euro en achtenzestig eurocent) op IBAN-nummer [rekeningnummer] ten name van [naam stichting] , onder vermelding van [nummer] / [verzoekster] .

Aldus gedaan op 23 april 2020

door mr. R.C.J. Hamming, rechter.