Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3549

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5018
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor dakopbouw. Beroep ongegrond. Beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, omdat er een voorbehoud is gemaakt. Het welstandsadvies dat aan de weigering ten grondslag is gelegd, is deugdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5018

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. A. Kamphuis),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiser] , het college en [belanghebbende] genoemd.

Procesverloop

Op 10 januari 2019 heeft het college bekendgemaakt dat aan [eiser] van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend (het primaire besluit).

In het besluit van 13 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [belanghebbende] gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

In de beslissing van 8 juni 2020 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, omdat zij van oordeel is dat de zaak geschikt is voor verdere behandeling door één rechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 juni 2020 met behulp van een video-verbinding. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [belanghebbende] was aanwezig.

Overwegingen

Wat aan deze zaak voorafging

1. [eiser] is eigenaar van de woning op de [adres 1] in Amsterdam. Hij wil het woonoppervlak van zijn woning vergroten door middel van een dakopbouw. In dit kader heeft hij een conceptaanvraag ingediend bij het college, om een oordeel te krijgen over de haalbaarheid van zijn plan.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan van [eiser] in strijd is met het toepasselijke bestemmingsplan ‘Valeriusbuurt en Museumkwartier’ (het bestemmingsplan), omdat de maximale bouwhoogte wordt overschreden.

3. Op 22 september 2017 is namens het college op de conceptaanvraag van [eiser] gereageerd. Uit deze reactie volgt dat de aanvraag is getoetst aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 25, onder a, onder 6 van het bestemmingsplan. Op grond van dit artikel kan het college afwijken van de maximale bouwhoogte ten behoeve van het bouwen van een extra bouwlaag onder de voorwaarden dat (1) de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) een positief advies geeft, (2) de bouwlaag ten dienste is van de functie wonen, (3) de bouwlaag niet leidt tot een toename van het aantal woningen, (4) de bouwlaag geen onevenredige afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld en (5) de bouwlaag geen onevenredige gevolgen heeft voor de daglichttoetreding van de omliggende panden. Verder geldt op grond van artikel 25 dat (6) de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of de belangen van derden niet onevenredig mogen worden geschaad.

4. In de brief is vermeld dat een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan als een acceptabele ontwikkeling wordt gezien, mits er een positief advies van de CRK komt. In de brief is ook het advies van de CRK vermeld:

“Niet akkoord. In verband met de zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte vormt de dakopbouw een aantasting van de 19de-eeuwse karakteristiek. De dakopbouw dient of verder naar achteren te worden gepositioneerd of als een integraal onderdeel met het bestaande pand te worden ontworpen.”

5. Op 27 september 2018 heeft [eiser] een aanvraag ingediend met een aangepast bouwplan. Ook hierin wordt de maximale bouwhoogte overschreden.

6. Omdat het college niet op tijd op de aanvraag heeft beslist, is van rechtswege een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de tweede verdieping, het oprichten van een derde verdieping, het oprichten van een balkon ter plaatse van de derde verdieping, van het gebouw [adres 1] , met behoud van de bestemming daarvan tot wonen.

7. [belanghebbende] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij woont schuin tegenover [eiser] , op de [adres 2] Naar aanleiding van het bezwaar van [belanghebbende] heeft het college het primaire besluit herroepen en de vergunning alsnog geweigerd. De extra bouwlaag leidt volgens het college tot een ernstige aantasting van het symmetrisch ensemble waar het pand deel van uitmaakt, het bouwplan is daarom ruimtelijk niet aanvaardbaar. De eerdere uitlating in de brief van 22 september was onjuist en ook niet in lijn met andere beoordelingen van soortgelijke daklagen. Het college heeft aan deze weigering ook een negatief advies van CRK van 7 november 2018 ten grondslag gelegd. De CRK heeft dit negatieve advies als volgt gemotiveerd:

“Dakuitbreidingen bij monumenten, orde 1 en orde 2, zijn alleen mogelijk als deze de architectuur van het pand niet aantasten. Onderhavige pand vormt tezamen met enkele andere panden in dit deel van het bouwblok van de Willemsparkweg een uitzondering op de regel van vijf bouwlagen; de Willemsparkweg 34 is opgebouwd uit vier bouwlagen. Extra bouwvolume lijkt acceptabel in relatie tot de kwaliteit van de Willemsparkweg als dragende structuur van een hooggewaardeerd stadsgezicht. Het gevelbeeld wordt hier echter al beëindigd met een kaplaag. Het doorstapelen van bouwvolume boven deze kenmerkende beëindiging is oneigenlijk voor 19de-eeuwse architectuur. De daklaag vormt bovendien een bindend element binnen de architectonische eenheid Willemsparkweg 32 t/m 36. Het toevoegen van de extra (bijzondere) bouwlaag/daklaag zou dit bebouwingsbeeld verstoren en daarmee leiden tot een onevenredige aantasting.”

Het standpunt van [eiser]

8. [eiser] stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, voor zover het college de aanvraag alsnog heeft geweigerd omdat niet is voldaan aan de voorwaarden 2 tot en met 6 zoals genoemd in artikel 25, onder a, onder 6 van het bestemmingsplan. Volgens [eiser] is in de brief van 22 september 2017 door het college al een onvoorwaardelijke toezegging gedaan ten aanzien van de ruimtelijke aspecten van het plan. Deze toezegging kan volgens [eiser] worden toegerekend aan het college. [eiser] wijst er op dat hij er groot belang bij heeft dat het college zich aan deze toezegging houdt. Hij heeft namelijk dringend behoefte aan uitbreiding van het woonoppervlak van zijn woning, omdat hij is gaan samenwonen en een kind heeft gekregen.

9. Daarnaast is het welstandsadvies volgens [eiser] ondeugdelijk. Volgens [eiser] maakt de CRK op 7 november 2018 een ommezwaai ten opzichte van het eerdere advies door te overwegen dat een extra bouwlaag in het geheel geen optie meer is. Er wordt niet gemotiveerd waarom ineens een tegenovergesteld advies wordt afgegeven. Dit advies is volgens [eiser] volledig gebaseerd op ruimtelijk-planologische aspecten, terwijl het CRK de ruimtelijk-planologische aanvaardbaarheid als een gegeven moet beschouwen gelet op de inhoud van de brief van 22 september 2017.

10. Tot slot wijst [eiser] op andere recent gerealiseerde en vergelijkbare opbouwen in de buurt. Het advies van de CRK is ook in dit licht onbegrijpelijk, aldus [eiser] .

Het oordeel van de rechtbank

11. Het draait in deze zaak om de brief van 22 september 2017 en om de vraag of en welk vertrouwen [eiser] aan deze brief heeft mogen ontlenen en of het welstandsadvies van 7 november 2018 in het licht van deze brief ondeugdelijk is.

12. Het college heeft erkend dat de brief van 22 september 2017 onjuistheden bevat. Met name de uitlating in deze brief dat de bouwlaag geen onevenredige afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld is volgens het college onjuist.

Vertrouwensbeginsel

13. Voor het beroep op het vertrouwensbeginsel is echter van belang of [eiser] er op basis van deze brief op mocht vertrouwen dat aan hem een omgevingsvergunning zou worden verleend voor de aanvraag zoals hij deze uiteindelijk heeft ingediend.

14. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen. De brief van 22 september 2017 bevat namelijk geen onvoorwaardelijke toezegging dat op de voorliggende aanvraag een vergunning zou worden verleend. Er is in de brief immers een duidelijk voorbehoud gemaakt, namelijk dat een positief advies van de CRK vereist is. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) staat dit aan een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg.1 Ook het standpunt van [eiser] dat bij het college wel planologische bereidheid bestond waarop hij zou mogen vertrouwen, volgt de rechtbank niet. Ook daarvoor was namelijk vereist dat de CRK een positief advies zou geven. Pas dan zou zijn voldaan aan alle voorwaarden die worden genoemd in de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 25, onder a, onder 6 van het bestemmingsplan.

Het welstandsadvies

15. De rechtbank is verder van oordeel dat het advies van CRK van 7 november 2018 deugdelijk is.

16. Ingevolge vaste jurisprudentie mag het college aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen (hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust). Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bevoegd gezag dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derdebelanghebbende.2

17. [eiser] heeft niet bestreden dat het advies van 7 november 2018 correct is in het licht van de geldende criteria ingevolge de welstandsnota van Amsterdam. De CRK heeft de voorliggende aanvraag beoordeeld. Anders dan [eiser] stelt, is geen sprake van een ommezwaai van de CRK. Uit het advies van 7 november 2018 volgt dat de CRK nog steeds niet akkoord is, omdat de dakopbouw zichtbaar is vanaf de straat en daarmee afbreuk doet aan de architectonische eenheid van [omgeving adres] Ook in het eerdere advies leidde juist de zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte tot een negatief resultaat. Uit het advies van 7 november 2018 volgt verder niet, anders dan [eiser] meent, dat de CRK op dat moment van oordeel was dat een dakopbouw in het geheel niet mogelijk was vanuit welstandsoogpunt. Er wordt namelijk overwogen dat er bij orde 2 panden wel mogelijkheden zijn voor een dakopbouw, maar alleen als de architectuur van het pand niet wordt aangetast. Het bouwplan van [eiser] voldoet volgens de CRK dus niet aan deze eis. In de in het dossier aanwezige visualisatie van het ontwerp is overigens ook duidelijk te zien dat de dakopbouw zichtbaar zal zijn vanaf de straat. Zoals uit overweging 14 volgt, hoefde de CRK niet uit te gaan van planologische bereidheid van het college.

18. De CRK heeft zich gericht naar regels zoals die gelden voor de [adres 1] en de aanvraag zoals die door [eiser] is ingediend. Dat er voor andere panden in de buurt onder wellicht andere wet- en regelgeving en voor andere ontwerpen wel positieve welstandsadviezen zijn afgegeven, maakt het onderhavige advies van de CRK nog niet ondeugdelijk.

Conclusie

19. Het voorgaande betekent dat het college terecht heeft geweigerd de omgevingsvergunning aan [eiser] te verlenen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.2.

2 Zie bijvoorbeeld r.o. 5.2 in de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1290.