Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3535

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2020
Datum publicatie
24-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De burgemeester heeft terecht een woning in Diemen zonder waarschuwing voor drie maanden gesloten, omdat er een grote handelshoeveelheid drugs, onder andere 900 xtc-pillen en ruim 1200 pillen van de psychedelische drug 2CB, is aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/3689

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. T. den Haan),

en

de burgemeester van Diemen, verweerder, verder de burgemeester,

(gemachtigde: D. Walraven).

Procesverloop

Met het besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester de woning aan de [adres] (de woning) gesloten voor de duur van 3 maanden.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. De zitting heeft, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, plaatsgevonden via een beeldverbinding (skype). Daaraan hebben deelgenomen verzoeker, bijgestaan door mr. R. Titahena, kantoorgenoot van zijn gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester. Verzoeker heeft via een telefonische verbinding deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Aanleiding voor de sluiting

2.1

Verzoeker staat volgens het Basis Persoons Register (BRP) in geschreven op het adres van de woning aan de [adres] . De woning is eigendom van een woningstichting.

2.2

Op dinsdag 28 april 2020 is verzoeker in zijn auto aangehouden (met nog een andere inzittende) omdat hij verdacht werd van een misdrijf. Bij zijn aanhouding is in de auto een hoeveelheid pillen1 aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft op 28 april 2020 een doorzoeking van de woning van verzoeker plaatsgevonden. Volgens de rapportage van

15 mei 2020 van de Nationale Politie Eenheid Amsterdam werden in de woning onder andere aangetroffen, xtc pillen, medicatie pillen, diverse wikkels, zakjes met wit poeder, zakjes cannabis en wiet. Na laboratorium onderzoek bleek dat te zijn:

-18 roze tabletten, indruk: Givenchy logo (MDMA),

-16 plastic zakjes met 15,6 g wit poeder (Ketamine),

-1 plastic zakje met 50 rode tabletten, indruk Cornetto logo,

-2 zakjes met 226 roze tabletten waren (MDMA),

-1 plastic zakje met 1274 groene tabletten, indruk Mojo-jojo (2C-B),

-1 plastic zakje met 330 gram gele tabletten, indruk: "GOLD", en poeder totaal overeenkomend met MDMA,

-1 plastic zakje met 125 gele tabletten, indruk: Tesla logo (fluormetamfetamine).

Verder werden er nog aangetroffen, weegschalen en een contant geld bedrag van € 1.500,-. De met MDMA en 2C-B aangeduide stoffen zijn stoffen die voorkomen op lijst 1 behorende bij de Opiumwet.

Het besluit

3. Na het voornemen tot sluiting aan het adres van verzoeker te hebben verzonden heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet2 onder aanzegging van bestuursdwang bevolen de woning uiterlijk 25 juni 2020 voor een duur van drie maanden te sluiten (hierna: de sluiting). De burgemeester heeft hieraan de bevindingen van de Politie Eenheid Amsterdam) ten grondslag gelegd, zoals die staan beschreven in de bestuurlijke rapportage van 15 mei 2020. Mede gelet op de ernst van de aangetroffen situatie heeft de burgemeester geen aanleiding gezien om te volstaan met een waarschuwing zoals in het beleid over woningsluitingen staat vermeld. Het in gebruik blijven van de woning levert een ernstig gevaar op voor de openbare orde en veiligheid, dit blijkt met name uit de grote handelshoeveelheid verdovende middelen (zoals zakjes, ponypacks3 en wikkels), aldus het besluit. Verder wonen er geen minderjarigen in de woning. Met de sluiting wil de burgemeester duidelijk maken dat de woning niet (langer) als opslag-, aflever- dan wel als verkoopplaats kan worden gebruikt.

De regelgeving en het beleid

4.1

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen (…) een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.2

Op grond van artikel 5:31, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

4.3

Bij de beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat, gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, verweerder bij de uitoefening van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid over beleidsruimte beschikt. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter de uitoefening van die bevoegdheid terughoudend moet toetsen.

5.1

De burgemeester hanteert bij sluiting van een bewoonde woning beleid4.

Bestuursdwang in de vorm van een onmiddellijke sluiting wordt toegepast bij handel in middelen als bedoeld in lijst I (harddrugs) en lijst II (soft drugs) behorende bij de Opiumwet. Het toepassen van bestuursdwang op grond van 13b Opiumwet is erop gericht de handel in of vanuit een lokaal of woning te beëindigen en beëindigd te houden.

Het beleidsuitgangspunt is dat indien een handelshoeveelheid harddrugs, softdrugs en/of hennepplanten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet wordt aangetroffen sluiting van de woning volgt. Echter, indien een woning op het moment dat de overtreding wordt geconstateerd daadwerkelijk wordt bewoond en voor (die) bewoning noodzakelijk blijft, wordt in beginsel eerst een waarschuwing gegeven gelet op de vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (woonrecht) als bedoeld in artikel 8 van het EVRM5 (Artikel 8 EVRM - Recht op eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven).

5.2

Indien er sprake is van zodanig verzwarende omstandigheden dat van (spoedeisend) optreden in redelijkheid niet kan worden afgezien, kan de burgemeester besluiten om zonder waarschuwing over te gaan tot sluiting van de woning. Daarbij kunnen onder meer de volgende factoren van belang zijn: het bedrijfsmatig karakter, de wijze waarop de aangetroffen drugs zijn verpakt en de aanwezigheid van handelsgeld

De gronden van verzoeker.

6. De gronden van verzoeker komen er kortgezegd op neer dat hij niet heeft kunnen reageren op het voornemen zijn woning te sluiten. Verweerder had kunnen weten dat hij gedetineerd was, terwijl het voornemen enkel aan zijn huisadres was verzonden net als het besluit. Verder had de burgemeester niet onverkort aan het beleid moeten vasthouden en tot een andere beslissing moeten komen. Verzoeker beroept zich in dit verband op artikel 4:84 van de Awb. De burgemeester heeft in zijn besluit evenmin duidelijk genoeg afgewogen wat de gevolgen zijn van het besluit. Er is enkel vastgesteld dat er drugs zijn aangetroffen. De gevolgen van het besluit pakken voor verzoeker onevenredig uit; hij heeft net woonruimte weten te bemachtigen in een studentenwoning na een problematische thuissituatie en tijden dakloos te zijn geweest; hij heeft psychische klachten en heeft zich net ingeschreven voor een opleiding. Het verlies van de woning zou bij hem ernstige psychische schade veroorzaken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester niet heeft uitgezocht of en waar verzoeker was gedetineerd. Dat hoort de burgemeester wel te doen, althans pogingen daartoe te doen. Als gevolg hiervan heeft verzoeker geen zienswijze kunnen geven op het voornemen. Als gevolg daarvan heeft de burgemeester ook niet kunnen ingaan op de bijzondere, persoonlijke omstandigheden van verzoeker op grond waarvan hij mogelijk had willen afwijken van zijn beleid. Echter, dit kan in de bezwaarfase nog worden hersteld en is dan ook geen reden om reeds hierom de gevraagde voorziening toe te wijzen en het besluit te schorsen. In het hiernavolgende zal worden beoordeeld of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken.

7.2

Vaststaat dat in de woning ruim 900 pillen met MDMA is aangetroffen en ruim 1200 pillen 2CB. MDMA en 2CB worden vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. De voorzieningenrechter volgt verweerder in zijn standpunt dat de aangetroffen drugs een handelshoeveelheid betreft. Het bezit van een halve gram harddrugs wordt namelijk gedoogd voor eigen gebruik, terwijl in de woning van verzoeker een ruime overschrijding hiervan is aangetroffen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State6 (de Afdeling) volgt dat verweerder bij het aantreffen van een dergelijke hoeveelheid in beginsel mag aannemen dat het gaat om een handelshoeveelheid. Het is dan vervolgens aan de rechthebbende op de woning om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Verzoeker is daarin niet geslaagd. Sterker nog, verzoeker heeft tijdens de behandeling van de zaak gezegd dat de drugs niet van hem waren, maar dat hij maandelijks een geldbedrag ontving om de drugs in zijn woning op te slaan. Dat wijst erop dat verzoeker betrokken is bij de het afleveren van drugs en de verkoop daarvan. Daarbij komt dat er in het pand ook weegschalen en verpakte drugs zijn aangetroffen en verpakkingsmateriaal. De burgemeester heeft conform het beleid gehandeld en kon de woning daarom sluiten. Het beroep op de uitspraak van de Afdeling onder ECLI:NL:RVS:2014:3941 slaagt daarom niet. Ook al gelet op het feit dat in die zaak een geringe hoeveelheid hasjiesj was aangetroffen.

7.3

Rest de vraag of de burgemeester moest vasthouden aan het beleid. Verzoeker haalt in dat verband de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 20197 aan. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat wegens het ontbreken van verwijtbaarheid en de medische problematiek van de inwonende dochter en gelet op artikel 4:84 van de Awb, handelen overeenkomstig het beleid onevenredig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de zaak van verzoeker hiermee niet vergelijkbaar. Zoals onder 7.1 al is overwogen kan het verzoeker verweten worden dat de drugs in zijn woning waren. Ook is er in de woning van verzoeker een veel groter aantal pillen aangetroffen dan de 48 (plus enkele grammen MDMA) in de door verzoeker aangehaalde uitspraak en waren er in die zaak zeer speciale omstandigheden aanwezig gerelateerd aan het minderjarige kind waaruit volgde dat sprake was van een specifieke binding met de woning zelf, een geringe hoeveelheid pillen en verminderde verwijtbaarheid van de rechthebbende op de woning. Zoals op de zitting is toegelicht heeft de burgemeester in de belangenafweging vooral gekeken naar de verzwarende omstandigheden zoals de grote hoeveelheid pillen, verpakkingen en de weegschalen. Verder kan de burgemeester in bezwaar alsnog de informatie van het Pro Justitia rapport betrekken en aandacht besteden aan de persoonlijke omstandigheden van verzoeker.

7.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker aangedragen omstandigheden zoals het feit dat hij nu eindelijk na dakloosheid een kamer heeft en een opleiding wil gaan volgen en zijn leven wil beteren niet maken dat de sluiting van zijn woning onevenredig is. Daarmee heeft hij geen bijzondere binding met de woning onderbouwd. Dat hij als gevolg van de sluiting hoogstwaarschijnlijk ook zijn huurwoning zal kwijtraken en in psychische problemen zal raken, is evenmin zo’n omstandigheid. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat hij zelf verwijtbaar heeft gehandeld door de drugs in zijn woning aanwezig te hebben, al dan niet tegen betaling door en voor een ander. Van enige onderbouwing van de gestelde psychische problemen is evenmin sprake.

8. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in deze omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om het van het beleid af te wijken. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om het besluit te schorsen.

9. Voor een proceskostenveroordeling en een opdracht aan verweerder om het griffierecht te vergoeden bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Onder andere 143 kleine ronde pilletjes, 35 beigekleurige pillen, 118 roze pillen, 18 groene pillen, 51 groene pillen en zakjes met wit poeder.

2 Artikel 13b Opiumwet. 1 De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; (…).

3 Dit zijn vetvrije papiertjes waar drugs in bewaard kunnen worden.

4 Zie 2.1 en 2.1.3 van het Geüniformeerd bestuursrechtelijk handhavingsbeleid met betrekking tot overtredingen van de Opiumwet (Sluitings- en heropeningsbeleid) d.d. 5 april 2017

5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2016:2464, ECLI:NL:RVS:2018:738 en ECLI:NL:RVS:2019:4024.

7 ECLI:NL:RVS:2019:2912.