Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3517

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2020
Datum publicatie
27-07-2020
Zaaknummer
13/076382-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel door een trap tegen de onderrug niet aanmerkelijk. Wel veroordeling voor medeplegen mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft. Overwegingen medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/076382-18 (Promis)

Datum uitspraak: 17 januari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.J.J. Schutte en van dat wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.A. Bloemberg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 februari 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan slachtoffer [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken duim en/of loszittende tanden en/of (af)gebroken tand(en) en/of een (onder)kaakfractuur en/of een hersenschudding, heeft toegebracht, door die [aangever]

- eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen het gezicht/hoofd, althans tegen lichaam te slaan en/of stompen en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen de (onder)rug, althans tegen het lichaam, te trappen en/of te schoppen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever] heeft mishandeld door hem

- eenmaal of meermalen te duwen en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen het gezicht/hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of stompen en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen de (onder)rug, althans tegen het lichaam, te trappen en/of te schoppen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken duim en/of loszittende tanden en/of (af)gebroken tand(en) en/of een (onder)kaakfractuur en/of een hersenschudding ten gevolge heeft gehad;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat de bij aangever ontstane verwondingen niet als zwaar lichamelijk letsel zijn aan te merken. Niet blijkt van een ziekte die geen uitzicht geeft op volkomen genezing, de kaakfractuur was een kleine fractuur waar geen operatief ingrijpen voor nodig was en tandletsel levert niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel op. Van het geven van een enkele (afwerende) trap tegen de romp kan bovendien niet gezegd worden dat iemand daarmee (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verder heeft zij naar voren gebracht dat verdachte van het tenlastegelegde medeplegen moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van het voor medeplegen vereiste opzet op een nauwe en bewuste samenwerking.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feitelijke toedracht.

Verdachte was in de nacht van 17 op 18 februari 2018 met vrienden, waaronder [medeverdachte] (hierna te noemen: medeverdachte) in Amsterdam. Het gezelschap was na middernacht onderweg naar het centraal station. Verdachte en medeverdachte passeerden op enig moment een groep personen bestaande uit aangever, zijn schoondochter, zoon en dochter, die ter hoogte van de Prins Hendrikkade/Nieuwebrugsteeg op een taxi stonden te wachten. Op het moment dat verdachte en medeverdachte aangever en zoon passeerden, viel het woord “kankermongolen”. Getuige [getuige 1] , dochter van aangever, heeft verklaard dat de mannen zich kennelijk aangesproken voelden en agressief begonnen te doen. Er werd geduwd en een van de twee heeft toen de bril van aangever van zijn hoofd geslagen, waardoor hij naar achteren viel. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat NN1 de kortere man was en blond haar had en dat NN2, die er later bijkwam, de langere man was. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij aangever heeft geslagen en heeft bij de politie verklaard dat hij zou kunnen worden omschreven als ‘de rooie’. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat medeverdachte degene is die wordt omschreven als de kortere man, kaal of met kort blond haar en verdachte de langere van de twee is en voldoet aan de door getuigen gegeven omschrijving van NN2. Daarmee stelt de rechtbank vast dat medeverdachte degene is geweest die aangever tegen het hoofd heeft geslagen.

Uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , zoon van aangever, leidt de rechtbank vervolgens af dat aangever, nadat hij enigszins van de klap was bekomen, hard tegen zijn onderrug werd getrapt, waardoor aangever naar voren viel en met zijn hoofd op de grond is gekomen zonder zijn val af te weren. Een aantal tanden van aangever was kapot en uit zijn mond gevallen, er lag bloed op de grond en aangever was buiten bewustzijn. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een afhoudende trap heeft gegeven tegen het lichaam van een persoon – naar hij vermoedt de vader (dus aangever) – ter hoogte van de romp. Verdachte heeft zijn verklaring ter terechtzitting bevestigd. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte degene is geweest die aangever tegen zijn onderrug heeft getrapt.

Zwaar lichamelijk letsel

Aan de hand van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat aangever in deze vechtpartij het voorgaande letsel is toegebracht. Na onderzoek in het ziekenhuis bleek dat daarnaast de kaak en de duim van aangever waren gebroken. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk is gebleken. Aangever is geopereerd aan zijn duim en is inmiddels meerdere malen behandeld aan het letsel aan zijn gebit en kaak. Ook in de (nabije) toekomst zal aangever nog medische behandelingen moeten ondergaan voor het herstel van zijn gebit en kaak. Het is nog onzeker of, en zo ja, wanneer er uitzicht is op (volledig) herstel van dat letsel. Op grond hiervan en vanwege de veelvoud van de verwondingen is de rechtbank – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat dit letsel zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht oplevert en komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging.

Ontstaan van het zwaar lichamelijk letsel door trap en niet door slaan

De rechtbank acht op basis van de hiervoor geschetste toedracht niet aannemelijk dat het zwaar lichamelijk letsel is ontstaan anders dan door het geven van de trap tegen de onderrug van aangever. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat dit letsel door de klap op het hoofd van medeverdachte is toegebracht. De aard van het letsel past bovendien bij een val met het aangezicht en de duim op een harde ondergrond. Dat is gebeurd nadat verdachte aangever tegen zijn onderrug heeft getrapt. Daarom gaat de rechtbank ervanuit dat de trap tegen de onderrug van aangever, waardoor hij ten val is gekomen tot het zwaar lichamelijk letsel heeft geleid.

Medeplegen en opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of verdachte en medeverdachte deze trap in de rug van aangever in vereniging hebben gepleegd. Dat is het geval als de samenwerking nauw en bewust was – als in de kern sprake is van een gezamenlijke uitvoering – en als de bijdrage van beide verdachten van voldoende gewicht is. Daarbij merkt de rechtbank op dat het opzet van de medepleger behalve op de samenwerking in beginsel alleen gericht hoeft te zijn op de eigen verrichte gedraging. Het is niet nodig dat komt vast te staan dat verdachte weet had van de precieze gedragingen die medeverdachte heeft verricht. Er is dus geen opzet vereist op de precieze rol van de medeverdachte.

Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat het medeverdachte is geweest, die als eerste in een vechtpartij met (de familie van de) aangever terecht is gekomen. Medeverdachte heeft een klap aan aangever gegeven. Verdachte is hem vervolgens te hulp geschoten. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij medeverdachte wilde ontzetten en hem daar niet alleen wilde achterlaten. Daarom heeft verdachte zich gemengd in de vechtpartij en de trap in de rug van aangever gegeven. De rechtbank oordeelt dat daarmee in de kern sprake is van gezamenlijke uitvoering en dat verdachte en medeverdachte allebei een significante bijdrage hebben geleverd. Medeverdachte is immers het eerst in gevecht geraakt en verdachte heeft zich niet gedistantieerd, maar kort daarna de trap gegeven die heeft geleid tot het zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte en medeverdachte ook opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat zij dit doelbewust hebben gedaan. Daarom dient zij te beoordelen of opzet in voorwaardelijke zin kan worden bewezen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank is van oordeel dat door iemand een trap tegen de onderrug geven niet de aanmerkelijke kans bestaat dat zwaar lichamelijk letsel gaat optreden. De rechtbank vindt daarom de kans dat aangever door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen, niet aanmerkelijk. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Wel vindt de rechtbank bewezen dat verdachte aangever heeft mishandeld door hem eenmaal (met kracht) tegen de onderrug te trappen, waardoor aangever zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

Verwerping van het beroep op noodweer

De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Zij heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Verdachte wilde medeverdachte uit de ontstane situatie ontzetten en kreeg daarbij te maken met de agressie die uitging van de groep van aangever. Verdachte kon niet anders dan een afwerende trap geven. Dit handelen is proportioneel en ook is voldaan aan de subsidiariteitseis omdat verdachte geen andere keus had dan zijn belagers door middel van een trap af te weren.

De rechtbank vindt de feiten en omstandigheden die de verdediging aan de verweren ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Niet blijkt dat vanuit de groep van aangever dreiging, agressie of geweld uitging waardoor verdachte gerechtvaardigd in de veronderstelling kon verkeren dat hij zou worden aangerand. Het enkele feit dat hij vreesde dat er iets zou gebeuren, is onvoldoende. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt bovendien zijn weerlegging in hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van de feitelijke toedracht heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet aannemelijk geworden dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie. Daarom wordt het beroep op noodweer verworpen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, vindt de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van mishandeling van [aangever] door hem een trap te geven in de onderrug, terwijl [aangever] daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

op 18 februari 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander [aangever] heeft mishandeld door hem

- eenmaal (met kracht) tegen de onderrug te trappen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken duim en loszittende tanden en (af)gebroken tanden en een (onder)kaakfractuur ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Verdachte heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Indien hij bij zijn handelen de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is dit het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging ontstaan door een confrontatie met agressie en geweld zodat sprake is van noodweerexces. Als niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie, geldt dat verdachte gerechtvaardigd in de veronderstelling verkeerde dat die situatie zich voordeed, zodat hem in dat geval een beroep op putatief noodweer toekomt, zo stelt hij.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

Nu de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie (zie rubriek 4), kan het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slagen. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte gerechtvaardigd in de veronderstelling kon verkeren dat sprake was van een noodweersituatie. Daarom wordt ook het beroep op putatief noodweer verworpen.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweren gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een mishandeling ten gevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Deze mishandeling heeft op de openbare weg plaatsgevonden en gesproken kan worden van zinloos uitgaansgeweld. Het handelen van verdachte heeft ernstige gevolgen gehad voor het slachtoffer die aan zijn duim moest worden geopereerd en nog steeds medische behandelingen aan zijn gebit en kaak in het vooruitzicht heeft. Niet alleen heeft verdachte door het plegen van dit feit de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, maar dergelijk geweld schokt ook de samenleving en roept gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid op.

Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2019 betreffende verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

Hoewel verdachte zich aan een ernstig feit heeft schuldig gemaakt, vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie om een gevangenisstraf op te leggen, te fors. Omdat de rechtbank tot bewezenverklaring van een minder ernstig verwijt komt, zal zij voor een andere strafmodaliteit kiezen. Daarbij betrekt de rechtbank in het voordeel van verdachte zijn persoonlijke omstandigheden, namelijk dat hij werk heeft en een stabiele woonsituatie. In strafmatigende zin wordt ook meegewogen dat de zoon van aangever wel enige negatieve rol heeft gehad in het geheel.

De rechtbank vindt al met al een taakstraf van 100 uren passend. Daarop zal het reeds door verdachte ondergane voorarrest op na te noemen wijzen nog in mindering worden gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] vordert € 8.581,27 aan vergoeding van materiële schade en € 12.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade integraal kan worden toegewezen. De gevraagde vergoeding van immateriële schade kan volgens hem worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-, met wettelijke rente. Ook heeft hij gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. In het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de kostenpost medische kosten gezien de ingewikkeldheid een onevenredige belasting vormt voor het strafproces, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dat deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De overige gevraagde materiële kosten vormen geen rechtstreekse schade en dienen te worden afgewezen. De vordering van de immateriële schade vormt eveneens een onevenredige belasting van het strafgeding. Bovendien staat het gevraagde bedrag niet in verhouding tot de aard van het letsel. Ook heeft aangever zelf een aandeel gehad in het geheel.

De rechtbank oordeelt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel groot € 3.981,55 (bestaande uit de niet-vergoede medische kosten (ad € 617,11 en € 2.260,24) en de kosten voor het inhuren van een chauffeur (ad € 1.104,20) niet onrechtmatig of ongegrond voor. Wat betreft de gevorderde, nog te maken, tandartskosten is onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij die kosten zelf moet maken. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de gemiste zeiltrainingen schade opleveren in de zin van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het toestaan van een nadere ronde om de vordering op dat punt te onderbouwen zou een onaanvaardbare vertraging van het strafproces betekenen. De rechtbank zal daarom € 3.981,55 aan schadevergoeding toewijzen, te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 18 februari 2018. Nu ook medeverdachte voor deze schade verantwoordelijk is, zal de rechtbank bepalen dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.

Ook is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De rechtbank stelt voorop dat weinig bekend is over de gevolgen van het incident voor het welbevinden van de benadeelde partij op lange termijn. Het letsel is naar geweest en zal voor veel ongemak hebben gezorgd. Op grond van hiervan en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op

€ 2.000,-, welk bedrag eveneens wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2018.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering, desgewenst, nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [aangever] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Kosten rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief in kantonzaken, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 600,- (2 punten à € 300,-).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 onder het kopje ‘bewezenverklaring’ is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 (subsidiair):

medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen en met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Wijst de vordering van [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van in totaal € 5.981,55

(zegge: vijfduizendnegenhonderdeenentachtig euro en vijfenvijftig eurocent), bestaande uit een bedrag van € 3.981,55 (zegge: drieduizendnegenhonderdeenentachtig euro en vijfenvijftig eurocent) aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 2.000,-

(zegge: tweeduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 600,- (zeshonderd euro).

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op om ten behoeve van [aangever] € 5.981,55

(zegge: vijfduizendnegenhonderdeenentachtig euro en vijfenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 64 dagen gijzeling opgelegd. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. J. Thomas en C. Huizing- Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 januari 2020.

[...]