Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3474

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
13/110626-19 (A) + 13/654020-18 (B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man krijgt 7 jaar gevangenisstraf onder meer omdat hij op 28 april 2019 een vrouw in Amsterdam bruut verkrachtte. Diezelfde dag mishandelde hij bovendien een ander. Een dag later beroofde hij een samen met een ander een man met geweld van zijn geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/110626-19 (A) + 13/654020-18 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 17 juli 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [naam] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat door de raadsvrouw van verdachte in zaak A mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, de raadsman van verdachte in zaak B, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Ten aanzien van zaak A:

1. verkrachting van [slachtoffer 1] op 28 april 2019 te Amsterdam en

2. mishandeling van [slachtoffer 2] op 28 april 2019 te Amsterdam en

3. diefstal in vereniging met geweld tegen [slachtoffer 3] op 28 april 2019 te Duivendrecht.

Ten aanzien van zaak B:

1. poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 4] op 18 mei 2014 te Diemen, subsidiair ten laste gelegd als eenvoudige mishandeling en

2. mishandeling van [slachtoffer 4] op 18 mei 2014 te Diemen door in haar vinger te bijten.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Met betrekking tot zaak A.

[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) ging op 27 april 2019, Koningsdag, met vrienden naar het centrum van Amsterdam. Daar ontmoetten zij een groep jongens, waaronder verdachte, die ballonnen met lachgas verkochten. Op enig moment vertrok een deel van de vrienden en bleven [slachtoffer 1] , haar vriendin [naam vriendin] (hierna: [naam vriendin] ) en verdachte over. [naam vriendin] is toen naar haar eigen woning gegaan, [slachtoffer 1] en verdachte zijn eerst naar de woning van [naam kennis] , een kennis van verdachte, gegaan. In die woning heeft [slachtoffer 1] op enig moment het toilet bezocht.

Vervolgens zijn [slachtoffer 1] , verdachte en [naam kennis] vertrokken naar de woning van [naam vriendin] , waar ook [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2] ) aanwezig was. [slachtoffer 1] heeft [slachtoffer 2] buiten verteld dat ze door verdachte anaal was verkracht. Nadat [slachtoffer 2] weer terug de woning in ging, ontstond er een conflict tussen hem en verdachte, waarbij [slachtoffer 2] naar zijn zeggen door verdachte in het gezicht werd geslagen. Volgens verdachte duwde hij [slachtoffer 2] in het gezicht, omdat [slachtoffer 2] naar hem keek op een manier die hem niet beviel. De politie is gebeld en toen deze ter plaatse kwam, troffen ze [slachtoffer 1] hevig geëmotioneerd aan op het bed.

Op 28 april 2019 werd bij de autowasstraat ‘Happy Duck’ in Duivendrecht [slachtoffer 3] beroofd door twee daders, waarvan één verdachte zou zijn. Bij de beroving zijn onder meer een grote hoeveelheid contant geld en bankpassen buitgemaakt. Met één van de bankpassen is diezelfde dag een hoeveelheid tabak afgerekend. Volgens verdachte is hij met het slachtoffer in gevecht geraakt, maar was het zijn metgezel die hem heeft beroofd.

Verdachte is op 6 mei 2019 aangehouden. [slachtoffer 1] heeft diezelfde dag zelfmoord gepleegd.

Met betrekking tot zaak B.

De Braziliaanse toerist [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) was op 18 mei 2014 vanuit de woning waar zij toen verbleef lopend onderweg naar metrostation Diemen-Zuid. Zij werd aangesproken door een negroïde man. Deze man liep een eindje met haar mee en trok haar plotseling de bosjes in alwaar hij haar ernstig mishandelde. Tijdens deze mishandeling beet de dader ook in de rechter wijsvinger van [slachtoffer 4] . Deze vinger werd bemonsterd en uit het monster is een DNA-profiel vastgesteld dat in de databank wordt bewaard. Voorts heeft [slachtoffer 4] een signalement van de dader gegeven.

In 2017 is bij verdachte DNA afgenomen en vergeleken met DNA-profielen in de databank. Hierbij werd een match gevonden met het in 2014 afgenomen DNA. Verdachte ontkent de dader te zijn en heeft gesteld dat zijn DNA toevallig op de vinger van het slachtoffer terecht kan zijn gekomen, bijvoorbeeld omdat [slachtoffer 4] iets heeft aangeraakt waar ook zijn DNA op zat.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Met betrekking tot zaak A.

De officier van justitie acht de verkrachting van [slachtoffer 1] bewezen. Hij heeft daartoe gewezen op de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen waarin is gerelateerd dat verbalisanten [slachtoffer 1] hevig geëmotioneerd aantroffen in de woning van [naam vriendin] . Voorts heeft de officier van justitie gewezen op de letselbeschrijving die zijns inziens past bij de aangifte, alsmede op onderzoek aan DNA dat aan de binnenkant van de onderbroek van [slachtoffer 1] is aangetroffen. Weliswaar zijn op het lichaam van [slachtoffer 1] geen DNA-sporen gevonden die matchen met het profiel van verdachte, maar van de GGD-arts heeft de officier van justitie vernomen dat anale bemonsteringen ingewikkelder te nemen zijn dan vaginale. Volgens de officier van justitie heeft verdachte wisselend verklaard en zijn verklaring afgestemd op onderzoeksbevindingen. Hij verklaarde immers pas dat hij [slachtoffer 1] heeft gevingerd nadat hij van de DNA-match had vernomen.

Refererend aan de aangifte, de getuigenverklaring en ook de eigen verklaring van verdachte acht de officier van justitie de mishandeling van [slachtoffer 2] eveneens bewezen.

Hetzelfde geldt voor de beroving van [slachtoffer 3] . Met betrekking tot dit feit heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte en de camerabeelden van het incident. Voorts acht de officier van justitie van belang dat op camerabeelden is te zien dat verdachte en de mededader in een sigarenmagazijn hebben geprobeerd te betalen met de ING-pas van het slachtoffer en daadwerkelijk hebben betaald met diens ABN-pas.

Met betrekking tot zaak B.

De officier van justitie meent dat feit 1 primair en feit 2 kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe gewezen op het proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten relateren hoe zij [slachtoffer 4] aantreffen, waarna zij een signalement opgeeft dat volgens de officier van justitie past op verdachte. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op het verhoor van [slachtoffer 4] in het ziekenhuis, de aangifte, de letselverklaring en de getuigenverklaring van getuige [getuige 1] , die de toestand van het slachtoffer beschrijft hoe zij bij hem binnenkwam. De officier van justitie wijst tevens op het DNA dat, gelet op de specifieke plaats waarop het is aangetroffen als daderspoor kan worden aangemerkt. [slachtoffer 4] had zich voor vertrek gewassen en schone kleren aangedaan, zodat onaannemelijk is dat het DNA van verdachte tussen haar vertrek uit de woning en de mishandeling korte tijd later toevallig op haar wijsvinger is gekomen.

Volgens de officier van justitie kan het feit worden gekwalificeerd als poging tot doodslag, nu sprake is van voorwaardelijk opzet door het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals in de vorm van een verwurging. [slachtoffer 4] verklaart dat ze zelfs even buiten bewustzijn is geweest, aldus de officier van justitie. Voorts acht de officier van justitie in dit verband van belang dat het hoofd van [slachtoffer 4] op de grond is geslagen en zij meermalen tegen het hoofd is gestompt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot zaak A.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer 1] dient te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen als consequentie zou hebben dat verdachte vrijgesproken moet worden van verkrachting. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om haar te horen. Een vraag waar de verdediging bijvoorbeeld mee zit is of het geconstateerde letsel aan de anus van [slachtoffer 1] het gevolg kan zijn van aambeien die zij zou hebben. In dat verband heeft de raadsvrouw erop gewezen dat geen DNA van verdachte is aangetroffen in of rond de anus terwijl [slachtoffer 1] kort na het incident op het politiebureau door een forensisch arts is onderzocht. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] dient te worden uitgesloten van het bewijs omdat deze als onbetrouwbaar is aan te merken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw enkele verschillen aangestipt tussen de politieverklaring en de woordelijke uitwerking van haar verklaring. Tevens heeft zij opmerkelijke passages in de verklaringen van de aangeefster benoemd.

Tot slot heeft de raadsvrouw gewezen op ontlastend bewijs. De verklaring van de getuige [naam kennis] is daarvan een voorbeeld. Voorts blijkt uit het rapport van het TMFI dat de bemonstering van in de onderbroek van [slachtoffer 1] DNA-kenmerken bevat van [slachtoffer 1] , verdachte en een onbekende, niet verwante persoon. Dit brengt de raadsvrouw tot de conclusie dat er mogelijk een andere persoon is waarmee [slachtoffer 1] eerder seks of ander lichamelijk contact heeft gehad.

Tot slot heeft de raadsvrouw gewezen op ontlastende Whatsapp-berichten tussen [slachtoffer 1] en haar vriendin waarin wordt gesproken over “drank en shit” en door [slachtoffer 1] wordt gezegd dat het heel gezellig is. In de telefoon van verdachte staan filmpjes waarop te zien is dat verdachte en [slachtoffer 1] samen lachgas gebruiken en een filmpje waarop te zien is dat de aangeefster cocaïne wil gaan nemen.

Ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw de vraag voorgelegd of de rechtbank uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan bekomen dat verdachte de mishandeling heeft begaan.

Ten aanzien van de beroving van [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte fysiek contact met de aangever erkent, maar dat zijn oogmerk niet het wegnemen van geld en goederen was.

Met betrekking tot zaak B.

De raadsman van verdachte heeft gewezen op de mogelijkheid van secundaire overdracht van DNA. Het kan op plekken komen zonder dat je daar erg in hebt en zonder dat je daar een verklaring voor kunt geven. De raadsman merkt op dat het DNA slechts op één plek is aangetroffen, te weten de wijsvinger van het slachtoffer. Dat is bij uitstek de plek waar toevallig DNA-materiaal van anderen op terecht kan komen, omdat de wijsvinger de hele dag veelvuldig in contact komt met allerlei voorwerpen. DNA van een ander kan bijvoorbeeld via een deurkruk, winkelmandje, trapleuning en vele andere voorwerpen op je vinger terecht komen. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij na aankomst in Amsterdam op vele plekken is geweest en gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer. Er waren dus vele mogelijkheden om met het DNA van onschuldigen in contact te komen, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman gewezen op de mogelijkheid van contaminatie.

De raadsman heeft daarnaast gesteld dat het signalement dat [slachtoffer 4] van de dader heeft gegeven niet onderscheidend is in de Bijlmer. Bovendien zegt zij niets over de tatoeages in het gezicht en de nek van verdachte, terwijl zij hem van dichtbij heeft gezien, hij is korter dan 1,75 meter en heeft geen glimmende huid. Een Foslo heeft niet plaatsgevonden. De raadsman heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat in elk geval vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 primair ten laste gelegde. De letselbeschrijving zegt niets over breuken in het gezicht of aan de schedel. Het slaan van het hoofd tegen de grond rechtvaardigt niet de kwalificatie zolang over de ondergrond niets bekend is. Symptomen van een tekort aan zuurstof door verwurging zijn niet beschreven. Bovendien staat vrijwillige terugtred een veroordeling voor het primaire feit in de weg. [slachtoffer 4] verklaart immers dat de mishandeling op enig moment zonder specifieke aanleiding stopte.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot zaak A.

Met de verdediging constateert de rechtbank dat de verdediging [slachtoffer 1] niet heeft kunnen ondervragen en het verdedigingsrecht zodoende niet heeft kunnen uitoefenen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:1016), het volgende overwogen:

“3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term ‘witnesses/témoins’ in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3

Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of een bewezenverklaring in deze zaak in beslissende mate zou worden gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 1] heeft verklaard, kort samengevat, dat zij samen met verdachte de woning van [naam kennis] heeft bezocht nadat zij op Koningsdag terugkwamen uit het centrum van Amsterdam. In de woning werd verdachte steeds opdringeriger en probeerde haar met de tong te zoenen. [slachtoffer 1] is op enig moment naar het toilet in de badkamer van de woning gegaan. Volgens [slachtoffer 1] wilde verdachte tegen haar zin de badkamer in komen, en heeft hij op een gegeven moment de badkamerdeur van buiten geopend toen [slachtoffer 1] nog op het toilet zat. Verdachte probeerde aanvankelijk zijn penis in de mond van [slachtoffer 1] te duwen. Toen dat niet lukte heeft hij haar over de wasbak gegooid en haar vanachter in een houdgreep gehouden, met een hand in haar nek en een hand bij haar heupen. Hij heeft haar hard tegen de zijkant van haar hoofd geslagen. [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte vervolgens zijn penis in haar anus heeft geduwd en zes of zeven keer heel hard heeft gestoten. Doordat zij zich bleef verzetten kon [slachtoffer 1] uiteindelijk wegkomen.

De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , zowel in het informatieve gesprek als bij de aangifte, authentiek en eerlijk overkomen. Er zitten geen wezenlijke verschillen tussen haar verklaringen. Verschillen tussen haar verklaringen op detailniveau zijn goed te verklaren doordat zij put uit haar (naar de algemene ervaring leert soms falende) geheugen en hoeven geen aanwijzing te zijn dat zij, zoals verdachte wil doen voorkomen, het hele verhaal heeft verzonnen.

De verklaring van [slachtoffer 1] wordt gesteund door verschillende forensische onderzoeksbevindingen.

Allereerst is er het DNA-onderzoek dat TMFI heeft uitgevoerd op de onderbroek van [slachtoffer 1] . TMFI heeft de onderbroek op verschillende plaatsen bemonsterd. In het kruis van de onderbroek is een spermafractie aangetroffen, in de bemonstering waarvan een DNA-mengprofiel is gevonden van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. TMFI heeft vastgesteld dat de resultaten van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer het spoor in het kruis DNA bevat van [slachtoffer 1] , verdachte en een onbekende, niet verwante persoon dan wanneer het DNA bevat van [slachtoffer 1] en twee onbekende, niet verwante personen. Met andere woorden, het is vrijwel zeker dat er DNA-materiaal van verdachte in het kruis van de onderbroek van [slachtoffer 1] zat.

Daarnaast is aangeefster kort na het incident onderzocht door een forensisch arts. Deze heeft diverse huidverkleuringen en beschadigingen waargenomen op onder andere de rechterheup, de rechterknie en bij de anus van aangeefster. In de letselverklaring wordt vermeld dat op verschillende plekken van de anus sprake is van vers slijmvliesletsel en opgedroogd bloed, hetgeen volgens de forensisch arts goed kan passen bij de door aangeefster beschreven toedracht.

Verder vindt de verklaring van [slachtoffer 1] steun in de getuigenverklaringen van [slachtoffer 2] en [naam vriendin] . [slachtoffer 2] verklaart dat [slachtoffer 1] , nadat zij met verdachte in de woning van [naam vriendin] was aangekomen, hem apart heeft genomen en aan hem heeft verteld dat ze door verdachte anaal was verkracht. Hij beschrijft dat [slachtoffer 1] , toen verdachte eenmaal de woning had verlaten, enorm emotioneel werd en hysterisch op het bed lag te huilen. Ook [naam vriendin] verklaart dat [slachtoffer 1] erg begon te huilen, en dit wordt bevestigd door de politie die kort daarna ter plaatse kwam. Naar het oordeel van de rechtbank past de door getuigen en door de politie beschreven emotionele staat van [slachtoffer 1] bij hetgeen zij zelf heeft verklaard over de avond, en draagt deze bij aan de betrouwbaarheid van de aangifte.

Het forensisch bewijs en getuigenbewijs ondersteunt de aangifte op punten die door verdachte worden ontkend, waarbij aangetekend dient te worden dat verdachte wisselend en soms tegenstrijdig heeft verklaard over de betreffende dag. Verdachte heeft aanvankelijk ontkend dat er enige seksuele handeling heeft plaatsgevonden tussen hem en [slachtoffer 1] . Op een later moment – nadat hij had kennisgenomen van de DNA-match in de onderbroek van [slachtoffer 1] – heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] (vaginaal) heeft gevingerd toen zij in de auto op [naam kennis] aan het wachten waren. Alhoewel dit een verklaring zou kunnen opleveren voor het aangetroffen DNA-materiaal in de onderbroek van [slachtoffer 1] , verklaart dit niet het verse letsel en het opgedroogde bloed aan en om haar anus. Dat dit van aambeien afkomstig zou kunnen zijn, zoals door de verdediging is gesteld, sluit de rechtbank uit. Het letsel is immers kort na het incident vastgesteld door een forensisch arts, van wie bij uitstek mag worden verwacht dat hij onderscheid kan maken tussen eventueel delictgerelateerd letsel en een medische conditie. Daar komt bij dat in de versie van de avond zoals verdachte die heeft geschetst (waarin buiten cocaïnegebruik door [slachtoffer 1] en een aanvaring van verdachte met [slachtoffer 2] geen noemenswaardige incidenten hebben plaatsgevonden) op geen enkele manier de hevige emotionele toestand kan worden verklaard waarin de politie [slachtoffer 1] die avond aantrof, noch waarom zij toen een zeer ingrijpende valse beschuldiging richting hem zou uiten.

Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat de aangifte van [slachtoffer 1] in zodanige mate wordt ondersteund door overige (niet op de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster toegesneden) bewijsmiddelen, dat de aangifte niet het beslissende bewijs tegen verdachte is. Om die reden kan de verklaring van [slachtoffer 1] zonder meer bijdragen tot het bewijs. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat aan de verdediging compensatie is geboden voor het wegvallen van de mogelijkheid om [slachtoffer 1] te ondervragen. Zij hebben immers de audio-opnamen en woordelijk uitgewerkte versies van de verhoren ter beschikking gesteld gekregen, om deze op betrouwbaarheid te kunnen toetsen.

De rechtbank heeft uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, de overtuiging bekomen dat verdachte de ten laste gelegde verkrachting heeft gepleegd.

De rechtbank acht ook de mishandeling van [slachtoffer 2] en de beroving van [slachtoffer 3] bewezen. De verweren van de verdediging worden weerlegd door de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen en behoeven om die reden geen verdere bespreking.

Met betrekking tot zaak B.

Naar het oordeel van de rechtbank is bewezen dat verdachte de dader is van de ernstige mishandeling van [slachtoffer 4] . Het DNA van verdachte is aangetroffen op een zeer specifieke plek, daar waar de dader in haar vinger heeft gebeten. Vast staat verder dat [slachtoffer 4] en verdachte elkaar niet kenden, zodat er vanuit mag worden gegaan dat eventuele secundaire overdracht zich in de openbare ruimte moet hebben voorgedaan. [slachtoffer 4] heeft zich op de dag van de mishandeling zelf nauwelijks in de openbare ruimte begeven, zodat veel meer voor de hand ligt dat eventuele DNA-overdracht dan een dag eerder heeft plaatsgevonden, toen [slachtoffer 4] door Amsterdam heeft gelopen. Door het lange tijdsverloop tussen de overdracht en de bemonstering is de kans echter zeer klein dat er in dat geval nog DNA-materiaal van verdachte op de vinger aanwezig zou zijn1. Daar komt bij dat [slachtoffer 4] zich voor vertrek nog heeft gewassen, zodat de kans op secundaire overdracht nog kleiner is.

Het DNA-bewijs staat niet op zichzelf. De rechtbank heeft ter terechtzitting geconstateerd dat het signalement dat het slachtoffer van de dader heeft gegeven past op verdachte. Het signalement van de dader is bovendien onderscheidend, met name wat betreft de ruimte tussen zijn boventanden, die door [slachtoffer 4] is gezien. Verdachte heeft die ruimte ook, zoals te zien is op de foto op bladzijde 21 van het dossier van zaak A1. Met betrekking tot de voortanden heeft de rechtbank dit bovendien zelf ter zitting waargenomen. Dat aangeefster geen tatoeages heeft gezien in het gezicht van de dader, terwijl verdachte die wel had, maakt dat niet anders. De tatoeages in het gezicht van verdachte zijn niet heel duidelijk als zodanig herkenbaar, mogelijk mede door zijn donkere huid. Een en ander tezamen en in onderlinge samenhang bezien brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de dader is van dit strafbare feit.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde.

Met de raadsman van verdachte en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de mishandeling, hoe ernstig van aard ook, niet valt te kwalificeren als een poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling. Het slaan van het hoofd op de grond levert niet zodanige kwalificatie op als geen nadere informatie over de ondergrond bekend is.

Ook het stompen op het hoofd levert niet zonder meer zwaar letsel op. Tot slot bevat de letselverklaring geen objectieve aanwijzingen van zuurstofgebrek. Een en ander leidt tot de conclusie dat uit de inhoud van het dossier niet volgt dat de kans op de dood of op zwaar letsel aanmerkelijk is geweest. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:

op of omstreeks 28 april 2019 te Amsterdam door geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte,

  • -

    terwijl die [slachtoffer 1] op het toilet zat het hoofd van die [slachtoffer 1] vastgepakt en naar zijn penis geduwd en

  • -

    die [slachtoffer 1] beetgepakt en

  • -

    die [slachtoffer 1] over een wasbak geduwd en

  • -

    die [slachtoffer 1] bij de nek vastgepakt en

  • -

    die [slachtoffer 1] tegen het hoofd geslagen en

  • -

    zijn penis meermalen in de anus van die [slachtoffer 1] gestoten;

ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde:

op 28 april 2019 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het gezicht te slaan of te stompen, waardoor die [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde:

op 28 april 2019 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1.460 euro en bankpassen en rijbewijzen, toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader met kracht een elleboogstoot tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 3] hebben gegeven en vervolgens voornoemde [slachtoffer 3] bij zijn lichaam hebben vastgepakt;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 subsidiair ten laste gelegde:

op 18 mei 2014 te Diemen opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4]

  • -

    bij de keel heeft gegrepen en de keel heeft dichtgeknepen en in een wurggreep en/of nekklem heeft genomen en

  • -

    de bosjes in heeft getrokken en

  • -

    meermalen met de vuist tegen het gezicht en het hoofd heeft gestompt

waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:

op 18 mei 2014 te Diemen opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] in de vinger heeft gebeten, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest, en dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

Hij heeft aangevoerd dat sprake is van een reeks geweldsdelicten waardoor het leven van de slachtoffers volledig op zijn kop is gezet. Feiten als de onderhavige brengen gevolgen mee, fysiek, maar zeker ook mentaal. Hoewel verdachte de dood van [slachtoffer 1] niet direct op zijn geweten heeft, is de officier van justitie ervan overtuigd dat de heftige gebeurtenis, in het licht van hetgeen allemaal al speelde daarbij een rol heeft gespeeld. Daarnaast is verdachte eerder voor geweldsdelicten veroordeeld. De oriëntatiepunten van het LOVS zijn gebaseerd op algemene feiten, terwijl in deze zaak sprake is van specifieke omstandigheden, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie acht het herhalingsgevaar groot. Aangezien verdachte niet heeft willen meewerken aan onderzoek naar zijn persoon, hebben de deskundigen geen diagnose kunnen stellen en zich onthouden van advies.

Door het vorderen van genoemde maatregel heeft de officier van justitie beoogd verdachte langer te kunnen monitoren en voorwaarden te kunnen stellen om het recidivegevaar te kunnen terugdringen. Hij heeft gewezen op het preventieve karakter van het strafrecht naast het repressieve karakter ervan en vindt dat de maatschappij zoveel mogelijk tegen verdachte dient te worden beschermd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft passages geciteerd uit de PBC-rapportage waaruit blijkt dat verdachte een positieve bijdrage leverde aan het groepsgebeuren en er geen aanwijzingen zijn voor verwardheid of bizar gedrag. Zij heeft voorts gewezen op de oriëntatiepunten van het LOVS waar als uitgangspunt voor verkrachting een gevangenisstraf van 24 maanden wordt genoemd.

De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat puur op de tenlastelegging dient te worden beoordeeld en dat genoemde oriëntatiepunten spreken van maanden, niet van jaren. Hij heeft erop gewezen dat een verdachte niet verplicht is om aan het onderzoek mee te werken.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brute verkrachting van [slachtoffer 1] en daarmee haar lichamelijke integriteit op schokkende wijze geschonden. [slachtoffer 1] was in goed vertrouwen met verdachte meegegaan en de sfeer was gezellig tot het moment waarop verdachte opeens van haar eiste dat zij hem zou pijpen, en hij haar gewelddadig anaal verkrachtte toen ze dat weigerde.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zulke feiten daarvan nadelige psychische gevolgen ondervinden. Dit klemt in deze zaak temeer nu [slachtoffer 1] een kwetsbaar slachtoffer bleek te zijn. Op de dag van de aanhouding van verdachte heeft [slachtoffer 1] zich van het leven beroofd. Het is niet met zekerheid vast te stellen in welke mate de verkrachting van invloed was op die beslissing, maar het is niet goed voorstelbaar dat de zelfmoord van [slachtoffer 1] helemaal los staat van de verkrachting.

De raadsvrouw van verdachte heeft terecht gewezen op de oriëntatiepunten van het LOVS in zake verkrachting. Bij dergelijke delicten kan de aard en ernst van de feiten echter zeer uiteen lopen en vormen de LOVS-oriëntatiepunten niet meer dan een startpunt voor de gedachtenvorming over de strafmaat. In de onderhavige zaak is sprake van strafverzwarende omstandigheden. Niet in de laatste plaats de kwetsbaarheid van het slachtoffer, maar ook de mate van het toegepaste geweld en de omstandigheid dat het om een vernederende en, gelet op het letsel, pijnlijke verkrachting ging.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] .

Daarnaast heeft verdachte, slechts één dag na de verkrachting en mishandeling, [slachtoffer 3] op gewelddadige wijze beroofd. Ook van dergelijke feiten ondervinden slachtoffers doorgaans langdurig psychisch onbehagen. In deze zaak blijkt dat ook uit het schade-onderbouwingsformulier dat aan het verzoek om schadevergoeding is gehecht. Hieruit volgt dat [slachtoffer 3] de dagen na het incident van slag was. Hij had moeite zich te concentreren en was vermoeid door slaapgebrek. Hij voelde zich onzeker en was achterdochtig. Hij kampt nog altijd met angstgevoelens. Dit alles heeft verdachte ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige mishandeling van [slachtoffer 4] , die als toerist uit Brazilië Amsterdam bezocht. Ook in dit geval was sprake van een dader die het slachtoffer omschreef als een man, wiens gemoedstoestand plotseling zonder enige aanleiding omsloeg. Hij trok haar plotseling de bosjes in waarna een heftige mishandeling volgde. Dit moet een zeer traumatische ervaring zijn geweest voor het slachtoffer, het is goed voorstelbaar dat zij doodsangsten heeft uitgestaan. Uit het schade-onderbouwingsformulier blijkt dat de jaren na het feit zwaar voor haar zijn geweest. Zij had moeite het huis uit te komen en contact te leggen met anderen. Tevens had zij veel last van herbelevingen. Zij heeft ruim een jaar psychologische hulp gehad bij traumaverwerking.

Zoals hiervoor overwogen levert dit feit geen poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling op. Dit is echter een kwalificatie-aspect, het doet aan de ernst van de mishandeling niet af en slechts in geringe mate aan de strafwaardigheid ervan.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juli 2019 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, ook voor geweldsdelicten. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte in Curaçao meermalen is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten tot langdurige gevangenisstraffen.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan onderzoek naar zijn persoon. Deskundigen hebben daarom geen diagnose kunnen stellen. Onderzoekers van het Pieter Baancentrum hebben ook niet tot conclusies kunnen komen omtrent een eventuele psychische stoornis of verstandelijke beperking. Enkel op grote lijnen konden enkele diagnostische hypotheses worden geformuleerd. Er zijn aanwijzingen voor (antisociale) persoonlijkheidsproblematiek, middelengebruik en een verstandelijke beperking. Er zijn geen aanwijzingen voor ernstige psychiatrische of autistische problematiek, maar de diagnoses kunnen door gebrek aan informatie ook niet worden uitgesloten.

Reclassering Nederland heeft in haar rapport van 1 juli 2020 in overweging gegeven om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen, teneinde voorwaarden te kunnen toepassen na de gevangenisstraf. De reclassering verwacht niet dat verdachte aan op te leggen voorwaarden zal willen meewerken, en acht het recidiverisico hoog. Oplegging van GVM biedt een steviger dwangkader, bij niet houden aan voorwaarden kan namelijk vervangende hechtenis plaatsvinden.

De raadsman van verdachte heeft terecht opgemerkt dat meewerken aan persoonlijkheidsonderzoek geen verplichting is, maar gevolg is wel dat de rechtbank geen inzicht heeft gekregen in de persoonlijkheid van verdachte. Nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een psychische stoornis of verstandelijke beperking, behoort het opleggen van TBS met dwangverpleging niet tot de mogelijkheden. Gelet op de heftigheid van de bewezen verklaarde feiten, het onvoorspelbare gedrag van verdachte en het hoge recidiverisico, ziet de rechtbank daarom geen andere mogelijkheid dan uit oogpunt van speciale preventie de maatschappij tegen verdachte te beschermen, door middel van een langdurige gevangenisstraf.

De rechtbank ziet ook aanleiding om aan verdachte daarnaast de GVM op te leggen. De rechtbank acht de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Daarbij geldt dat de wetgeving omtrent deze maatregel pas per 1 januari 2018 in werking is getreden, zodat de maatregel slechts opgelegd wordt ten aanzien van de feiten in zaak A.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 1.989,99 aan vergoeding van materiële schade en € 750,-- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 28 april 2019.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 293,-- aan vergoeding van materiële schade en € 2.750,-- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 18 mei 2014.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f (oud), 38z, 56, 57, 63, 242, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2 en 3 en het in zaak B onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:

verkrachting;

ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde:

mishandeling;

ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde:

voortgezette handeling van mishandeling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van zaak A:

Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van zaak A onder 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 1.989,99 (duizend, negenhonderd en negenentachtig euro en negenennegentig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 750,-- (zevenhonderd en vijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan [slachtoffer 3] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 28 april 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 2.739,99 (tweeduizend, zevenhonderd en negenendertig euro en negenennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 28 april 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 37 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van zaak B:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 293,-- (tweehonderd en drieënnegentig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 2.750,-- (tweeduizend, zevenhonderd en vijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan [slachtoffer 4] voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 mei 2014, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] , aan de Staat € 3.043,-- (drieduizend, drieënveertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 18 mei 2014, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2020.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.

1 https://www.forensischinstituut.nl/publicaties/publicaties/2017/10/18/secundaire-overdracht-dna