Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3455

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
C/13/668535 / HA ZA 19-717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verzekeraar moet aan een producent en verkoper van diervoeder slechts 24.750 euro betalen in plaats van ruim 533.000 euro voor extra gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/668535 / HA ZA 19-717

Vonnis van 15 juli 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOUDIJS ANIMAL NUTRITION BV,

gevestigd te Ede,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

[eiseres sub 2] ,

gevestigd te [plaats] ,

3. de vennootschap naar buitenlands recht

[eiseres sub 3] ,

gevestigd te [plaats] ,

4. de vennootschap naar buitenlands recht

[eiseres sub 4] ,

gevestigd te [plaats] ,

5. de vennootschap naar buitenlands recht

[eiseres sub 5] ,

gevestigd te [plaats] ,

6. de vennootschap naar buitenlands recht

NAKHLAN POULTRY,

gevestigd te Sana'a (Jemen),

eiseressen,

advocaat mr. R. Evers te Zwolle,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

AIG EUROPE S.A.,

gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),

gedaagde,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Eiseressen worden hierna gezamenlijk Koudijs c.s. (in enkelvoud) en afzonderlijk [naam] (eiseres sub 1) en Kopers (eiseressen 2 tot en met 6) genoemd; gedaagde wordt hierna AIG genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 juni 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 12 februari 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 mei 2020, met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van 19 juni 2020 van mr. Evers naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van 19 juni 2020 van mr. Pool naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam] is een internationaal opererende onderneming die zich richt op de productie en verkoop van diervoeder. Zij verkoopt onder meer vleeskuikenvoeder aan de in Jemen gevestigde Kopers. Het transport van het (in containers gestuwde) vleeskuikenvoeder van Nederland naar Jemen vindt doorgaans plaats per zeeschip.

2.2.

[bedrijf] (een aan [naam] gelieerde groepsonderneming) heeft per 1 januari 2010 via verzekeringsmakelaar [verzekeringsmakelaar] (hierna: [verzekeringsmakelaar] ) een doorlopende transportgoederenverzekering (hierna: de verzekeringsovereenkomst) afgesloten, waarvan met ingang van 1 januari 2015 het gehele risico gedragen wordt door AIG.

2.3.

Op de verzekeringsovereenkomst zijn de [verzekeringsmakelaar] Transport Verzekeringsvoorwaarden 2006 (hierna: MTV 2006) van toepassing, waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:

“(…)

3. Overschrijding verzekerde som

(…)

3.2

Verzekeraars vergoeden, zulks zonodig boven de verzekerde som – evenwel per gedekt voorval tot niet meer dan die som – de bereddingskosten als genoemd in artikel 7:957 Burgerlijk Wetboek door of ten behoeve van verzekerde gemaakte kosten.

3.3

Verzekeraars vergoeden eveneens, zulks zonodig boven de verzekerde som – evenwel per gedekt voorval tot niet meer dan die som – alle kosten van lossen, aan wal brengen en verblijf en alle kosten van opnieuw laden en doorzenden (al dan niet met hetzelfde vervoermiddel) en verdere, daarmee samenhangende extra kosten, voor zover die (extra) kosten het gevolg zijn van: (…)

 De omstandigheid dat de verzekerde zaken ergens uit nood of in een nood- of vluchthaven of daarmede gelijk te stellen plaats geheel of gedeeltelijk zijn gelost en daar verkocht of opnieuw geladen en mits die (extra) kosten noodzakelijk geweest zijn en redelijk zijn.

(…)

23 Rente

De verzekeraars vergoeden slechts rente te rekenen van drie maanden na indiening van de schaderekening met de daartoe betrekkelijke bescheiden, mits binnen drie maanden daarna ter zake een dagvaarding aan de verzekeraars is uitgebracht.

Indien de dagvaarding later dan zes maanden na het indienen van de schaderekening wordt uitgebracht, is geen rente verschuldigd voor de dag van de dagvaarding.

(…)”

2.4.

Op enig moment hebben [verzekeringsmakelaar] en verschillende verzekeraars, waaronder AIG, een zogeheten ‘Omnibus Agreement’ ondertekend, waarin is afgesproken dat met ingang van 1 januari 2010 op bestaande transportgoederenverzekeringen (waaronder ook de verzekeringsovereenkomst) een Extra Kosten Clausule van toepassing zal zijn. Deze Extra Kosten Clausule is daarna aan de verzekeringspolis toegevoegd en luidt als volgt:

“Extra kosten 2010

In geval van frustratie, onderbreking en/of beëindiging van de verzekerde reis door oorzaken buiten de macht en de wil van verzekeringnemer/verzekerde, waaronder als oorzaak mede begrepen insolvabiliteit of wanbetaling van de bij het vervoer betrokken partijen, vergoeden verzekeraars alle redelijke kosten die verzekeringnemer/verzekerde moet maken voor doorzending van de verzekerde zaken naar hun einddestinatie dan wel vervangende einddestinatie, ongeacht of er al dan niet sprake is van verlies van en/of materiële schade aan de verzekerde zaken, of de dreiging daarvan. Verzekeraars vergoeden echter nimmer meer dan EUR 25.000,00 als premier risque per gebeurtenis en als maximum per verzekeringsjaar, bij een eigen risico van EUR 250,00.”

Over de dekking van de Extra Kosten Clausule is in de Omnibus Agreement, voor zover hier relevant, het volgende bepaald:

2. UITBREIDING DEKKING

2.1

De clausule Extra Kosten zal uitsluitend van toepassing zijn voor zover zij een uitbreiding van de dekking van de betreffende polis biedt.

2.2

Indien op enige wijze een vergelijkbare bepaling of clausule met ruimere dekking of hogere verzekerde bedragen is overeengekomen in een polis, geldt de ruimste bepaling/clausule met de hoogste verzekerde (premier risque) bedragen.”

2.5.

Omstreeks maart 2015 brak in Jemen een burgeroorlog uit. Daarop hebben omringende landen een interventie uitgevoerd onder de naam ‘Operation Decisive Storm’. Als gevolg van die omstandigheden zijn de havens van Aden en Hodeidah (beide gelegen in Jemen) rond eind maart 2015 gesloten. De acht zendingen vleeskuikenvoeder van [naam] die op dat moment naar deze havens onderweg waren, zijn om die reden door de zeevervoerders gelost in andere havens (hierna: alternatieve havens). Deze acht zendingen waren reeds in het begin van 2015 aan Kopers waren verkocht onder het beding Cost and Freight (hierna: CFR) Yemen Port en onder de betalingsconditie Cash Against Documents (hierna: CAD).

2.6.

Op 24 april 2015 heeft [naam] de ontstane afleverproblemen gemeld aan AIG. In opdracht van AIG heeft J. Hamer & H. van Hussen B.V. (hierna: Hamer & Van Hussen), een preliminary advice d.d. 4 mei 2015 uitgebracht waarin een aantal mogelijke, nog nader te onderzoeken, oplossingen wordt besproken.

2.7.

In een e-mail d.d. 7 mei 2015 heeft [verzekeringsmakelaar] bij AIG geïnformeerd of de opslagkosten van de hiervoor genoemde zendingen in de alternatieve havens gedekt zijn onder de verzekeringsovereenkomst en zo nee, of AIG opslagdekking kon bieden. In reactie daarop heeft AIG in een e-mail op 11 mei 2015 aan [verzekeringsmakelaar] laten weten dat het verzekerde risico eindigde na lossing in de alternatieve havens en dat de toen geldende polis alleen dekking bood voor verkochte zendingen, maar dat AIG bereid was om opslagdekking te verlenen tegen een aanvullende premie. Dat voorstel is door [naam] niet aanvaard.

2.8.

In juni 2015 zijn de havens van Aden en Hoedeidah heropend. Uiterlijk op 2 juli 2015 zijn de genoemde zendingen alsnog in die havens afgeleverd.

2.9.

Wegens opnieuw oplaaiende onlusten in Jemen zijn de havens van Aden en Hodeidah in augustus 2015 nogmaals gesloten. De acht zendingen van [naam] die op dat moment naar deze havens onderweg waren – en die na de heropening van de havens in juni 2015 waren verscheept onder de betalingsconditie Delivery At Place Hodeidah – zijn toen door de zeevervoerders (wederom) gelost in andere havens. Nadat de genoemde havens opnieuw werden heropend zijn deze zendingen in oktober 2015 alsnog daar afgeleverd.

2.10.

Naar aanleiding van het voorgaande is tussen [naam] en AIG discussie ontstaan over de vraag of de verzekeringsovereenkomst dekking biedt voor de extra kosten die [naam] heeft moeten maken vanwege de opslag van de zestien zendingen in andere havens dan Aden of Hodeidah. In dat kader heeft [verzekeringsmakelaar] in een e-mail op 9 december 2015, voor zover hier relevant, als volgt aan AIG bericht:

“(…) Mijn opmerking heeft betrekking op de Extra Kosten Clausule. Zoals je kunt zien op pagina 3 van aanhangsel 3 is de vergoeding gelimiteerd tot EUR 250.000,00 per verzekeringsjaar. Deze tekst is bij de opmaak van het prolongatieaanhangsel niet correct overgenomen. (…) Graag ontvangen wij jouw akkoord om de limiet per 01-01-2015 te corrigeren. (…)”

Diezelfde dag heeft AIG per e-mail als volgt daarop geantwoord:

“(…) De offerte aanvraag had dezelfde extra kosten clausule als die nu op onze polis van toepassing is (conform aanhangsel 1), dus met een max van EUR 25.000 per gebeurtenis en tevens per jaar. Dit is ook de vertrouwde Extra kosten clausule die we van [verzekeringsmakelaar] kennen en waar we (ook op andere contracten) mee akkoord zijn. Ik ben bovendien even gaan spitten in mijn dossier, maar ik heb aanhangsel 3 echt nooit eerder gezien dan zojuist in jouw e-mail.

Sorry, maar mijn dekking voor Extra kosten reikt dus ook niet verder dan EUR 25.000 per gebeurtenis en per jaar.”

2.11.

Bij rapport d.d. 18 augustus 2016 heeft Hamer & Van Hussen vastgesteld dat [naam] in totaal € 533.022,46 aan extra kosten heeft moeten maken als gevolg van de sluiting van de havens van Aden en Hodeidah. Het genoemde bedrag bestaat uit opslagkosten, demurragekosten, transportkosten en overige kosten.

2.12.

Bij brief van 27 februari 2018 heeft (de raadsman van) [naam] (“mede namens verzekerden”) aan AIG meegedeeld dat zij aanspraak blijft maken op dekking onder de verzekeringsovereenkomst voor schade die is ontstaan bij vervrachtingen naar Jemen en dientengevolge op uitkering van (naar schatting) € 533.022,46, te vermeerderen met rente en kosten en te corrigeren met aanwezige koersverschillen.

2.13.

AIG heeft dekking (voor een bedrag van € 533.022,46) van de hand gewezen en is tot op heden niet tot betaling aan Koudijs c.s. overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

Koudijs c.s. vordert – samengevat – dat AIG bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling aan Koudijs c.s., dan wel aan één van eiseressen afzonderlijk, van een bedrag van (i) € 533.022,46, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, (ii) € 10.000,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en (iii) proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente.

3.2.

Koudijs c.s. legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Primair stelt zij dat AIG op grond van artikel 3.3 MTV 2006 gehouden is tot vergoeding van de extra kosten die [naam] heeft moeten maken als gevolg van de sluiting van de havens in Aden en Hodeidah. De zeevervoerders die de betreffende zendingen transporteerden zijn vanwege de oorlogssituatie aldaar noodgedwongen uitgeweken naar andere havens in de regio. Die havens kwalificeren als ‘nood- of vluchthaven en daarmede gelijk te stellen plaats’ in de zin van artikel 3.3 MTV 2006, zodat voor de gemaakte kosten dekking bestaat onder de verzekeringsovereenkomst. Subsidiair stelt Koudijs c.s. dat de betreffende kosten moeten worden aangemerkt als bereddingskosten in de zin van artikel 7:957 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 3.2 MTV 2006. Want door de zendingen tijdelijk elders op te slaan konden de havens van Aden en Hodeidah gedurende de oorlogssituatie worden vermeden en is beschadiging of verlies van de zendingen voorkomen. Ter zitting heeft Koudijs c.s. zich tevens subsidiair beroepen op de toepasselijkheid van de Extra Kosten Clausule, op grond waarvan € 25.000,00 door AIG aan haar dient te worden uitgekeerd.

3.3.

AIG voert verweer en betoogt daartoe – samengevat – als volgt. De schepen die de zendingen vervoerden verkeerden nimmer in gevaar, aangezien zij nooit in de buurt van de havens van Aden of Hodeidah zijn geweest. Van een lossing in een ‘nood- of vluchthaven of daarmede gelijk te stellen plaats’ in de zin van artikel 3.3 MTV 2006 is daarom geen sprake. Om dezelfde reden kunnen de door Koudijs c.s. gevorderde kosten evenmin als bereddingskosten worden aangemerkt. Wel zijn de kosten in beginsel gedekt door de Extra Kosten Clausule tot het daar genoemde maximum. Echter, in alle gevallen geldt dat [naam] geen verzekerd belang heeft, omdat voor de eerste acht zendingen het risico ten tijde van de verscheping is overgegaan op Kopers. De vordering van Kopers is verjaard, en zou dat niet het geval zijn, dan hebben zij alsnog geen schade geleden nu de betreffende kosten geheel door [naam] zijn gedragen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank, met instemming van partijen, bepaald dat AIG Europe S.A., aan wie AIG Europe Limited (als gedaagde vermeld in de dagvaarding) haar verzekeringsactiviteiten heeft overgedragen met onder meer een grensoverschrijdende fusie, als formele procespartij te gelden heeft.

4.2.

Zoals is vastgelegd in het – niet door partijen weersproken – rapport d.d. 18 augustus 2016 van Hamer & Van Hussen heeft [naam] extra kosten gemaakt wegens re-routing en opslag van zestien zendingen vleeskuikenvoeder als gevolg van de sluiting van de havens van Aden en Hodeidah. De kern van het geschil ziet op de vraag of AIG gehouden is om op grond van de verzekeringsovereenkomst deze kosten geheel of gedeeltelijk aan Koudijs c.s. te vergoeden.

4.3.

Ter zitting heeft Koudijs c.s. zich uiterst subsidiair beroepen op dekking op grond van de Extra Kosten Clausule. In reactie daarop heeft AIG laten weten nog steeds bereid te zijn om op basis van die clausule aan Koudijs c.s. te betalen. De toepasselijkheid van de Extra Kosten Clausule staat tussen partijen dus niet meer ter discussie. Ook zijn zij het (inmiddels) erover eens dat de Extra Kosten Clausule dekking biedt tot een bedrag van € 25.000,00, verminderd met een eigen risico van € 250,00. Ingevolge artikel 2 van de Omnibus Agreement geldt echter dat indien partijen in de verzekeringsovereenkomst een bepaling met een ruimere dekking zijn overeengekomen, de schade zal worden uitgekeerd conform die bepaling met de ruimere dekking. Koudijs c.s. heeft zich in dat kader primair beroepen op de toepasselijkheid van artikel 3.3 MTV 2006 en subsidiair op 3.2 MTV 2006 (beredding). De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of de extra kosten van [naam] onder de dekking van de genoemde bepalingen vallen.

artikel 3.3 MTV 2006

4.4.

Ter beantwoording van de vraag of artikel 3.3 MTV 2006 dekking biedt voor de extra kosten die door [naam] zijn gemaakt, dient te worden beoordeeld of de alternatieve havens waar de betreffende zestien zendingen tijdelijk zijn gelost, kwalificeren als ‘nood- of vluchthaven of daarmede gelijk te stellen plaats’ in de zin van de genoemde bepaling. Partijen twisten over de wijze waarop deze bepaling moet worden uitgelegd, nu zij aan deze zinsnede ieder een andere betekenis toekennen.

4.5.

Bij de uitleg van artikel 3.3 MTV 2006 komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenaamde Haviltex-maatstaf). Nu dit artikel onderdeel is van een beurspolis waarbij over de individuele voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden (en dat ook in dit geschil niet gesteld of gebleken is), is deze uitleg met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel (vgl. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793; [partij] / [partij]). Tot slot zijn alle omstandigheden van het concrete geval en de gebruiken in de branche op dit punt, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van belang. Aldus komt de rechtbank tot toepassing van een geobjectiveerde Haviltex-norm.

4.6.

Nu de verzekeringsovereenkomst van de zijde van [naam] tot stand gekomen is met bijstand van [verzekeringsmakelaar] , kan de kennis van [verzekeringsmakelaar] inzake de inhoud van de verzekeringsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde MTV 2006 (die door [verzekeringsmakelaar] zelf zijn opgesteld) worden toegerekend aan [naam] . Bij de uitleg van artikel 3.3 MTV 2006 is dus ook van belang welke betekenis [verzekeringsmakelaar] , als professioneel verzekeringsmakelaar, aan deze bepaling toekende en mocht toekennen. Gelet op de hiervoor onder 4.5 gemaakte verwijzing naar de gebruiken in de branche, is daarbij mede van belang welke betekenis in de maritieme sector wordt toegekend aan de woorden ‘nood- of vluchthaven of daarmede gelijk te stellen plaats’.

4.7.

Koudijs c.s. stelt dat ‘een daarmede gelijk te stellen plaats’ een kennelijke verruiming inhoudt van het begrip ‘nood- of vluchthaven’ en dat beide begrippen naar redelijkheid moeten worden uitgelegd volgens het algemeen geldende taalgebruik. Dit betekent volgens Koudijs c.s. dat [naam] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de alternatieve havens voldeden aan de vereisten van het genoemde artikel.

4.8.

AIG daarentegen heeft aan de hand van jurisprudentie, literatuur en maritieme richtlijnen toegelicht en met stukken onderbouwd dat een maritieme uitleg van het begrip ‘nood- of vluchthaven’ meebrengt dat de lading moet zijn gelost in een alternatieve haven als rechtstreeks gevolg van een bestaand gevaar voor lading of schip. Dat vereiste geldt volgens AIG eveneens voor ‘een daarmede gelijk te stellen plaats’, aangezien die bewoording impliceert dat ook een dergelijke alternatieve locatie kan worden gekwalificeerd als een nood- of vluchthaven. Zonder gevaar voor lading of schip geen ‘nood- of vluchthaven’ en dus ook geen ‘een daarmede gelijk te stellen plaats’, aldus AIG.

4.9.

De rechtbank overweegt dat Koudijs c.s. aan haar uitleg, ook desgevraagd ter comparitie, nagenoeg geen bronnen ten grondslag heeft gelegd. De enkele verwijzing naar de Van Dale volstaat daartoe niet. Juist nu Koudijs c.s. zelf heeft aangegeven dat artikel 3.3 MTV 2006 een standaardbepaling is die door diverse (toonaangevende) verzekeraars wordt gebruikt, had het op haar weg gelegen om nader met stukken of verklaringen te onderbouwen dat haar uitleg in de verzekeringssector breder gedragen wordt. Ook in het licht van de betwisting van AIG mocht van Koudijs c.s. een dergelijke nadere onderbouwing verwacht worden, hetgeen zij heeft nagelaten.

4.10.

Daar komt bij dat van [verzekeringsmakelaar] als professioneel verzekeringsmakelaar mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de uitleg van deze bepaling in de vervoerssector (de verzekeringsovereenkomst betreft immers een transportgoederenverzekering) en de maritieme sector in het bijzonder als het om vervoer over water gaat, zoals hier het geval is. Deze kennis kan aan Koudijs c.s. worden toegerekend (zie 4.6). Nu AIG, in tegenstelling tot Koudijs c.s., haar uitleg van artikel 3.3 MTV 2006 uitgebreid heeft toegelicht aan de hand van verschillende stukken uit de maritieme sector, volgt de rechtbank AIG in haar standpunt dat artikel 3.3 MTV 2006 enkel dekking biedt voor kosten die zijn gemaakt als gevolg van lossing in een alternatieve haven die heeft plaatsgevonden als gevolg van gevaar voor lading of schip. Dat de polisvoorwaarden dit vereiste niet specifiek benoemt doet daar, anders dan Koudijs c.s. kennelijk betoogt, niet aan af.

4.11.

Vaststaat dat de schepen waarop de zestien zendingen werden vervoerd niet in de buurt van de havens van Aden en Hodeidah zijn geweest op het moment dat daar werd gevochten, of dat is geprobeerd om de zestien zendingen gedurende de gevechten daar te lossen. Koudijs c.s. heeft aangevoerd dat zijn de schepen tijdig zijn uitgeweken naar alternatieve havens. Het enkele gegeven dat in de omgeving van Aden en Hodeidah een oorlog woedde is onvoldoende om te concluderen dat de zestien zendingen reeds daarvoor, tijdens het transport, al in gevaar hebben verkeerd. De sluiting van de havens van Aden en Hodeidah betekent op zichzelf geen gevaarlijke situatie voor lading of schepen. Nu ook verder geen andere gronden zijn aangevoerd die daartoe zouden kunnen leiden, kwalificeren de alternatieve loshavens niet als ‘nood- of vluchthaven of daarmede gelijk te stellen plaats’ in de zin van artikel 3.3 MTV 2006.

4.12.

Dit betekent dat deze bepaling geen dekking biedt voor de extra kosten zoals die door [naam] zijn gemaakt en dat de vordering van Koudijs c.s. niet op grond van artikel 3.3 MTV 2006 kan worden toegewezen.

bereddingskosten / artikel 3.2 MTV 2006

4.13.

Subsidiair heeft Koudijs c.s. gesteld dat de betreffende kosten moeten worden aangemerkt als bereddingskosten in de zin van artikel 7:957 BW en artikel 3.2 MTV 2006.

4.14.

Ingevolge artikel 7:957 lid 1 BW (dat in artikel 3.2 MTV 2006 nadrukkelijk van toepassing is verklaard op de verzekeringsovereenkomst) is de verzekeringnemer of de verzekerde verplicht binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen die tot voorkoming of vermindering van schade kunnen leiden, zodra hij van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte is of behoort te zijn. Bereddingskosten zien op de vergoeding van buitengewone maatregelen die tot afweer van onmiddellijk dreigend gevaar of bestrijding van een acute schadeoorzaak, bijvoorbeeld brand, moeten worden genomen. Die kosten dienen door de verzekeraar te worden vergoed, in tegenstelling tot de kosten van normale voorzorgen die door de verzekeraar niet worden vergoed.

4.15.

De kosten waarvan Koudijs c.s. vergoeding vordert kunnen niet worden gezien als kosten van buitengewone maatregelen die tot afweer van onmiddellijk dreigend gevaar of bestrijding van een acute schadeoorzaak zijn genomen. Allereerst wordt verwezen naar hetgeen reeds hiervoor onder 4.11 is overwogen over het ontbreken van gevaar voor de zestien zendingen of de schepen die deze zendingen vervoerden. Nu zij niet in de buurt van de havens van Aden en Hodeidah geweest zijn, hebben zij niet bloot gestaan aan een onmiddellijk dreigend gevaar. Ook is de rechtbank van oordeel dat de extra kosten die door [naam] zijn gemaakt – die door Hamer & Van Hussen zijn uitgesplitst in opslagkosten, demurragekosten, transportkosten en overige kosten – een ander karakter hebben dan zoals is omschreven in artikel 7:957 lid 1 BW. AIG heeft daarover terecht opgemerkt dat de extra kosten vooral zijn gemaakt in het kader van de vervoersovereenkomsten die zijn gesloten tussen Koudijs c.s. en de zeevervoerders en niet wegens het treffen van buitengewone maatregelen ter afwending van onmiddellijk dreigend gevaar of ter bestrijding van een acute schadeoorzaak. Van bereddingskosten is hier dus geen sprake, zodat de vordering van Koudijs c.s. op deze grondslag evenmin toewijsbaar is.

conclusie

4.16.

Gelet op het voorgaande kan Koudijs c.s. enkel aanspraak maken op dekking onder de Extra Kosten Clausule en niet onder artikel 3.3 of 3.2 MTV 2006. Dat betekent dat AIG op grond van de verzekeringsovereenkomst gehouden is om aan Koudijs c.s. een bedrag van € 25.000,00 te vergoeden, verminderd met een eigen risico van € 250,00. De vordering van Koudijs c.s. zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 24.750,00. De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag zal conform artikel 23 MTV 2006 worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding (21 juni 2019), omdat deze later dan zes maanden na het indienen van de schaderekening is uitgebracht.

kosten

4.17.

Koudijs c.s. maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, maar dat niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze vordering is dan ook niet toewijsbaar.

4.18.

Koudijs c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, ook omdat voor het gedeelte van haar vordering dat wel wordt toegewezen geen procedure nodig was nu AIG onbetwist heeft aangevoerd steeds bereid te zijn op basis van de Extra Kosten Clausule af te wikkelen.

De kosten aan de zijde van AIG worden begroot op:

- griffierecht € 4.030,00

- salaris advocaat 1.390,00 (2 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 5.420,00

De nakosten worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

4.19.

Dit alles leidt tot de hiernavolgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt AIG tot betaling aan Koudijs c.s. van € 24.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 21 juni 2019 tot aan het moment van algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt Koudijs c.s. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van AIG tot op heden begroot op € 10.228,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en voor de na dit vonnis ontstane kosten begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Koudijs c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. M. Wiltjer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2020.