Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3450

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2020
Datum publicatie
16-07-2020
Zaaknummer
13/072788-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 41-jarige man is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk voor 6 oplichtingen tussen april 2019 en januari 2020 onder meer in Amsterdam en Eindhoven. Ook moet hij zijn slachtoffers een schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/072788-20 (Promis)

Datum uitspraak: 15 juli 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in ‘ [naam] ’ te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Staal en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.B.O. van Soest naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. primair: diefstal met een valse sleutel van € 50.000,- van [slachtoffer 1] in de periode van 19 juli 2019 tot en met 5 augustus 2019 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland;

subsidiair: oplichting van [slachtoffer 1] voor een bedrag van € 50.000,- in de periode van 19 juli 2019 tot en met 5 augustus 2019 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland;

2. oplichting van [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 966,- in de periode van 28 september 2019 tot en met 19 november 2019 te Amsterdam, althans in Nederland;

3. primair: diefstal met een valse sleutel van € 700,- van [slachtoffer 3] in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 23 oktober 2019 te Amsterdam, althans in Nederland;

subsidiair: oplichting van [slachtoffer 3] voor een bedrag van € 700,- in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 23 oktober 2019 te Amsterdam, althans in Nederland;

4. oplichting van [slachtoffer 4] voor een bedrag van € 4.000,- in de periode van 3 december 2019 tot en met 4 januari 2020 te Eindhoven, althans in Nederland;

5. oplichting van [slachtoffer 5] voor een bedrag van € 5.200,- in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Almere en/of Amsterdam, althans in Nederland;

6. oplichting van [slachtoffer 6] leidend tot afgifte van meerdere horloges in de periode van 20 april 2019 tot en met 9 juli 2019 te Heerlen en/of Amsterdam, althans in Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir - op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair (diefstal met valse sleutel), nu de aangifte van [slachtoffer 1] het enige bewijsmiddel is. Feit 1 subsidiair (oplichting van [slachtoffer 1] ) kan wel worden bewezen. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de WhatsAppgesprekken, het opnemen van een geldbedrag van € 10.000,-, het niet teruggeven van dat geld en de verklaring van verdachte dat het geld op zijn rekening is gestort om een auto voor [slachtoffer 1] te kopen. Die verklaring is niet aannemelijk geworden , nu deze stelling geen ondersteuning vindt in het dossier.

Feit 2 (oplichting van [slachtoffer 2] ) kan ook worden bewezen, nu de aangifte van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de WhatsAppgesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 2] . Uit deze WhatsAppgesprekken blijkt ook dat verdachte nooit de intentie heeft gehad om het ontvangen geld aan [slachtoffer 2] terug te geven.

Verdachte moet volgens de officier van justitie worden vrijgesproken van feit 3 primair (diefstal met valse sleutel). Het dossier bevat onvoldoende steunbewijs dat verdachte degene is geweest die het geld heeft overgemaakt van de rekening van [slachtoffer 3] . Feit 3 subsidiair (oplichting van [slachtoffer 3] ) kan wel worden bewezen. [slachtoffer 3] is bewogen tot afgifte van het geld doordat ze vertrouwen in verdachte had. Dit vertrouwen is door verdachte opgewekt, omdat hij zich heeft voorgedaan als makelaar terwijl zij op zoek was naar een koophuis.

Ook feit 4 (oplichting van [slachtoffer 4] ) kan volgens de officier van justitie worden bewezen. Uit het dossier blijkt dat er geld is overgemaakt van de rekening van [slachtoffer 4] naar de rekening van verdachte, dat [slachtoffer 4] dit geld terug wilde ontvangen, maar dat verdachte het niet heeft teruggegeven. [slachtoffer 4] is bewogen tot de afgifte van het geld, omdat verdachte zich onder meer voordeed als een ander en [slachtoffer 4] hem vertrouwde.

Ten aanzien van feit 5 (oplichting van [slachtoffer 5] ) blijkt uit het dossier dat er geld is betaald door [slachtoffer 5] aan verdachte. Verdachte heeft dit geld niet teruggegeven, ondanks dat aangever dit uitdrukkelijk heeft verzocht. [slachtoffer 5] is bewogen tot afgifte van geld, omdat hij vertrouwen had in verdachte. Verdachte deed zich voor als belegger in vastgoed. Hij heeft het geld door middel van leugenachtige verklaringen en valse mededelingen verkregen. Er is volgens de officier van justitie daarom sprake van oplichting.

Feit 6 (oplichting van [slachtoffer 6] ) kan volgens de officier van justitie ook worden bewezen. [slachtoffer 6] is bewogen tot de afgifte van horloges, omdat verdachte hem onder meer de opdracht had gegeven om horloges voor de gehele selectie van Ajax te ontwerpen. Verdachte deed zich voor als medewerker van Ajax en ging hierbij geraffineerd te werk. De verklaring van verdachte dat hij de horloges heeft gekocht, dat de horloges van diefstal afkomstig zijn en dat hij ze nog moet betalen is volgens de officier van justitie onaannemelijk. De verklaring is niet onderbouwd en staat haaks op de aangifte en de uiteenzetting van de gang van zaken die [slachtoffer 6] omtrent het handelen van verdachte heeft gegeven.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitnota – vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Op de specifieke verweren van de raadsman wordt hieronder bij de bespreking van de afzonderlijke feiten ingegaan.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Inleiding

In december 2019 werd er een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een aantal aangiften tegen verdachte. De rechtbank stelt vast dat in de aangiften een steeds terugkerende werkwijze van verdachte wordt beschreven. Zo kwam verdachte met vrouwen in contact via sites zoals Tinder. Hij bouwde in het daaropvolgende contact een vertrouwensband met hen op en palmde ze in met verzonnen verhalen over zichzelf, zijn opleiding en of zijn beroepsmatige activiteiten en ervaringen. Ook met de foto’s die hij aan zijn profiel op sociale media had toegevoegd en of toezond creëerde hij een beeld van zichzelf dat niet overeenkwam met zijn uit het dossier blijkende financiële situatie. Ook met (de mannen), [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , heeft verdachte een vertrouwensband opgebouwd. Verdachte deed zich voor als iemand die in de financiële, advies- of vastgoedsector of als voetbalmakelaar of voetbalscout succesvol werkzaam was. Door te doen alsof hij verstand had van bepaalde zaken, maakte hij zich voor aangevers interessant. Hij hanteerde daarbij een wijze van communiceren waardoor aangevers als het ware vanzelf overgingen tot het overmaken van geld aan verdachte of het inschakelen van verdachte bij bijvoorbeeld de aankoop van een auto, woning, aanleg van een tuin of de verkoop van horloges. Verdachte beloofde steeds om het aan hem betaalde geld terug te betalen, maar kwam die beloftes niet na.

Voetbalmakelaar?

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij voetbalmakelaar is, als zodanig bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staat en dat hij hiervoor volledig zwart wordt betaald. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, nu verdachte naar eigen zeggen zou werken met professionele voetbalclubs. Het door de raadsman overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte daadwerkelijk (en met enig succes) werkzaamheden als voetbalscout heeft verricht. Verder blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat verdachte geen inkomsten uit werk heeft, een bijstandsuitkering ontvangt en veel schulden heeft. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij werkzaam is als voetbalmakelaar dan ook onaannemelijk.

3.3.2.

Vrijspraak van feit 1 primair (diefstal met valse sleutel [slachtoffer 1] ) en feit 3 primair (diefstal met valse sleutel [slachtoffer 3] )

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat feit 1 primair en feit 3 primair niet kunnen worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.3.3.

Algemene overweging

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een door de verdachte gebruikt oplichtingsmiddel, is bewogen tot één van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen.

3.3.4.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde (oplichting van [slachtoffer 1] )

Door de raadsman is primair bepleit dat er geen sprake is van oplichting, nu verdachte veel moeite heeft gedaan om het geld terug te laten storten naar de rekening van aangeefster. Uiteindelijk is door de bank € 40.000,- teruggestort en de overige € 10.000,- heeft hij contant aan [slachtoffer 1] gegeven. Subsidiair is er slechts sprake geweest van een onverschuldigde betaling en kan verdachte geen strafrechtelijk verwijt (oplichting) worden gemaakt.

De rechtbank verwerpt de verweren. Op grond van de aangifte, WhatsAppgesprekken, bankgegevens en overige bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte, door zich in de WhatsAppgesprekken onder de naam [naam 1] voor te doen als consultant bij PriceWaterhouseCoopers en kenner van de financiële wereld, een valse naam en een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Ook heeft verdachte gebruik gemaakt van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels om [slachtoffer 1] te bewegen tot afgifte van het geld. Na het vertrouwen van [slachtoffer 1] te hebben gewonnen, heeft verdachte haar voorgehouden dat hij via een vriend door middel van het wijzigen van de instellingen van haar ING-app meer rente voor haar kon genereren. Verdachte keek vervolgens mee toen [slachtoffer 1] inlogde op de ING-app. Hij vroeg of hij haar moest helpen en pakte haar telefoon uit haar handen. Verdachte heeft toen € 50.000,- naar zijn eigen rekening overgemaakt en zei vervolgens dat [slachtoffer 1] hem moest vertrouwen en dat er diezelfde dag nog € 54.000,- op haar rekening zou staan. Vervolgens zag en hoorde [slachtoffer 1] dat verdachte een telefoongesprek aanging. Verdachte zei dat hij zijn vriend had gebeld en gesproken over het proces van de extra rente. [slachtoffer 1] heeft meerdere malen uitdrukkelijk verzocht om teruggave van het geld. De ING-bank heeft uiteindelijk € 40.000,- teruggeboekt. Omdat € 10.000,- al contant door verdachte was opgenomen kon dat bedrag niet meer worden teruggeboekt. Uit het voorgaande volgt dat verdachte listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels heeft gebruikt om [slachtoffer 1] te bewegen tot afgifte van het geld.

De ING bank heeft eigener beweging de bankrekening van verdachte geblokkeerd en het bedrag van € 40.000,- aan [slachtoffer 1] teruggeboekt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de door hem opgenomen € 10.000,- contant aan [slachtoffer 1] heeft teruggegeven zonder enige onderbouwing niet aannemelijk. Nu verdachte door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor [slachtoffer 1] is bewogen tot afgifte van € 50.000,-, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een oplichting in strafrechtelijke zin. Feit 1 subsidiair kan dan ook worden bewezen.

3.3.5.

Ten aanzien van feit 2 (oplichting van [slachtoffer 2] )

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een strafrechtelijke gedraging en dat [slachtoffer 2] verdachte civielrechtelijk aansprakelijk moet stellen.

Verdachte heeft [slachtoffer 2] door een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot de afgifte van

€ 966,-. Uit de aangifte en de WhatsAppgesprekken blijkt dat er sprake was van een liefdesrelatie en dat verdachte het vertrouwen van [slachtoffer 2] probeerde te winnen door zich voor te doen als iemand die werk heeft, een cursus volgt en op de Haagse Hogeschool heeft gezeten. [slachtoffer 2] heeft verdachte geld voor een vliegticket geleend, omdat hij zijn moeder uit Marokko wilde laten overkomen. Ze heeft verdachte vervolgens meermalen wanhopig verzocht om teruggave van het geld. In de WhatsAppgesprekken is te lezen dat verdachte op 7 en 12 november 2019 tegen haar zei dat hij het geld zou hebben overgemaakt. Uit de WhatsAppgesprekken tussen aangeefster en verdachte van 7 tot en met 14 november en de aangifte van 19 november 2019 blijkt echter dat [slachtoffer 2] het geld nog steeds niet had ontvangen. Nu verdachte aangeefster door een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot afgifte van € 966,-, acht de rechtbank de onder feit 2 ten laste gelegde oplichting bewezen.

Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer.

3.3.6.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair (oplichting van [slachtoffer 3] )

De raadsman heeft aangevoerd dat de subsidiair ten laste gelegde oplichting niet kan worden bewezen omdat er slechts sprake was van een miscommunicatie tussen verdachte en [slachtoffer 3] vanwege de taalbarrière.

De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe dat, ondanks het taalprobleem tussen verdachte en [slachtoffer 3] , uit de WhatsAppgesprekken blijkt dat het voor beide partijen in essentie duidelijk is waar het gesprek over ging. Er wordt gesproken over biedingen en dat verdachte [slachtoffer 3] zou bijstaan tijdens de bezichtiging van de woning en het uitbrengen van een bod.

Op grond van de aangifte, de WhatsAppgesprekken, de gegevens van de overmaking van verdachte van een bedrag van € 700,- naar de Bunq rekening van verdachte en de correspondentie met Bunq acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [slachtoffer 3] .

3.3.7.

Ten aanzien van feit 4 (oplichting van [slachtoffer 4] )

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat verdachte [slachtoffer 4] heeft opgelicht. [slachtoffer 4] heeft zelf de naam ‘ [naam 2] ’ aan verdachte gegeven. Van een valse naam is geen sprake, nu [slachtoffer 4] het geld heeft overgeboekt op het rekeningnummer op naam van [verdachte] . Daarnaast heeft verdachte meermalen geprobeerd om de vordering van [slachtoffer 4] bij het politiebureau te voldoen. Ook bij dit feit dient de civiele route te worden bewandeld.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer 4] heeft opgelicht. Verdachte heeft een valse hoedanigheid aangenomen door zich voor te doen als werknemer van PSV Eindhoven. Uit de WhatsAppgesprekken blijkt dat hij deed alsof hij een motor had, dat hij zijn badkamer en keuken liet verbouwen en dat hij grote bonussen zou ontvangen. Hij heeft [slachtoffer 4] gevraagd of hij € 4.000,- van haar kon lenen zodat hij een soortgelijk horloge als het horloge van zijn opa kon kopen. Als hij het geld niet van haar kon lenen, zou hij voor het geld naar [naam 3] moeten rijden. Het horloge zou volgens verdachte emotionele waarde hebben. [slachtoffer 4] heeft vervolgens geld naar hem overgemaakt. Verdachte heeft dit geld, ondanks het uitdrukkelijke verzoek van [slachtoffer 4] , niet teruggegeven.

Verdachte heeft door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels bij [slachtoffer 4] een onjuiste veronderstelling van zaken in het leven geroepen waardoor zij is bewogen tot afgifte van het geld. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van oplichting in strafrechtelijke zin. De rechtbank verwerpt het verweer.

3.3.8.

Ten aanzien van feit 5 (oplichting [slachtoffer 5] )

De raadsman heeft aangevoerd dat de onder feit 5 ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 5] niet kan worden bewezen. Verdachte heeft slechts als tussenpersoon gehandeld. Dat [slachtoffer 5] niet heeft gekregen waarvoor hij heeft betaald, maakt dat verdachte mogelijk wanprestatie heeft geleverd, maar geen strafbaar feit heeft gepleegd.

Ook ten aanzien van feit 5 is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van strafrechtelijke oplichting. Op grond van de aangifte, de bankafschriften en het filmpje op de telefoon van [slachtoffer 5] kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 5] door het aannemen van een valse naam, een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen heeft bewogen tot afgifte van geld. Hij heeft zich tijdens een vastgoedcursus voorgedaan als sportmakelaar met een aantal panden in Amsterdam. Tijdens het gesprek met [slachtoffer 5] heeft verdachte verteld dat hij ene [naam 4] kent, die voor een voordelige prijs tuinen aan kan leggen. Uit het dossier blijkt dat verdachte daarbij als tussenpersoon zou optreden. Het dossier geeft echter geen blijk van enige betrokkenheid van die [naam 4] of van afspraken die zouden zijn gemaakt. Niet eens kan worden vastgesteld of [naam 4] daadwerkelijk bestaat. De rechtbank acht die verklaring van verdachte dan ook onaannemelijk. Verdachte heeft door middel van zijn handelen het vertrouwen van [slachtoffer 5] gewonnen. Dit vertrouwen heeft erin geresulteerd dat [slachtoffer 5] het geld aan verdachte heeft overhandigd. De gemaakte afspraken zijn echter nooit nagekomen en verdachte heeft het geld niet teruggegeven. De rechtbank acht de ten laste gelegde oplichting dan ook bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van het oplichtingsbedrag overweegt de rechtbank het volgende. Op 12 augustus 2019 heeft [slachtoffer 5] voor de aanbetaling van de tuin € 3.800,- in contanten aan verdachte betaald. Na deze aanbetaling bleef er een bedrag van € 1.200,- over. Dit bedrag heeft [slachtoffer 4] op 24 augustus 2019 naar de rekening van verdachte overgemaakt. Omdat verdachte zei dat hij op het aan te betalen bedrag zelf € 200,- had betaald, heeft [slachtoffer 5] op 5 september 2019 nog een bedrag van € 200,- aan verdachte overgemaakt. De rechtbank stelt het oplichtingsbedrag dan ook vast op € 5.200,-.

3.3.9.

Ten aanzien van feit 6 (oplichting [slachtoffer 6] )

De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs op zodanige wijze kan worden geïnterpreteerd dat hetgeen verdachte - anders dan [slachtoffer 6] - heeft verklaard de waarheid is.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat verdachte zijn winkel binnenkwam en zich voorstelde als medewerker van Ajax. Hij vertelde dat hij voetbalmakelaar was en dat hij in opdracht van [naam 5] en [naam 6] bij [slachtoffer 6] was gekomen om horloges uit de zoeken voor de selectie van Ajax. [slachtoffer 6] heeft vervolgens drie modellen ontworpen. Toen verdachte terugkwam in de winkel, koos hij één ontwerp. Tevens had hij verschillende goederen bij zich met daarop handtekeningen van spelers en medewerkers van Ajax die [slachtoffer 6] in zijn winkel moest presenteren. [slachtoffer 6] is vervolgens meerdere keren door verdachte uitgenodigd om naar Ajax te komen. Zo heeft hij samen met verdachte rondleidingen gehad bij Ajax. Verdachte werd overal herkend. Dit gaf [slachtoffer 6] het vertrouwen dat de afspraak tussen hem en verdachte eerlijk was. [slachtoffer 6] heeft een FaceTime gesprek gehad met [naam 7] , oud speler en medewerker van Ajax, die zei dat hij een persoonlijk horloge wilde hebben. Verdachte zei dat het ontwerp door [naam 6] was goedgekeurd. Hij liet aan [slachtoffer 6] berichten lezen van [naam 6] . [slachtoffer 6] moest naar Amsterdam komen, omdat [naam 5] het ontwerp ook moest goedkeuren. Verdachte vroeg ook of [slachtoffer 6] drie persoonlijke horloges voor [naam 5] kon regelen. [slachtoffer 6] is vervolgens naar het gebouw van Ajax gegaan en heeft de horloges daar aan verdachte overhandigd. Verdachte had een secretaresse gebeld om de horloges te komen ophalen en te brengen naar [naam 5] , omdat [naam 5] er zelf niet bij kon zijn. De horloges zijn in Amsterdam achtergebleven en [naam 5] of verdachte zou een dag later de betaling afhandelen. Deze betaling bleef uit. [slachtoffer 6] heeft vervolgens meerdere keren contact opgenomen met verdachte met het verzoek om de horloges te betalen. Verdachte heeft echter niets meer van zich laten horen.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 6] hem had gevraagd om de horloges bij spelers en medewerkers van Ajax te laten zien. Zij vonden de horloges echter niet mooi en te duur. [slachtoffer 6] zou verdachte € 20.000,- hebben beloofd als hij de horloges zou verkopen. De horloges zouden volgens verdachte zijn gestolen en hij heeft ze dan ook weggegooid toen hij ze niet aan de medewerkers en spelers van Ajax kon verkopen. Verdachte is weldegelijk bekend bij Ajax, nu hij er tijdens zijn jeugd heeft gevoetbald. Het enkele feit dat hij toegang heeft tot de bestuurskamer, zegt volgens verdachte al genoeg. De mededeling van de medewerkers van Ajax dat ze verdachte niet kennen is dan ook ongeloofwaardig en onbetrouwbaar, en kan enkel worden verklaard door de kennelijke angst voor reputatieschade die Ajax door verdachte dacht op te kunnen lopen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 6] , nu zijn verklaring wordt ondersteund door de foto’s van de WhatsAppgesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 6] , de foto’s van de berichten die volgens verdachte zouden zijn gestuurd door [naam 6] en [naam 5] en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat [naam 7] , [naam 6] en [naam 5] verdachte niet kennen. Uit dat proces-verbaal blijkt tevens dat [naam 5] en [naam 6] geen opdracht hebben gegeven aan verdachte of anderszins contact met hem hebben gehad over het ontwerpen of aanschaffen van horloges. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen en acht de verklaring van verdachte dan ook onaannemelijk.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door een samenweefsel van verdichtsels, listige kunstgrepen en het aannemen van een valse hoedanigheid bij het [slachtoffer 6] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze is bewogen tot de afgifte van de horloges. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 6.

Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

in de periode van 19 juli 2019 tot en met 5 augustus 2019 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal € 50.000,- door

- via datingapp Tinder contact te maken met die [slachtoffer 1] , door zich voor te doen als zijnde [naam 1] , het vertrouwen te winnen van die [slachtoffer 1] door zich voor te doen als consultant (gedurende 7 jaar) werkzaam voor PriceWaterhouseCoopers (PWC) en door zich voor te doen als kenner van de financiële wereld,

- die [slachtoffer 1] blijk te geven van bekendheid met haar huidige inkomen,

- die [slachtoffer 1] voor te houden dat hij (via een vriend) door middel van wijzigingen van de instellingen op haar mobiele ING-applicatie meer rente voor die [slachtoffer 1] kan genereren,

- vervolgens notities te maken van de inloggegevens van de mobiele ING-applicatie van die [slachtoffer 1] ,

- vervolgens voornoemd geldbedrag van de rekening van die [slachtoffer 1] ( [nummer] ) over te maken naar zijn rekening ( [nummer] o.n.v. [verdachte] ),

- vervolgens in het bijzijn van die [slachtoffer 1] voornoemde vriend te bellen en te bevragen over de procedure van het genereren van aanvullende rente voor die [slachtoffer 1] , en

- vervolgens die [slachtoffer 1] te verzekeren dat het gehele geldbedrag aan haar zal worden geretourneerd,

terwijl hij op voorhand nimmer van plan wist dat hij het geld niet kon retourneren;

Ten aanzien van feit 2:

in de periode van 28 september 2019 tot en met 19 november 2019 te Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 966,-, door

- het vertrouwen te winnen van die [slachtoffer 2] door een liefdesrelatie met haar aan te gaan, door een geschenk te kopen voor haar zoon en door aan die [slachtoffer 2] te vertellen dat hij met haar wil trouwen,

- zich voor te doen als voetbalmakelaar, door aan te geven dat hij, verdachte, gestudeerd heeft aan de Haagse Hogeschool en door aan te geven dat hij, verdachte, cursus heeft en werk heeft,

- die [slachtoffer 2] voor te houden dat hij voornoemd geldbedrag nodig heeft om een vliegticket te kopen voor zijn moeder uit Marokko (om haar naar Nederland over te laten komen), door te zeggen dat hij alleen contant geld heeft en door aan die [slachtoffer 2] direct € 150,- contant te geven en die [slachtoffer 2] te vragen om voornoemd geldbedrag aan hem te lenen, en

- vervolgens geen gehoor meer te geven aan het uitdrukkelijke verzoek tot teruggave van voornoemd geldbedrag door die [slachtoffer 2] ,

terwijl hij op voorhand wist dat hij het geld niet kon retourneren;

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 23 oktober 2019 te Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 700,-, door

- via datingapp Tinder contact te zoeken met die [slachtoffer 3] , zich voor te doen als makelaar en alsof hij gestudeerd heeft aan de Erasmus Universiteit,

- bij die [slachtoffer 3] de indruk te wekken dat hij informatie kon krijgen over andere biedingen (op onder andere de woning [adres woning] ),

- die [slachtoffer 3] (als zijnde makelaar) bij te staan tijdens een bezichtiging van de woning aan het adres [adres woning] terwijl die [slachtoffer 3] niet bekend is op de Nederlandse woningmarkt,

- vervolgens bij die [slachtoffer 3] navraag te doen over haar financiële situatie,

- vervolgens die [slachtoffer 3] te vertellen dat zij voor de aankoop van een woning kredietwaardig dient te zijn en haar aan te bieden om een geldbedrag van € 11.000,- over te maken op een bankrekening (BUNQ) die hij voor die [slachtoffer 3] aan zou maken,

- die [slachtoffer 3] vervolgens te overtuigen tot het overmaken van een geldbedrag van € 700,- op een rekening waar enkel hij, verdachte, beheersbevoegdheid over uitoefende ( [nummer] ), en

- vervolgens geen gehoor meer te geven aan het uitdrukkelijke verzoek tot teruggave van voornoemd geldbedrag door die [slachtoffer 3] ,

terwijl hij op voorhand nimmer van plan was om het geld te retourneren en/of wist dat hij het geld niet kon retourneren;

Ten aanzien van feit 4:

in of de periode van 3 december 2019 tot en met 4 januari 2020 te Eindhoven, althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 4.000,-, door

- via datingapp Tinder contact te zoeken met die [slachtoffer 4] ,

- het vertrouwen van die [slachtoffer 4] te winnen door een relatie te beginnen met die [slachtoffer 4] ,

- zich voor te doen als zijnde genaamd [naam 2] , werknemer van PSV Eindhoven en als inwoner van de gemeente Eindhoven en alsof hij gestudeerd heeft aan de universiteit Leiden,

- door aan te geven dat hij een motor bezit, een verbouwing aan zijn badkamer en keuken laat uitvoeren, dat hij in januari een bonus van € 7.000,- krijgt en dat hij in februari een bonus van € 15.000,- krijgt,

- die [slachtoffer 4] te vertellen dat hij een geldbedrag van € 4.000,- nodig had voor de aanschaf van een horloge, die [slachtoffer 4] te vertellen dat hij anders voor het geldbedrag naar [naam 3] moet rijden en die [slachtoffer 4] te verzoeken om een lening ter hoogte van voornoemd geldbedrag, en

- vervolgens geen gehoor meer te geven aan het uitdrukkelijke verzoek tot teruggave van voornoemd geldbedrag door die [slachtoffer 4] ,

terwijl hij op voorhand nimmer wist dat hij het geld niet kon retourneren;

Ten aanzien van feit 5:

in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Almere en/of Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 5.200,-, door

- tijdens een vastgoedcursus contact te leggen met die [slachtoffer 5] , zich voor te doen als sportmakelaar en belegger in vastgoed in Amsterdam en door aan te geven dat hij, verdachte, een aantal panden in Amsterdam bezit en te doen alsof hij gestudeerd heeft aan de Haagse Hogeschool,

- het vertrouwen van die [slachtoffer 5] te winnen,

- die [slachtoffer 5] te overtuigen dat hij een persoon genaamd [naam 4] kent die de tuin van die [slachtoffer 5] voor de meest voordelige prijs kan verbouwen en vervolgens als tussenpersoon op te treden tussen deze [naam 4] en die [slachtoffer 5] ,

- die [slachtoffer 5] te vertellen dat er een betaling van in totaal € 5.200,- moest worden gedaan voor de verbouwing van de tuin, en

- vervolgens € 3.800,- in contanten en € 1.400,- op rekeningnummer [nummer] (o.n.v. [verdachte] ) van die [slachtoffer 5] in ontvangst te nemen,

terwijl hij op voorhand wist dat hij het geld niet kon retourneren;

Ten aanzien van feit 6:

In de periode van eind april 2019 tot en met 9 juli 2019 te Heerlen en/of Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van horloges (merk: Hublot), door

- de horlogewinkel van die [slachtoffer 6] te betreden en zich voor te doen als voetbalmakelaar en/of scout,

- zich voor te doen als medewerker van AFC Ajax en zich te legitimeren met een medewerkerspasje van AFC Ajax,

- die [slachtoffer 6] te vertellen dat hij van AFC Ajax-bestuursleden [naam 6] en [naam 5] de opdracht heeft gekregen om horloges voor de selectie van AFC Ajax te laten ontwerpen en die [slachtoffer 6] te vragen om deze opdracht uit te voeren,

- die [slachtoffer 6] te vragen om één van zijn ontwerpen verder uit te werken,

- die [slachtoffer 6] een Ajax-voetbal met handtekeningen van de Ajax-selectie, een whiskyfles met handtekening van Ajax-coach [naam 8] en keepershandschoenen met handtekening te overhandigen en die [slachtoffer 6] te vragen om voornoemde voorwerpen in zijn winkel te presenteren,

- die [slachtoffer 6] rondleidingen te geven op het terrein van AFC Ajax,

- die [slachtoffer 6] via FaceTime in contact te brengen met AFC Ajax-medewerker [naam 7] ,

- die [slachtoffer 6] een persoonlijke sms van voornoemde [naam 6] te laten zien, waaruit de indruk ontstaat dat verdachte met die [naam 6] in direct contact staat en met hem op zakenreis gaat en weet heeft van de aankoop van de horloges,

- die [slachtoffer 6] te vertellen dat het ontwerp voor het horloge door voornoemde [naam 6] was goedgekeurd en die [slachtoffer 6] te vertellen dat het ontwerp nog moest worden goedgekeurd door voornoemde [naam 5] ,

- die [slachtoffer 6] te overtuigen dat hij drie persoonlijke horloges naar AFC Ajax moest brengen ter voorlegging aan voornoemde [naam 5] en de drie persoonlijke horloges van die [slachtoffer 6] in ontvangst te nemen en te overhandigen aan de zogenaamde secretaresse van

voornoemde [naam 5] , en

- vervolgens geen gehoor meer te geven aan het door die [slachtoffer 6] uitdrukkelijk gedane verzoek tot betaling van de horloges,

terwijl hij op voorhand nimmer van plan was om de horloges te betalen of retourneren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om aan deze straf de door Reclassering Nederland in haar adviesrapport van 26 juni 2020 geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten een meldplicht, een ambulante behandelplicht (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het verplicht meewerken aan schuldhulpverlening, een contactverbod, een locatieverbod en een locatiegebod. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan die bijzondere voorwaarden toe te voegen dat verdachte aan de reclassering inzicht moet geven in zijn telefoongebruik.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat het merendeel van de feiten randgevallen betreffen tussen het civiele recht en het strafrecht. Hij heeft tevens verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de voor verdachte belastende en niet op de juiste feiten gebaseerde tv-uitzending van [naam 9] en met het feit dat verdachte zich meerdere keren met geld heeft gemeld bij meerdere politiebureaus om de problemen met zijn schuldeisers op te lossen. Het onvoorwaardelijke deel van de straf moet volgens de raadsman worden beperkt tot de startdatum van het traject van de reclassering, te weten 16 juli 2020.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zes oplichtingen. Hij ging daarbij zeer geraffineerd te werk. Hij heeft een vertrouwensband met aangevers opgebouwd en hen vervolgens middels leugenachtige verhalen bewogen tot afgifte van geldbedragen of goederen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij telkens het in hem gestelde vertrouwen ernstig heeft misbruikt, maar ook het algemeen vertrouwen in het maatschappelijk en economisch verkeer heeft beschadigd. Verdachte heeft met zijn gedrag enkel zijn eigen belangen vooropgesteld.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)

van verdachte van 17 juni 2020, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen gedurende een lange reeks van jaren is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Daarnaast heeft verdachte feit 1, feit 5 en feit 6 gepleegd terwijl hij in een proeftijd liep. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft ook het adviesrapport van Reclassering Nederland van 26 juni 2020 bij

haar oordeel betrokken. Geadviseerd wordt om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke

gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelplicht, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, het verplicht meewerken aan schuldhulpverlening, een contactverbod, een locatieverbod en een locatiegebod.

Straf

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie nu zij op dit moment de sprong naar een straf van deze omvang te groot acht. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. Ook zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte aan de reclassering inzicht moet geven in zijn telefoongebruik.

8 Beslag

De beslaglijst is opgenomen in bijlage 3, die aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt.

8.1.

Teruggave

De onder nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 en 20 inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen

9.1.

Vorderingen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 10.390,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.750,- aan vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 1.666,- aan vergoeding van materiële schade en

€ 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 700,- aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 4.200,- aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 4.900,- aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [naam 10] vordert € 4.800,- aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering van [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10.286,82. Uit het dossier blijkt namelijk zij meer geld € 40.103,18 heeft teruggekregen. Het immateriële deel van de vordering kan worden toegewezen, nu [slachtoffer 1] voldoende heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden.

De vordering van [slachtoffer 2] kan volgens de officier van justitie ten aanzien van het materiële deel worden toegewezen. Hij heeft de rechtbank hierbij verzocht om in de bewezenverklaring op te nemen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bewogen tot afgifte van ‘enig geldbedrag’, zodat ook de gevorderde € 700,- kan worden toegewezen.

Het immateriële deel van de vordering van [slachtoffer 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard, bij gebreke aan aan onderbouwing.

De vorderingen van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] kunnen volgens de officier van justitie geheel worden toegewezen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen worden vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering van [slachtoffer 1] af te wijzen, nu het volledige bedrag is terugbetaald. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering niet juist is, nu er meer dan € 40.000,- is overgeboekt naar [slachtoffer 1] . De immateriële schade is te hoog ingeschat en staat niet in verhouding tot hetgeen heeft plaatsgevonden.

De vordering van [slachtoffer 2] dient primair niet ontvankelijk te worden verklaard, nu het een civiele vordering betreft. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde € 700,-niet aan verdachte kan worden gekoppeld. Ook valt dit bedrag niet onder de tenlastelegging. Verder stelt verdachte dat hij € 600,- heeft terugbetaald. De gevorderde immateriële schade is volgens de raadsman niet onderbouwd.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vorderingen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] civiele vorderingen betreffen. Deze vorderingen dienen dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

9.3.1.

Vordering van [slachtoffer 1]

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Ten aanzien van het gevorderde geldbedrag van € 10.000,-, overweegt de rechtbank dat uit bijlage 3 van de vordering blijkt dat € 40.103,18 van de € 50.000,- is teruggestort op de rekening van benadeelde. Er resteert dus nog een bedrag van € 9.896,82. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen. De kosten van de psychosynthese therapie, te weten € 390,-, zijn voldoende onderbouwd en worden ook toegewezen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 10.286,82 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 24 juli 2019. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Immateriële schade

Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019 (2019:376) blijkt dat als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde ingevolge art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank beseft dat een oplichting nare gevoelens tot gevolg kan hebben, maar deze gevoelens impliceren echter niet zonder meer ‘geestelijk letsel’ bij een benadeelde en zijn ook anderszins niet zonder meer aan te merken als een ‘aantasting in de persoon’ zoals bedoeld in artikel 6:106 BW. De aantasting in de persoon is ook niet zodanig met concrete gegevens onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van een dergelijke aantasting sprake is. Evenmin brengen de aard en de ernst van de normschending zonder meer mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De vordering tot immateriële schadevergoeding zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

9.3.2.

Vordering van [slachtoffer 2]

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 966,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 29 september 2019. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Immateriële schade

De vordering tot immateriële schadevergoeding zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.3.3.

Vordering van [slachtoffer 3]

Vast staat dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] door het onder feit 3 subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 22 oktober 2019.

9.3.4.

Vordering van [slachtoffer 4]

Vast staat dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 4 januari 2020.

9.3.5.

Vordering van [slachtoffer 5]

Vast staat dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] door het onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en is middels bankafschriften onderbouwd. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 12 augustus 2019 ten aanzien van € 3.800,- en 24 augustus 2019 ten aanzien van € 1.100,-.

9.3.6.

Vordering van [naam 10]

De benadeelde partij [naam 10] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte niet is gedagvaard voor het feit waar de vordering op is gebaseerd.

9.4.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal ten aanzien van benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens die benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1 primair en feit 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4, feit 5 en feit 6:

telkens: oplichting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich bij de verslavingsreclassering op het adres Laan Corpus den Hoorn 102 9728 JR te Groningen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)

Veroordeelde laat zich behandelen door Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) Forensische Polikliniek en ambulante zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en diagnostiek kan onderdeel zijn van de behandeling;

Bij terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische

opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering verantwoord achten;

3. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft bij Stichting Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

4. Meewerken aan schuldhulpverlening

Indien binnen het reclasseringstoezicht blijkt dat het noodzakelijk is, dient veroordeelde mee te werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

5. Contactverbod

Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de slachtoffers, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

6. Locatieverbod

Veroordeelde bevindt zich gedurende het toezicht niet in een straal van vijf kilometer van de [locatie 1] en een straal van vijf kilometer om de [locatie 2] . Veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatieverbod. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische controle nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen;

7. Locatiegebod

Veroordeelde is gedurende het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de begeleiders van Exodus en mede afhankelijk van de dagbesteding. Veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [verblijfadres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische controle nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen;

8. Andere voorwaarden het gedrag betreffende

Veroordeelde verleent, indien de reclassering dat nodig acht, medewerking aan de controlemogelijkheid van de reclassering, inhoudende dat veroordeelde inzicht geeft in zijn telefoongebruik.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Gelast de teruggave aan veroordeelde van: de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 en 20 van de beslaglijst.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 10.286,82 (tienduizend tweehonderdzesentachtig euro en tweeëntachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 juli 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 10.286,82 (tienduizend tweehonderdzesentachtig euro en tweeëntachtig eurocent) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 86 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 966,-(negenhonderdzesenzestig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 29 september 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 966,-(negenhonderdzesenzestig euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 19 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 700,- (zevenhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 22 oktober 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 700,- (zevenhonderd euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 4.200,- (tweeënveertighonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 4 januari 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 4.200,- (tweeënveertighonderd euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 52 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van

€ 4.900,- (negenenveertighonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 12 augustus 2019 ten aanzien van € 3.800,- en 24 augustus 2019 ten aanzien van € 1.100,-, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 4.900,- (negenenveertighonderd euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 59 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [naam 10]

Verklaart [naam 10] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.G. Vegter en M.E.M. James – Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2020.