Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3349

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
AMS 19/5170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op werkloosheiduitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Grondslag weigering WW gewijzigd omdat eiser meer verdient dan 87,5% van het WW-maandloon. Geen proceskostenvergoeding voor bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/5170

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. Hahn).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser bericht dat hij per 25 februari 2019 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 25 september 2019 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. In hetzelfde besluit heeft verweerder eiser wel een WW-uitkering toegekend vanaf 1 september 2019.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 6 november 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd. Daarbij is bepaald dat eiser (ook) geen recht heeft op een WW-uitkering per 1 september 2019.

In verband met de maatregelen die zijn getroffen vanwege de uitbraak van het coronavirus zijn partijen in de gelegenheid gesteld om een via Skype-verbinding gehouden zitting bij te wonen. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2020. Daarbij hebben eiser en verweerder zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden via een audio- en videoverbinding. Na afloop van deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wat aan deze zaak vooraf ging

1.1.

Eiser was sinds 13 februari 2009 in dienst bij [hotel] (de ex-werkgever). Bij brief van 24 februari 2019 is door de ex-werkgever aan eiser meegedeeld dat hij vanaf die dag op staande voet is ontslagen. Eiser heeft op 2 maart 2019 een WW-uitkering aangevraagd.

1.2.

Deze aanvraag is met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser verwijtbaar werkloos zou zijn.

1.3.

Eiser heeft vervolgens een verzoekschrift aan de kantonrechter gestuurd waarin hij (onder meer) vergoeding vraagt over het loon dat bij rechtmatige opzegging zou zijn gevorderd (artikel 7:672, lid 10, van het BW) en een billijke vergoeding vanwege de onrechtmatige opzegging (artikel 7:681 van het BW). Deze procedure is geëindigd in een bij proces verbaal van 27 mei 2019 vastgelegde overeenkomst tussen eiser en de ex-werkgever. De overeenkomst houdt in dat de ex-werkgever aan eiser € 12.000,- zal betalen, ter finale kwijting.

1.4.

In het daarna door verweerder genomen bestreden besluit 1 gaat verweerder er niet langer van uit dat eiser verwijtbaar werkloos is. Op grond van de nieuwe gegevens is het dienstverband volgens verweerder per 27 mei 2019 beëindigd. Daarbij rekening houdend met de wettelijke opzegtermijn als genoemd in artikel 19, derde lid van de WW, komt eiser per 1 september 2018 in aanmerking voor uitbetaling van WW.

1.5.

In het bestreden besluit 2 komt verweerder terug op het bestreden besluit 1. Omdat eiser per 15 april 2019 meer verdient dan 87,5% van zijn WW-maandloon, heeft hij per 1 september 2019 geen recht op een WW-uitkering, aldus het bestreden besluit 2.

Het standpunt van partijen

2.1.

Volgens eiser gaat verweerder in het bestreden besluit 2 uit van een verkeerde datum van de eerste werkloosheidsdag. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat eiser volgens hem recht heeft op een WW-uitkering vanaf 1 juni 2019. Eiser gaat daarbij uit van de ontslagdatum 24 februari 2019 met daarbij opgeteld de wettelijke opzegtermijn van artikel 19, derde lid, van de WW.

Eiser wijst daarnaast op de wisselende besluitvorming van verweerder en acht het primaire besluit onrechtmatig. Hij claimt daarom zowel proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, als voor de beroepsfase.

2.2.

Volgens verweerder heeft eiser (ook) per 1 juni 2019 geen recht op een WW-uitkering, omdat hij ook op dat moment meer verdiende dan 87,5% van zijn
WW-maandloon. Eiser heeft verder geen recht op proceskostenvergoeding in bezwaar, omdat het bezwaar niet gegrond is verklaard. Eiser heeft wel recht op een proceskostenvergoeding in beroep, omdat verweerder het bestreden besluit 1 heeft gewijzigd met het bestreden besluit 2, aldus verweerder.

Het wettelijke kader

3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

4.1.

Het beroep van eiser is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook gericht tegen het bestreden besluit 2. Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij beoordeling van het bestreden besluit 1. Het beroep voor zover tegen gericht tegen het bestreden besluit 1 zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op een WW-uitkering per 1 juni 2019. De rechtbank laat daarbij in het midden of verweerder van de juiste datum als eerste dag van werkloosheid is uitgegaan. Verweerder heeft aan de hand van gegevens uit Suwinet, welke gegevens in het dossier zijn opgenomen, immers onderbouwd dat eiser vanaf 15 april 2019 teveel geld uit inkomen verdient, om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Deze situatie was ook nog zo op 1 juni 2019, de datum die eiser voorstaat. Tijdens de zitting zijn de gegevens uit Suwinet betwist. De betwisting is echter door de gemachtigde bij gebrek aan wetenschap gedaan en niet nader onderbouwd. Bij deze stand van zaken is er geen aanleiding aan de juistheid van de gegevens die verweerder aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd te twijfelen. Aangezien eiser op 1 juni 2019 meer verdiende dan 87,5% van het WW-maandloon, heeft verweerder daarom terecht geen WW-uitkering aan eiser per die datum uitgekeerd.

4.3.

Voor vergoeding van de proceskosten van de bezwaarfase bestaat geen grond. Verweerder heeft na het primaire besluit de grondslag van de weigering om WW uit te keren gewijzigd, maar dat is in het kader van de heroverweging in bezwaar toegestaan. Dit vormt dus geen grond voor een kostenvergoeding. Voor zo een vergoeding is allereerst vereist dat het primaire besluit wordt herroepen. Dat is hier niet aan de orde, de WW-uitkering is geweigerd en blijft geweigerd. Alleen al daarom wordt niet aan de vereisten voor vergoeding voldaan. De rechtbank zal vanwege de wijziging van het bestreden besluit 1 door het bestreden besluit 2, zoals verweerder ook voorstaat, wel een proceskostenvergoeding in beroep toekennen. Die is hieronder nader gespecificeerd.

Conclusie

5. Verweerder heeft terecht geen WW-uitkering toegekend per 1 juni 2019 en terecht een proceskostenvergoeding in bezwaar geweigerd. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 zal ongegrond worden verklaard. De proceskosten van eiser in beroep worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen op de zitting, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 525,-). De rechtbank zal ook bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- aan hem moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1 niet ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser moet vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage met juridisch kader

Werkloosheidswet

Artikel 16, achtste lid, van de WW bepaalt dat een recht op uitkering dat is ontstaan en direct eindigt op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel c, geacht wordt niet te zijn ontstaan indien het inkomen is genoten uit werkzaamheden als werknemer.

Artikel 19, derde lid, van de WW luidt als volgt: “Geen recht op uitkering heeft de werknemer zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Onder de rechtens geldende opzegtermijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 96c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, geldt de in de vorige zin genoemde opzegtermijn voor de werkgever. Als datum waarop de dienstbetrekking wordt geacht te zijn opgezegd, geldt de datum waarop:

a. de beëindiging schriftelijk is overeengekomen; of

b. de werkgever of de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.”

Artikel 20, eerste lid, onderdeel c, van de WW bepaalt dat het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer niet meer werkloos is omdat hij inkomen geniet dat, na vermenigvuldiging met de factor C / D, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen a en b, meer dan 87,5% van het maandloon bedraagt.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.