Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3318

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
13/103000-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 41-jarige man is veroordeeld tot een boete van 400 euro omdat hij op 1 juli 2017 een groep mensen heeft beledigd. Als reactie op de live-uitzending van de Keti Koti herdenking op Facebook schreef hij namelijk “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” en “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” De rechtbank oordeelt dat dit zeer ernstige en onnodig grievende beledigingen zijn, met nu name nu deze zijn gedaan tijdens de livestream van een herdenking en viering van de afschaffing van de slavernij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/103000-18 (Promis)

Datum uitspraak: 7 juli 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Biemond naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan groepsbelediging door op 1 juli 2017 als reactie op de uitzending van de Keti Koti herdenking bij de NOS en/of AT5 tijdens een livestream op Facebook te schrijven:

Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” en

Heeft de apenheul een nieuw park geopend?

De tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat uit het dossier naar voren is gekomen dat tal van mensen zich negatief hebben uitgelaten onder een livestream op Facebook van de Keti Koti herdenking van de NOS op 1 juli 2017. Enkel verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn voor hun uitlatingen strafrechtelijk vervolgd. Bovendien is de uitzending bijna drie jaar geleden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard.

3.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen expliciet standpunt ingenomen over zijn ontvankelijkheid. Ten aanzien van de vervolgingsbeslissing heeft de officier van justitie aangevoerd dat naar aanleiding van de aangifte een onderzoek is ingesteld naar mogelijke aanstootgevende uitlatingen onder de livestream van de uitzending van voornoemde Keti Koti herdenking. Naar zeven Facebook profielen is aanvullend onderzoek gedaan, omdat deze uitlatingen strafrechtelijk zouden kunnen worden vervolgd. Enkel bij verdachte en de tevens vervolgde verdachte [medeverdachte] zijn persoonsgegevens gevonden, waarop vervolging is ingesteld.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de termijnoverschrijding op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts dient te leiden tot een strafkorting.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het in artikel 167 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) neergelegde opportuniteitsbeginsel, het aan het Openbaar Ministerie is om te beslissen of - en zo ja – wie vervolgd wordt, waarbij het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid heeft.

Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. De rechtbank stelt vast dat, gelet op het dossier en de door de officier van justitie op zitting verschafte toelichting, dit niet het geval is. De rechtbank is van oordeel dat de vervolgingsbeslissing niet in strijd is met een redelijke en billijke belangenafweging.

Ten aanzien van het tijdsverloop stelt de rechtbank voorop dat op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verdachte het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Het uitgangspunt is dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn is aangevangen op 13 oktober 2017. Verdachte is toen per brief ontboden op een verhoor, hetgeen de verwachting heeft doen ontstaan dat door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.

Dit betekent dat het vonnis vóór 13 oktober 2019 had moeten worden uitgesproken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden. Overschrijding van de redelijke termijn kan echter slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De geconstateerde termijnoverschrijding leidt niet tot de conclusie dat in de zaak tegen verdachte sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval.

Om die reden wordt het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verworpen.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde bewoordingen op Facebook heeft geplaatst op grond van aangifte van [naam 1] , de klacht van [naam 2] en het internetonderzoek. De uitlating voldoet volgens de officier van justitie tevens aan de vereisten van artikel 137c Wetboek van Strafrecht (Sr), nu de reacties op zichzelf beledigend zijn over een groep mensen op grond van hun ras en deze uitlatingen niet zijn gedaan in het kader van een maatschappelijk debat.

4.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken voor het plaatsen van de opmerking “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” op Facebook, omdat enkel aangever hierover heeft verklaard. Een screenshot van deze uiting is als bijlage bij de aangifte gevoegd, maar uit niets blijkt dat dit een opmerking zou zijn die is geplaatst in het kader van de livestream van de Keti Koti herdenking. Er staat immers geen datum of tijdsaanduiding bij de opmerking en deze is niet terug te vinden in het proces-verbaal van internetonderzoek, waarbij een screenshot is gemaakt van de geplaatste reacties bij de livestream. Verdachte heeft ontkend dat hij deze opmerking heeft geplaatst, ook al lijkt deze afkomstig te zijn van zijn Facebookaccount. Verdachte heeft wel bekend de woorden “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” op Facebook te hebben geplaatst. Deze opmerking valt volgens de raadsman echter niet onder de reikwijdte van artikel 137c Sr, omdat de opmerking niet ziet op het beledigen van een ras, maar op het uiten van kritiek over wat verschillende bevolkingsgroepen in Suriname doen. Ook de bewoording ‘minkukel’, is volgens de raadsman geen belediging.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Bewijs

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend erkend dat het Facebook-profiel ‘ [verdachte] ’ zijn profiel is. Voorts heeft verdachte bekend dat hij via dit profiel de reactie “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” heeft geplaatst tijdens de livestream van de Keti Koti herdenking . Dat deze uiting door het Facebook-profiel ‘ [verdachte] ’ is gedaan volgt ook uit de aangifte en het proces-verbaal van internetonderzoek, waar de opmerking te zien is als een van de reacties op de livestream.

Verdachte ontkent echter de uitlating “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” te hebben geschreven. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat hij de enige gebruiker is van het Facebookaccount ‘ [verdachte] ’ en dat niemand anders toegang heeft tot dit profiel of tot zijn computer. Verder ontkent verdachte ook niet dat het Facebook-profiel waarmee de opmerking is geplaatst, dezelfde is als zijn profiel. Zowel de naam, de profielfoto als de informatie van het account is identiek aan het Facebook-profiel waarmee de uiting “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” is gedaan. In het licht van deze informatie acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij de opmerking niet zou hebben geplaatst en dat hij niet weet waar deze bewoordingen vandaan komen, ongeloofwaardig.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het dossier voldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte de uitspraak “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” heeft geplaatst in reactie op de livestream van de Keti Koti herdenking. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.

Bij de aangifte van [naam 1] zijn een aantal screenshots als bijlagen toegevoegd, welke volgens aangever aanstootgevende uitingen bevatten die op de livestream van de Keti Koti herdenking op Facebook te zien waren. Een van deze screenshots was van de uiting van verdachte “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” De aangifte van [naam 1] wordt ondersteund door de klacht van [naam 2] , die eveneens melding maakt van deze uitlating op de livestream. Alhoewel in de klacht van [naam 2] geen Facebookprofielen worden genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat het hier om de reactie van [verdachte] gaat, nu het letterlijk dezelfde tekst betreft. Dat deze reactie niet voorkomt op de screenshot welke als bijlage bij het internetonderzoek van de politie is toegevoegd, doet hier niet aan af, omdat de bijlage bij het internetonderzoek slechts een aantal uitingen van het grotere geheel van reacties - zowel positief en negatief - bevat die zijn geplaatst tijdens de livestream.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bijlage bij de aangifte van [naam 1] en de klacht van [naam 2] daarom voldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte de uiting op de livestream van de Keti Koti herdenking heeft geplaatst.

Beslisschema

De rechtbank ziet zich gesteld voor vraag of deze uitlating voldoet aan de vereisten van artikel 137c, waarin belediging van een groep strafbaar is gesteld. De rechtbank stelt daarbij voorop dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere ECLI:NL:HR:2018:541) toetsingscriteria zijn ontwikkeld met betrekking tot de vraag of sprake is van belediging van een groep mensen. Deze sluit aan bij het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ontwikkelde stappenplan om klachten over de schending van de vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te beoordelen. Achtereenvolgend moeten de volgende vragen worden beantwoord:

  1. heeft de uitlating – op zichzelf en in de context bezien – de strekking om een groep mensen te beledigen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijk verstandelijke handicap? Zo ja,

  2. is de uitlating gedaan in een bepaalde context die het beledigend karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in artikel 10 lid 1 EVRM verzekerde recht op meningsuiting? Zo ja,

  3. moet de uitlating niettemin als onnodig grievend worden aangemerkt?

Stap 1: beledigende karakter

Voor de beoordeling of sprake is van groepsbelediging moet allereest worden gekeken naar de feitelijke uitlating en naar de samenhang met de overige omstandigheden. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (ECLI:HR:2001:AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan.

De rechtbank is van oordeel dat de uitlatingen “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” en “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” kwetsend zijn voor respectievelijk mensen met een Surinaamse achtergrond en mensen van kleur.

Uit de bewoordingen ‘waardeloze minkukels’ valt af te leiden dat verdachte Surinamers als minderwaardige mensen beschouwt. Ook het woord ‘vergaarbak’ heeft een negatieve connotatie, nu een vergelijking wordt getrokken met een afvoersysteem. De rechtbank merkt ten aanzien van de uiting “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” op dat deze qua bewoordingen over Surinamers het algemeen gaat, maar gelet op de context van de Keti Koti herdenkingsdienst, voornamelijk op mensen met een Afro-Surinaamse achtergrond ziet. De rechtbank ziet deze uitlating van verdachte dan ook als beledigend wegens hun ras en valt daarmee binnen het bereik van artikel 137c Sr.

Door de opmerking te maken “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” maakt verdachte de vergelijking tussen mensen van kleur en apen. Dat dit een buitengewoon beledigende en denigrerende vergelijking is, behoeft geen verdere bespreking. De uitlatingen van verdachte zijn extra grievend geweest, nu hij deze heeft gedaan tijdens de live-uitzending van een herdenkingsdienst ter nagedachtenis van de afschaffing van de slavernij, waarbij de nakomelingen van slachtoffers van slavernij stil staan bij hetgeen hun voorouders is overkomen.

Stap 2: context van de uitlating

De tweede toets betreft de vraag of een uitlating in een bepaalde context is gedaan en zo ja in welke. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de context waarin een uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen, indien de uitlating een bijdrage levert of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlating onder de bescherming van artistieke expressie valt. De reikwijdte van die context wordt gevormd door het recht van verdachte op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De uitlatingen van verdachte zijn desgevraagd niet gedaan in het kader van zijn geloofsopvatting of artistieke expressie.

De rechtbank merkt op dat de vraag of sprake is van een maatschappelijk debat onder meer afhankelijk is van de vorm en de inhoud van de uitlating, bijvoorbeeld wat de meerwaarde van de uitlating is en of deze uitlating van publiek belang is.

Verdachte heeft over zijn uiting “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” verklaard dat dit gezien moet worden als een uiting van kritiek op de politieke en maatschappelijke situatie in Suriname. Het plaatsen van dergelijke beledigende oneliners op Facebook valt naar het oordeel van de rechtbank echter niet onder het leveren van een bijdrage aan het maatschappelijke debat, temeer nu onduidelijk is wat verdachte met deze uiting beoogde te bereiken tijdens de livestream van de Keti Koti herdenking.

De reactie “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” beschouwt de rechtbank van geen enkele sociale of maatschappelijke waarde, zodat verdere bespreking van de vraag of deze bewoordingen zijn geplaatst in het kader van een maatschappelijk debat, achterwege kan blijven.

Onnodig grievend

Het derde criterium behoeft gelet op het voorgaande beslisschema geen nadere bespreking.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verachte zich opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun ras, door als reactie op de uitzending van de Keti Koti herdenking bij de NOS op Facebook te plaatsen:

Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” en

Heeft de apenheul een nieuw park geopend?

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 1 juli 2017 te Amsterdam en Oud-Beijerland, telkens zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Surinamers en/of Antillianen en/of negroïde personen, wegens hun ras, immers heeft verdachte als reactie op de uitzending van de Keti-Kotiherdenking bij de NOS opzettelijk beledigend de volgende woorden op Facebook geschreven:

“Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” en/of

“Heeft de apenheul een nieuw park geopend?”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 400,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 8 dagen. De officier van justitie heeft bij zijn strafeis geen rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn en refereert zich ten aanzien daarvan aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een groep mensen beledigd door op de live-uitzending van de Keti Koti herdenking op Facebook te reageren met de reacties “Suriname is een vergaarbak van waardeloze minkukels” en “Heeft de apenheul een nieuw park geopend?” De rechtbank is van oordeel dat dit zeer ernstige en onnodig grievende beledigingen zijn, met nu name nu deze zijn gedaan tijdens de livestream van een herdenking en viering van de afschaffing van de slavernij. Uit de aangifte en de klacht aan de officier van justitie blijkt dan ook dat vele mensen hier aanstoot aan hebben genomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet heeft nagedacht over de consequenties van het in het openbaar schrijven deze racistische opmerkingen, waarmee hij tevens in negatieve zin het beeld van een groep mensen heeft aangetast.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 april 2019. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft in haar strafoplegging meegewogen dat de bewezenverklaarde beledigingen onderdeel zijn van een reeks aan provocerende opmerkingen aan de kant van verdachte tijdens de livestream en daarmee relevante feiten en omstandigheden opleveren waaronder de feiten zijn gepleegd. Uit de bagatelliserende houding van verdachte op zitting heeft de rechtbank op geen enkele wijze kunnen waarnemen dat verdachte het kwalijke van zijn handelen heeft begrepen. Sterker nog, verdachte heeft op zitting zijn eerste uiting verdedigd en in het geheel geen spijt betuigd. De rechtbank acht een geldboete van € 450,- op zijn plaats. De rechtbank zal bij de strafoplegging in strafverminderende zin rekening houden met de in rubriek 3 vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn van acht maanden en legt aan verdachte een geldboete op van € 400,-.

9 Benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 2] vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank stelt voorop dat in het geval van groepsbelediging geen rechtstreekse schade wordt toegebracht aan de benadeelde partij als de strafbare uitlating onvoldoende specifiek op de betreffende benadeelde partij is gericht. Ook in de onderhavige zaak was de uitlating van verdachte algemeen en niet specifiek gericht op de benadeelde partij. De rechtbank is daarom, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat (gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. De rechtbank komt daarmee niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de vordering.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 23, 24a, 24c en 137c van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

belediging van een groep mensen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 400,- (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 8 dagen.

Verklaart de benadeelde partij, [naam 2] , niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2020.