Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3315

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
13/103001-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 49-jarige man is veroordeeld tot een boete van 300 euro waarvan 150 euro voorwaardelijk omdat hij op 1 juli 2017 een groep mensen heeft beledigd. Als reactie op de live-uitzending van de Keti Koti herdenking of Facebook schreef hij namelijk “De slaven mogen de krans slepen.” De rechtbank oordeelt dat dit een zeer ernstige en onnodig grievende uiting is, met name nu deze is gedaan in reactie op een livestream die waarschijnlijk werd bekeken door een breed publiek tijdens de herdenking en viering van de afschaffing van de slavernij. In zijn voordeel weegt mee dat hij zijn excuses heeft aangeboden en aangaf geschrokken te zijn van zijn eigen gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/103001-18 (Promis)

Datum uitspraak: 7 juli 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

woonachtig op het adres,

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.J.F. Geertsen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan groepsbelediging door op 1 juli 2017 als reactie op de uitzending van de Keti

Koti herdenking bij de NOS en/of AT5 tijdens een livestream op Facebook te schrijven:

De slaven mogen met de krans slepen”.

De tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde uitlating op Facebook heeft geplaatst op grond van de klacht van [naam 1] , het internetonderzoek en de bekennende verklaring van verdachte. De uitlating voldoet volgens de officier van justitie tevens aan de vereisten van artikel 137c Wetboek van Strafrecht (Sr), nu de reactie op zichzelf beledigend is over een groep mensen op grond van hun ras en deze uitlating niet is gedaan in het kader van een maatschappelijk debat.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, hij heeft daartoe twee verweren gevoerd. Allereerst komt volgens de raadsman de rechtbank Amsterdam geen rechtsmacht toe, nu verdachte de reactie op Facebook heeft geplaatst vanuit België. Het ten laste gelegde is aldus niet in Nederland gepleegd. Verdachte zou tevens, zoals ook uit zijn verklaringen blijkt, niet het opzet hebben gehad om een groep te beledigen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Rechtsmacht

Anders dan de raadsman heeft betoogd, komt de rechtbank Amsterdam in deze zaak rechtsmacht toe. Ook indien wordt aangenomen dat verdachte zijn bericht vanuit België op Facebook heeft geplaatst (uit het dossier blijkt dit niet, maar gelet op de woonplaats van verdachte is dit niet onwaarschijnlijk), dan geldt dat de ten laste gelegde groepsbelediging in Nederland zijn uitwerking heeft gehad en dat de gevolgen daarvan in Nederland voelbaar zijn geweest. Het betrof immers een livestream die door een Nederlandse omroep (NOS) op internet is gezet van een evenement dat in Amsterdam plaatsvond en aangenomen mag worden dat de ruime meerderheid van de personen die op deze livestream reageerden dan wel de geplaatste berichten lazen zich in Nederland bevonden. Het is vaste rechtspraak dat indien een feit is gepleegd zowel in Nederland als in een ander land, vervolging op grond van artikel 2 Sr mogelijk is ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (HR 30 september 1997, NJ 1998/117)

Bewijs

De rechtbank acht, op grond van de klacht van [naam 1] , het internetonderzoek en de bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte op 1 juli 2017 als reactie op de NOS live-uitzending van de Keti Kotiherdenking heeft geplaatst: “De slaven mogen met de krans slepen”.

Beslisschema

De rechtbank ziet zich gesteld voor vraag of deze uitlating voldoet aan de vereisten van artikel 137c Sr, waarin belediging van een groep strafbaar is gesteld. De rechtbank stelt daarbij voorop dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere ECLI:NL:HR:2018:541) toetsingscriteria zijn ontwikkeld met betrekking tot de vraag of sprake is van belediging van een groep mensen. Deze sluit aan bij het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ontwikkelde stappenplan om klachten over schending van vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te beoordelen. Achtereenvolgend moeten de volgende vragen worden beantwoord:

  1. heeft de uitlating – op zichzelf en in de context bezien – de strekking om een groep mensen te beledigen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke of verstandelijke handicap? Zo ja,

  2. is de uitlating gedaan in een bepaalde context die het beledigend karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in artikel 10 lid 1 EVRM verzekerde recht op meningsuiting? Zo ja,

  3. moet de uitlating niettemin als onnodig grievend worden aangemerkt?

Stap 1: beledigende karakter

Voor de beoordeling of sprake is van groepsbelediging moet allereest worden gekeken naar de feitelijke uitlating en naar de samenhang met de overige omstandigheden. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (ECLI:HR:2001:AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan.

De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van het woord “slaven” onmiskenbaar de strekking heeft om mensen van kleur te kwetsen, nu het gegeven dat hun voorouders tot slavernij werden gedwongen, ook vele generaties later nog steeds pijnlijke gevoelens en gevoelens van vernedering oproept. Nu verdachte na zijn uitlating een lachende emoticon heeft geplaatst, is er geen misvatting mogelijk over het opzettelijk beledigende karakter van zijn schrijven. Deze uitlating is te meer beledigend nu verdachte deze reactie heeft geplaatst onder de live uitzending van een herdenkingsdienst waarbij bloemenkransen werden gelegd juist ter nagedachtenis van de afschaffing van de slavernij. Deze herdenkingsdienst werd dan ook georganiseerd, bijgewoond en digitaal gevolgd door nakomelingen van mensen die slachtoffer zijn geworden van slavernij. Door gebruik te maken van het woord “slaven” in de context van de herdenkingsdienst, die wordt georganiseerd en in het bijzonder wordt bijgewoond door mensen uit de Surinaamse gemeenschap, heeft verdachte zich kennelijk gericht op het beledigen van mensen van kleur. De rechtbank begrijpt deze uitlating als een belediging wegens hun ras.

Stap 2: context van de uitlating

De tweede toets betreft de vraag of een uitlating in een bepaalde context is gedaan en zo ja in welke. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de context waarin een uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen, indien de uitlating een bijdrage levert of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlating onder de bescherming van artistieke expressie valt.

De reikwijdte van die context wordt gevormd door het recht van verdachte op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Deze uitlating is, desgevraagd aan verdachte, niet gedaan in het kader van zijn geloofsopvatting of artistieke expressie. Of sprake is van een maatschappelijk debat is onder meer afhankelijk van de vorm en de inhoud van de uitlating, in combinatie met de vraag of deze uitlating van publiek belang is.

Verdachte heeft zelf aangegeven dat hij zich heeft laten meeslepen door andere reacties op Facebook en dat zijn reactie ondoordacht was. Volgens verdachte had hij niet de intentie om een discussie aan te wakkeren of een specifiek punt te maken. Het plaatsen van deze enkele beledigende reactie op Facebook valt om die reden niet onder een bijdrage aan het maatschappelijke debat.

Onnodig grievend

Het derde criterium behoeft gelet op het voorgaande beslisschema ook geen nadere bespreking.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte zich opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun ras, door als reactie op de uitzending van de Keti Kotiherdenking bij de NOS op Facebook te plaatsen:

De slaven mogen met de krans slepen

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 1 juli 2017 te Amsterdam en België zich in het openbaar, bij geschrift, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Surinamers en/of Antillianen en/of negroïde personen, wegens hun ras, immers heeft verdachte als reactie op de uitzending van de Keti Koti herdenking bij de NOS opzettelijk beledigend de volgende woorden op Facebook geschreven: “De slaven mogen met de krans slepen”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,- , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 6 dagen. De officier van justitie heeft bij zijn strafeis geen rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn en refereert zich ten aanzien daarvan aan het oordeel van de rechtbank.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de mogelijkheid dat verdachte zijn baan in de beveiliging kwijt zou kunnen raken doordat hij geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) meer kan verkrijgen. De raadsman heeft tevens verzocht een strafkorting toe te passen wegens een overschrijding van de redelijke termijn.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Strafmotivering

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een groep mensen beledigd door als reactie op de live-uitzending van de Keti Koti herdenking op Facebook te schrijven “De slaven mogen met de krans slepen”. De rechtbank is van oordeel dat dit een zeer ernstige en onnodig grievende uiting is, met nu name nu deze is gedaan in reactie op een livestream die waarschijnlijk bekeken werd door een breed publiek tijdens de herdenking en viering van de afschaffing van de slavernij. Uit de aangifte en de klacht aan de officier van justitie blijkt dan ook dat veel mensen hier aanstoot aan hebben genomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet heeft nagedacht over de consequenties van het in het openbaar schrijven van deze racistisch getinte opmerking, waarmee hij tevens in negatieve zin het beeld van een groep mensen heeft aangetast.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 april 2019. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft in haar strafoplegging ook meegewogen dat verdachte ter zitting zijn excuses heeft aangeboden en heeft aangegeven geschrokken te zijn van zijn eigen gedrag. Verdachte heeft ter zitting verklaard nu in te zien dat zijn opmerking kwetsend is geweest en heeft de rechtbank verzekerd niet opnieuw op deze provocerende manier actief te zullen zijn op Facebook of andere sociale media. De rechtbank heeft tevens in de strafoplegging meegewogen dat verdachte door deze openstaande zaak tweemaal is afgewezen voor een baan in de beveiliging.

Redelijke termijn

Op grond van artikel 6 EVRM heeft iedere verdachte het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Het uitgangspunt is dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.

Verdachte is op 21 oktober 2017 gehoord. Die dag geldt als de dag waarop voornoemde termijn is aangevangen, omdat verdachte daaraan de verwachting heeft mogen ontlenen dat tegen hem ter zake van enig strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. Dit betekent dat het vonnis vóór 21 oktober 2019 had moeten worden uitgesproken. De termijn is, gelet hierop, met acht maanden geschonden.

De rechtbank ziet gelet op al het voorgaande aanleiding om in strafverlagende zin af wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank acht een geldboete ter hoogte van € 350,- passend. De rechtbank zal bij de strafoplegging in strafverminderende zin rekening houden met de voormelde overschrijding van de redelijke termijn en legt aan verdachte een geldboete op van € 300,-, waarvan € 150,- voorwaardelijk, opleggen met een proeftijd van één jaar.

8 Benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank stelt voorop dat in het geval van groepsbelediging geen rechtstreekse schade wordt toegebracht aan de benadeelde partij als de strafbare uitlating onvoldoende specifiek op de betreffende benadeelde partij is gericht. Ook in de onderhavige zaak was de uitlating van verdachte algemeen en niet specifiek gericht op de benadeelde partij. De rechtbank is daarom, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. De rechtbank komt daarmee niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de vordering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a, 24c en 137c van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

belediging van een groep

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 300,- (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 6 dagen hechtenis, waarvan €150,- (honderdvijftig euro) voorwaardelijk, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 3 dagen hechtenis.

Stelt daarbij een proeftijd voor de duur van 1 (één) jaar vast.

Verklaart de benadeelde partij, [naam 1] , niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2020.