Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3300

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
8512617 KK EXPL 20-286
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2020:3294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst met nevenvorderingen, verstoorde arbeidsverhouding, geen (ernstig) verwijtbaar handelen.

Geschil tussen raad van toezicht en (enig) bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0751
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8512617 KK EXPL 20-286

vonnis van: 30 juni 2020

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader,te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. A.H. Chr. Heere,

t e g e n

de stichting STICHTING MAYDAY RESCUE FOUNDATION,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: Mayday,

gemachtigde: mr. R.P.J. ter Haseborg.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 18 mei 2020, met producties, heeft [eiser] een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 11 juni 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Mayday is verschenen bij [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door de gemachtigde. De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek EA VERZ 20-350. Partijen hebben op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is de behandeling aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Bij e-mail van 16 juni 2020 is meegedeeld dat partijen daarin niet zijn geslaagd en is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt in dit geding hetgeen in de beschikking van heden 8515802 EA VERZ 20-350 is vastgesteld en overwogen. Deze beschikking geldt hier als herhaald en ingelast.

Vordering

2. [eiser] vordert veroordeling van Mayday tot betaling van zijn achterstallige salaris over de maanden maart en april 2020 alsmede het loon tot aan het moment dat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geƫindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, met overlegging van de bijbehorende loonstroken. [eiser] stelt hiertoe dat Mayday ten onrechte een deel van zijn loon heeft ingehouden. Hij heeft zich op 11 maart 2020 ziek gemeld en vervolgens is hij op 13 maart 2020 geschorst. Daartegen heeft hij verweer gevoerd, zowel op inhoudelijke als formele gronden. Een eventueel beroep op verrekening komt Mayday niet toe.

Verweer

3. Mayday voert met verwijzing naar het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst inclusief nevenverzoeken aan dat zij op goede grond betaling van het loon van [eiser] heeft verrekend met teveel betaalde bedragen.

Beoordeling

4. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen

5. Zoals in de beschikking van heden in de zaak EA VERZ 20-230 is overwogen, is Mayday gehouden tot doorbetaling van het salaris van [eiser] tot 1 augustus 2020 waarop een aantal bedragen in mindering strekken zoals in die beschikking is bepaald. In dit kort geding is, in aanvulling op de stellingen en verweren van partijen die in die procedure aan de orde zijn gesteld en in de beschikking zijn besproken en waarover is beslist, nog slechts aan de orde het antwoord op de vraag omtrent de hoogte van het loon tijdens ziekte, de verschuldigdheid van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

6. Met betrekking tot het loon tijdens ziekte is in de arbeidsovereenkomst opgenomen dat [eiser] bij ziekte aanspraak heeft op 70% van zijn laatstverdiende loon. Voor zover [eiser] heeft gesteld dat hij aanspraak heeft op 100% van zijn laatstverdiende loon, heeft hij deze aanspraak in dit geding onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat het gebruik is bij Mayday om altijd 100% uit te betalen is door Mayday gemotiveerd bestreden en door [eiser] niet nader toegelicht. Voor zover [eiser] heeft betoogd dat hij in het verleden bij ziekte 100% uitbetaald heeft gekregen, heeft Mayday terecht verwezen naar zijn oude arbeidsovereenkomst waarin inderdaad de verplichting tot betaling van 100% bij ziekte was opgenomen. In de nieuwe per 22 mei 2019 geldende arbeidsovereenkomst staat dit echter niet. Dat [eiser] na 22 mei 2019 nog 100% betaald heeft gekregen bij ziekte is door Mayday betwist en door [eiser] niet aangetoond. Dit brengt mee dat [eiser] tijdens ziekte aanspraak heeft op 70% van zijn loon. Ten aanzien van de aanvangsdatum geldt dat een eerdere ziekmelding dan per 16 maart 2020 in dit geding niet aannemelijk is geworden. [eiser] verwijst in zijn e-mail van 16 maart 2020 weliswaar naar een eerdere ziekmelding, maar tegenover de betwisting is dat niet aannemelijk geworden. Partijen zijn het erover eens dat de periode loopt tot 30 maart 2020.

7. Tegen de wettelijke verhoging heeft Mayday geen verweer gevoerd. Deze zal gelet op de omstandigheden van de zaak gematigd worden tot 25%. De afgifte van de loonspecificaties is eveneens als onbestreden toewijsbaar en dit geldt ook voor de wettelijke rente.

8. Er is aanleiding de proceskosten tussen partijen als na te melden te compenseren.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Mayday tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging over het loon waartoe Mayday bij beschikking van heden in de zaak 8515802 EA VERZ 20-350 onder VII is veroordeeld tot een maximum van 25% en vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Mayday tot afgifte van de bijbehorende loonstroken;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.