Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3293

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
AWB 18 / 7316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 1 juni 2017 het eerste en enige verkeersbesluit in deze zaak. Hierin staat vermeld welke verkeersborden zullen worden verwijderd. De rechtbank stelt vast dat het verkeersbesluit is genomen in overeenstemming met de in artikel 2, eerste lid, onder a, van de WvW 1994 genoemde doelstelling, namelijk verkeersveiligheid. De wettelijke grondslag van het verkeersbesluit is duidelijk gemaakt.

Eiseres heeft terecht aangevoerd dat verweerder op onderdelen niet met de vereiste precisie te werk is gegaan. Dit leidt echter niet tot de vernietiging van het bestreden besluit. Dat dit soort zaken kunnen leiden tot ergernis, begrijpt de rechtbank wel, maar maakt dit niet anders. Het beroep is ongegrond.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om eiseres een schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De gehele procedure heeft langer dan 2 jaar geduurd. Deze termijnoverschrijding is geheel aan verweerder te wijten. De rechtbank veroordeelt verweerder dan ook tot het betalen van een schadevergoeding van € 1000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/7316

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. M.D. van Aller),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A.T.M. Zuiderman-van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2017 (het primaire besluit) heeft het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel [stadsdeel 1]1 besloten tot verwijdering van verkeersborden conform model G11 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 ‘verplicht fietspad’ op het speciaal daarvoor aangelegde weggedeelte in de [straat 1] tussen de [straat 2] en [straat 3] in Amsterdam.

Bij besluit van 1 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een nadere reactie op het verweerschrift ingediend.

De zitting was gepland op 26 maart 2020, maar deze kon niet doorgaan vanwege de afgekondigde maatregelen door het coronavirus. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke reactie in te dienen. Verweerder heeft bij brief van 8 mei 2020 gereageerd en eiseres bij brief van 15 mei 2020. Partijen hebben daarna toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

Waar gaat deze procedure over?

1. Het weggedeelte van de [straat 1] tussen de [straat 3] en de [straat 2] bestond ten tijde van het nemen van het primaire besluit uit een verplicht fietspad. Dit fietspad was als zodanig herkenbaar door de verkeersborden conform G11.2 Aan de ene zijde van dit fietspad bevindt zich ter plaatse bebouwing. Daar zijn de [school] en het jongerencentrum [centrum] gevestigd. Aan de andere zijde bevindt zich [locatie 1] .

2. Het [stadsdeel 1] heeft een verkeersbesluit genomen dat ertoe strekt de verkeersborden conform model G11 te verwijderen. Dit houdt feitelijk in dat het verplichte fietspad wordt opgeheven. De reden hiervoor is volgens het primaire besluit dat het fietspad het [locatie 2] van [school] doorkruist. De afgelopen jaren is ingezet op verbetering van de veiligheid om de leefbaarheid van het [locatie 2] te verbeteren. Zo is een luwe zone ingericht door het maken van een fietssluis, maar dit werkt onvoldoende. Verder is in de [straat 4] inmiddels een veilige doorgaande noord-zuid fietsroute aangelegd. Door het opheffen van het fietspad zal de veiligheid en de gebruikswaarde van het gebied toenemen, zo staat in het primaire besluit.

3. Eiseres heeft op 26 juni 2017 bezwaar gemaakt. Het [stadsdeel 1] heeft dit bezwaar met een besluit van 29 augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Deze rechtbank heeft met een uitspraak van 6 februari 2018, zaaknummer AWB 17/5872, het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Dit besluit is gebaseerd op het advies van de bezwaarschriftencommissie van 19 oktober 2018.3

4. Eiseres heeft hiertegen gemotiveerd beroep ingesteld. De beroepsgronden zullen hieronder apart worden besproken. De rechtbank zal ook beslissen op het verzoek dat eiseres heeft gedaan om verweerder te gelasten nog stukken te overleggen. Eiseres heeft in haar brief van 15 mei 2020 te kennen gegeven dat zij haar verzoek om [persoon 1] , [persoon 2] , [functie 1] en [persoon 3] , [functie 2] van [persoon 1] als getuigen op te roepen niet handhaaft. Dat verzoek behoeft daarom geen bespreking.

Wettelijk kader

5. Het wettelijk kader dat van toepassing is, is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

De procedure voorafgaande aan het besluit van 29 augustus 2017

6. Eiseres vindt dat de behandelend ambtenaar [persoon 1] onjuist heeft gehandeld. Hij vormde ten onrechte eenhoofdig de bezwaaradviescommissie. Ook heeft hij stukken niet aan eiseres verstrekt. Verder heeft hij veel te laat stukken overgelegd aan de rechtbank in verband met de eerdergenoemde procedure AWB 17/5872. Ook heeft hij niet namens verweerder een verweerschrift ingediend. Daarmee is volgens eiseres gehandeld in strijd met de artikelen 8:42 en 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook verder heeft hij eiseres dwarsgezeten. Eiseres heeft een klacht hierover ingediend. Zij acht de wijze waarop deze klacht is afgehandeld om meerdere redenen niet juist.

7. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank het besluit van 29 augustus 2017 met een uitspraak van 6 februari 2018 heeft vernietigd. Anders dan eiseres meent, zijn fouten die eventueel in de eerste procedure zijn gemaakt niet zonder meer van belang voor deze procedure. Als verweerder na een vernietiging van zijn besluit opdracht krijgt een nieuw besluit te nemen, dan krijgt hij immers de gelegenheid om fouten te herstellen. In deze zaak dient de rechtbank dan ook te beoordelen of het bestreden besluit, met de aanvullende motivering, stand kan houden. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bezwaarschrift opnieuw heeft beoordeeld. Daarbij heeft verweerder zich laten adviseren door een adviescommissie die anders was samengesteld dan in de eerste procedure. Eiseres beschikt inmiddels over de op de zaak betrekking hebbende stukken.4 Ook heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De door eiseres genoemde punten zijn dus met de tweede procedure opnieuw dan wel alsnog door verweerder beoordeeld. Al om deze reden kunnen de beroepsgronden over het handelen van [persoon 1] niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Datzelfde geldt voor de beroepsgrond dat de klachtprocedure niet behoorlijk is verlopen. Deze klachtprocedure heeft namelijk betrekking op de eerste procedure, die heeft geleid tot het eerdere besluit van 29 augustus 2017, en de werkwijze van [persoon 1] met betrekking tot de afhandeling van het beroep van eiseres tegen dat besluit. In zoverre slaagt het beroep dus niet.

Andere punten die fout zijn gegaan

8. Eiseres wijst er verder op dat in de stukken van verweerder veel fouten staan. Zo vermeldt verweerder bijvoorbeeld regelmatig onjuiste data en is uitleg onvolledig. Ook worden stukken naar de gemachtigde gestuurd, terwijl deze heeft verzocht dat in verband met haar afwezigheid niet te doen.

9. De rechtbank zal de opmerkingen die eiseres heeft gemaakt over de datum van het primaire besluit en over de motivering daarvan verderop bespreken. Voor het overige begrijpt de rechtbank dat de door eiseres genoemde punten kunnen leiden tot ergernis. Niet gebleken is echter dat eiseres hier daadwerkelijk door is benadeeld. Bij verkeerde data is steeds voor eiseres duidelijk geweest om welk stuk het ging. Ook heeft zij steeds tijdig kunnen reageren. In zoverre is het bovenstaande dan ook geen reden om het bestreden besluit te vernietigen.

Betrokkenheid eiseres bij de besluitvorming

10. Eiseres vindt verder dat zij ten onrechte niet eerder is betrokken in de besluitvorming. De rechtbank leidt uit de stukken af dat [school] en jongerencentrum [centrum] het [stadsdeel 1] hebben voorgesteld om het fietspad te verwijderen. Eiseres is naar aanleiding van dit verzoek niet direct bij de besluitvorming betrokken. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres eerder bij de besluitvorming betrokken had willen worden. Zoals ook deze rechtbank in haar uitspraak van 6 februari 2018 heeft overwogen, raakt het besluit om het fietspad te verwijderen eiseres immers direct. Het [stadsdeel 1] en daarna verweerder waren echter niet verplicht eiseres eerder in de procedure te betrekken. Eiseres heeft in een later stadium alsnog haar visie gegeven en zij heeft ook bezwaar kunnen maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Wat is het primaire besluit?

11. Eiseres vindt dat onduidelijk is wanneer het verkeersbesluit is genomen. Op 13 december 2016 heeft het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van het [stadsdeel 2] een besluit genomen. Daarna heeft het [stadsdeel 1] op 25 januari 2017 een besluit genomen. Dan is er het primaire besluit van het [stadsdeel 1] , maar volgens eiseres had het [stadsdeel 1] toen al een besluit genomen. De situatie is volgens eiseres nog onduidelijker doordat in het advies is gewezen op besluiten van 26 september 2016 en 11 januari 2017. Zij wil daarom dat verweerder al deze besluiten en de onderliggende stukken overlegt.

12. Uit de door verweerder overgelegde bijlage 12 komt de volgende gang van zaken naar voren. Het voornemen om het fietspad op te heffen is besproken in een stafvergadering van 26 september 2016. De door de staf gevraagde beslissing is om akkoord te gaan met de opheffing. In het voorstel staat de reden daarvoor vermeld. Ook staat er uitleg over de financiële dekking en over de wijze waarop tot een ontwerp kan worden gekomen voor het gebied na het opheffen van het fietspad. Op 13 december 2016 heeft het [stadsdeel 2] de opheffing van het fietspad in zijn vergadering besproken. Dit is gedaan aan de hand van een bespreekvoordracht. De te nemen beslissingen zijn in te stemmen met het opheffen van het fietspad en het voorleggen van dit besluit aan het Algemeen Bestuur. Ook in dit stuk wordt melding gemaakt van de reden van het opheffen, de financiële dekking en de herinrichting. In het stuk staat verder dat hierna de Voorbereidende Commissie op 10 januari (lees 2017) het voorstel zal behandelen ter advisering en dat het op 25 januari 2017 zal worden behandeld door het [stadsdeel 1] . In de vergadering van 13 december 2016 heeft het [stadsdeel 2] overeenkomstig dit voorstel besloten. Het [stadsdeel 2] vraagt het [stadsdeel 1] in te stemmen met het opheffen van het fietspad. Over het vervolg wordt vermeld dat een voorstel over de herinrichting (herbestrating) op korte termijn aan het [stadsdeel 2] wordt voorgelegd, waarbij financiering vanuit het budget [naam] als dekking kan dienen. Vervolgens heeft de Voorbereidende Commissie de zaak op 11 januari 2017 besproken. Uiteindelijk is het voorstel op 25 januari 2017 in de vergadering van het [stadsdeel 1] besproken. Beslist is om in te stemmen met het voorstel.

13. De rechtbank is van oordeel dat de stukken van 26 september 2016 en 10 januari 2017 geen besluiten zijn. Dit zijn slechts voorstellen aan het [stadsdeel 2] en het [stadsdeel 1] . De besluiten van het [stadsdeel 2] en het [stadsdeel 1] om in te stemmen met het opheffen van het fietspad zijn evenmin besluiten. Uit deze stukken blijkt dat in algemene zin is ingestemd met het voorstel tot opheffen van het fietspad, de wijze van financiering en de wijze van de herinrichting van het gebied. Wel staat in het besluit van 25 januari 2017 vermeld ‘De benodigde verkeersbesluiten worden ambtelijk afgehandeld na besluit tot opheffen van het fietspad’. Verweerder heeft deze gang van zaken in zijn verweerschrift bevestigd.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 1 juni 2017 het eerste en enige verkeersbesluit in deze zaak. Hierin staat immers vermeld welke verkeersborden zullen worden verwijderd. Dat betekent dat dit besluit het primaire besluit is. Op de vraag of aan dit besluit gebreken kleven, zal de rechtbank hierna ingaan.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te gelasten nog nadere stukken te overleggen met betrekking tot deze besluitvorming, nu deze besluitvorming met de door verweerder overgelegde stukken duidelijk is.

Onregelmatigheden met betrekking tot het primaire besluit ?

16. Eiseres betoogt dat het primaire besluit onbevoegd is genomen. Verder is dit besluit niet op de juiste wijze gepubliceerd. Daarnaast bevat dit besluit onjuiste informatie. Zo is niet duidelijk gemaakt wat precies de wettelijke grondslag is en zijn niet alle adviezen ingewonnen voorafgaande aan het nemen van dit besluit. Ook staat ten onrechte in het besluit vermeld dat sprake is van een [locatie 2] . Het betreft echter een [locatie 3] , die niet bij de [school] of het jongerencentrum hoort. Verder is de Stichting [stichting] in het besluit genoemd. Deze is echter niet ter plaatse actief. De adviezen zijn volgens eiseres daarom op onjuiste informatie gebaseerd.

17. Het primaire besluit is ondertekend door [persoon 4] , [fumctie] . Verweerder heeft toegelicht dat in deze vermelding een fout is geslopen. Het had moeten zijn [persoon 4] in de hoedanigheid van [functie 3] . Uit de mandaatregeling volgt volgens verweerder dat [persoon 4] bevoegd is. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit is genomen door verweerder. Anders dan eiseres betoogt, is het volgens vaste rechtspraak mogelijk een bevoegdheidsgebrek in bezwaar te herstellen.5 Voor zover het primaire besluit al onbevoegd zou zijn genomen, is dat gebrek hersteld met het bestreden besluit .

18. De rechtbank is van oordeel dat het primaire besluit, een verkeersbesluit, niet tot een of meer belanghebbenden is gericht. Op grond van artikel 3:42, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van zo’n besluit door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud hiervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis‑aan‑huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Het primaire besluit is gepubliceerd in de Staatscourant. Dat het dit besluit betreft, blijkt uit de tekst en het vermelde nummer van het besluit. Dat is het nummer van het primaire besluit. Daarmee heeft verweerder het besluit op de juiste wijze gepubliceerd, zodat dit besluit ook in werking is getreden.6 Naar aanleiding van de overige opmerkingen die eiseres heeft gemaakt ten aanzien van de bekendmaking en het informeren van belanghebbenden, stelt de rechtbank vast dat eiseres tijdig bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Dat betekent dat zij door eventuele onduidelijkheden niet in haar belangen is geschaad.

19. De rechtbank overweegt dat verweerder in de kop van het primaire besluit verwijst naar de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994), het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). In de overwegingen verwijst verweerder naar artikel 2,1 (lees 2, eerste lid) van de WvW 1994. Dit is verder niet gespecificeerd. In het bestreden besluit heeft verweerder verder verwezen naar artikel 21 van de BABW. Op grond van dit artikel vermeldt de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. De rechtbank stelt vast dat zowel in het primaire als in het bestreden besluit staat vermeld dat het verkeersbesluit wordt genomen met het oog op de verkeersveiligheid. Dit is de in artikel 2, eerste lid, onder a, van de WvW 1994 genoemde doelstelling. Daarmee heeft verweerder de wettelijke grondslag naar het oordeel van de rechtbank duidelijk gemaakt. Dat verweerder in de besluiten niet expliciet naar artikel 2, eerste lid, onder a, van de WvW 1994 heeft verwezen, maakt dit niet anders. Het is verder juist dat verweerder in het primaire besluit ook wijst op de gebruikswaarde van het gebied. Dat is inderdaad niet een belang dat wordt genoemd in artikel 2, eerste lid, van de WvW 1994. De rechtbank acht het niet onrechtmatig dat met een besluit ook doelstellingen worden beoogd die niet staan vermeld in artikel 2, eerste lid, van de WvW 1994, mits ook het verwezenlijken van een doelstelling uit dat artikel wordt beoogd. Dat is hier het geval.

20. De rechtbank stelt vast dat het standpunt van eiseres dat na het nemen van het primaire besluit adviezen zijn uitgebracht, is gebaseerd op haar uitgangspunt dat op 13 december 2016 dan wel 25 januari 2017 het verkeersbesluit was genomen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld is dat besluit op 1 juni 2017 genomen. Alle adviezen zijn voor die datum uitgebracht. De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat de adviezen niet deugen omdat zij op onjuiste informatie zijn gebaseerd. Verweerder heeft inderdaad ten onrechte vermeld dat kinderen het fietspad moeten oversteken om bij het [locatie 2] te komen. Het feit dat het een [locatie 3] betreft, maakt de situatie echter niet wezenlijk anders. Eiseres heeft niet betwist dat kinderen in de lunchpauze naar de [locatie 3] gaan. Daarbij moeten zij het fietspad oversteken. Verder is de rechtbank niet gebleken dat de Stichting [stichting] ter plaatse actief is. Ook dit doet echter niet af aan het feit dat kinderen het fietspad moeten oversteken om bij de [locatie 3] te komen.

21. De in 16 genoemde gronden slagen niet.

Punten die verweerder niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken?

22. Eiseres heeft aangevoerd dat het opheffen van het fietspad in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft hier geen rekening mee gehouden bij het nemen van zijn besluit. Verder heeft verweerder de herinrichting van het plein onvoldoende in zijn besluitvorming betrokken.

23. De rechtbank stelt vast dat het fietspad op grond van het bestemmingsplan Rivierenbuurt de bestemming “Verkeer – Verblijfsgebied” heeft. Op grond van artikel 18.1 van de planvoorschriften zijn deze gronden niet alleen bestemd voor een fietspad, maar ook voor onder andere pleinen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en voetpaden. Het opheffen van het fietspad is dan ook niet in strijd met het bestemmingsplan. Een fietspad is dus niet de enige toegestane bestemming. Al daarom is geen reden om het bestreden besluit wegens strijd met het bestemmingsplan te vernietigen. De rechtbank stelt verder vast dat het verkeersbesluit alleen gaat over het verwijderen van de borden “verplicht fietspad”. De wijze waarop het gebied nadien wordt ingericht, valt hierbuiten en kan in de besluitvorming niet aan de orde komen. Deze beroepsgronden slagen niet.

Conclusie met betrekking tot het beroep

24. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder op onderdelen niet met de vereiste precisie te werk is gegaan. Dat leidt, zoals de rechtbank hiervoor heeft uitgelegd, echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Dat dit soort zaken kunnen leiden tot ergernis, begrijpt de rechtbank wel, maar maakt dit niet anders. Ook in hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.

Het verzoek om schadevergoeding

25. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) volgens haar is overschreden.

26. Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in beginsel overschreden indien de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar heeft geduurd.7 Deze termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Volgens diezelfde rechtspraak wordt bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld. Daarbij dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

27. Verweerder heeft aangevoerd dat het een ingewikkelde zaak betreft. Verder heeft hij gewezen op het gedrag van eiseres. Zij heeft meermalen om stukken verzocht en ook om overleg. Daarom is volgens verweerder een langere termijn voor de besluitvorming in de bezwaarfase gerechtvaardigd. De rechtbank acht de zaak niet complex. Het is verder aan verweerder om de voortgang van de zaak te bewaken en om de zaak voortvarend ter hand te nemen. Dat is in deze zaak onvoldoende gebeurd. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Bij mail van 22 februari 2018 heeft verweerder aangegeven dat eiseres zal worden uitgenodigd voor een hoorzitting. Hierop heeft eiseres gereageerd dat zij een hoorzitting wilde nadat zij aanvullende stukken had ontvangen. Pas op 28 mei 2018 heeft verweerder weer aangekondigd dat eiseres zou worden uitgenodigd voor een hoorzitting. Vervolgens heeft op 9 juli 2018 de hoorzitting plaatsgevonden. Daarna heeft het nog tot 19 oktober 2018 geduurd alvorens de bezwaarschriftencommissie haar advies heeft uitgebracht. Op 1 november 2018 is vervolgens het bestreden besluit genomen. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om voor de besluitvorming in bezwaar een langere termijn te hanteren. Het bezwaar is op 26 juni 2017 ingediend. De redelijke termijn is daarom op 26 juni 2019 verstreken. Gelet op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn met bijna een jaar overschreden. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat recht bestaat op een schadevergoeding van € 1.000,-.

28. Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan het bestuursorgaan of aan de rechtbank geldt het uitgangspunt dat voor de bezwaarfase een redelijke termijn van een half jaar geldt en voor de beroepsfase een redelijke termijn van anderhalf jaar. Als sprake is van een vernietiging door de rechtbank en het bestuursorgaan wordt opgedragen om opnieuw te beslissen en daardoor de twee jaar wordt overschreden, dan wordt dat toegerekend aan het bestuursorgaan. Die heeft immers een verkeerd besluit genomen.8 Wanneer echter in een van de rechterlijke procedures sprake is van een langere behandelingsduur bij de rechterlijke instantie, dan anderhalf jaar, dan komt de periode waarmee die behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.

29. Deze rechtbank heeft naar aanleiding van het eerste beroep van eiseres op 6 februari 2018 uitspraak gedaan. Dat is binnen zes maanden en daarmee ruimschoots binnen de termijn. De rechtbank doet verder binnen anderhalf jaar na het instellen van dit beroep uitspraak. Dat betekent dat de gehele overschrijding is toe te rekenen aan verweerder. De conclusie is daarom dat verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,-- aan eiseres.

De proceskosten en het griffierecht

30. Aangezien het beroep ongegrond is, blijft het bestreden besluit in stand en daarmee ook het primaire besluit. Er is daarom geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en evenmin voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. A.J. Dondorp, leden, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

WvW 1994

Op grond van artikel 2, eerste lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

BABW

Artikel 12 luidt als volgt:

De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:

a. de volgende borden:

I de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004825&bijlage=1&g=2020-04-18&z=2020-04-18), uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;

(…).

Op grond van artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2&g=2020-04-18&z=2020-04-18), van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=2&g=2020-04-18&z=2020-04-18), van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

RVV 1990

In bijlage 1 staat onder G11 met als omschrijving “verplicht fietspad” het volgende bord vermeld:

1 Dit is de rechtsvoorganger van verweerder.

2 Zie de bijlage bij deze uitspraak voor dit bord.

3 Dit is een ambtelijke commissie en niet een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb.

4 Eiseres heeft naar aanleiding van het ambtelijk advies voor het bestreden besluit nog gevraagd om overlegging van een aantal stukken. De rechtbank zal op dit verzoek in de overwegingen 11 tot en met 15 ingaan.

5 Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2384 en van 13 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1251.

6 Zie artikel 3:40 van de Awb.

7 Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.4.1.

8 Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, r.o. 4.9.