Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3212

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
7924699 CV EXPL 19-15942
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstek. Vordering afgewezen. Vordering grotendeels voldaan voor dagvaarding. Slechts klein bedrag aan rente niet. terwijl de juistheid van dat bedrag niet vaststaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7924699 CV EXPL 19-15942

vonnis van: 26 juni 2020

fno.: 991

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

Tickets4U B.V.

gevestigd te Zaandam

eisende partij

gemachtigde: J. Hardeman

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen

Verder verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 9 augustus 2019 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om het bijgevoegde informatieformulier in te vullen en dit ingevulde formulier en de daarin aangegeven stukken in het geding te brengen, en een kopie hiervan aan gedaagde partij te sturen met de mededeling dat deze hierop kan reageren.

Eisende partij heeft op de rolzitting van 4 oktober 2019 een akte ingediend. Gedaagde partij heeft hierop niet gereageerd.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. Eisende partij stelt dat gedaagde partij op 25 juni 2011 drie bestellingen bij haar heeft gedaan voor in totaal zeven entreekaarten voor een evenement. Eisende partij heeft niet gesteld op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, maar uit de bij akte overgelegde toelichting en producties maakt de kantonrechter op dat deze online is gesloten, zodat sprake is van een overeenkomst op afstand. De kantonrechter dient in dat geval ambtshalve te toetsen of aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen ter zake van de aan de vordering ten grondslag liggende koopovereenkomst(en) is voldaan.

Aangezien de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen vóór invoering van de wetgeving omtrent de (pre)contractuele informatieverplichtingen, hoeft niet te worden nagegaan of eisende partij aan deze verplichtingen heeft voldaan.

De vordering van eisende partij bedraagt in totaal € 47,30 (bestaande uit € 130,50 aan oorspronkelijke hoofdsom, € 26,80 aan rente en € 40,00 aan incassokosten, minus een betaling in de minnelijke fase van € 150,00 waarmee in de dagvaarding reeds rekening is gehouden).

De verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten is afhankelijk gesteld van het feit dat de hoofdsom én de rente niet zijn betaald binnen de termijn van 14 dagen die ingaat de dag na ontvangst van de aanmaning. In het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is bepaald dat de hoogte van de buitengerechtelijke kosten uitsluitend wordt bepaald aan de hand van de hoofdsom. Uit de wijze waarop de betreffende aanmaningsbrief is opgesteld, volgt echter dat ook buitengerechtelijke kosten berekend over onbetaalde rente moet worden voldaan. Daarmee wordt de schuldenaar – die consument is – in de brief onjuist geïnformeerd en dat staat aan toewijzing van de buitengerechtelijke kosten in de weg.

Eisende partij heeft een bedrag van € 26,80 aan rente gevorderd. Eisende partij heeft die rente berekend vanaf de dag van het plaatsen van de bestelling door gedaagde partij. Gesteld noch gebleken is waarom eisende partij zich op het standpunt stelt dat gedaagde partij direct al vanaf de dag dat zij een bestelling plaatst rente is verschuldigd. Op grond van de wet dient immers eerst sprake te zijn van verzuim. Verder wordt vastgesteld dat gedaagde partij in de minnelijke fase meerdere keren is aangeschreven voor een veel hoger bedrag aan rente (in de ‘veertiendagenbrief’ van 14 februari 2018 bedraagt de rente € 52,00 en in de brief van 7 augustus 2018 bedraagt de rente € 55,18). Mede gelet op het voorgaande is de hoogte van het gevorderde bedrag aan rente onvoldoende onderbouwd.

Als er al vanuit zou worden gegaan dat het gevorderde bedrag aan rente juist is, dan zou met inachtneming van het voorgaande slechts een bedrag van € 7,30 toewijsbaar zijn. Dit geringe geldelijke belang weegt naar het oordeel van de kantonrechter niet op tegen de hoge kosten die een procedure met zich brengt. Daarbij acht de kantonrechter het mede van belang dat uit de correspondentie blijkt dat aan de zijde van gedaagde partij betalingsbereidheid bestond, gedaagde partij geen mogelijkheid heeft gekregen de vordering te voldoen zonder bijkomende kosten aangezien de veertiendagenbrief niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, gedaagde partij de vordering nagenoeg volledig heeft betaald met uitzondering van een klein bedrag aan rente, terwijl bij dat laatste niet is gebleken van de juistheid van het gevorderde bedrag.

De vordering komt de kantonrechter op grond van het voorgaande niet rechtmatig of gegrond voor.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eisende partij in de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagde partij, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.