Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3208

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
13/751058-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Frans vervolging EAB. Feitsomschrijving genoegzaam. Uit EAB blijkt voldoende welke rol verdachte speelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751058-20

RK nummer: 20/577

Datum uitspraak: 30 juni 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 januari 2020 door officier van justitie van de rechtbank van Rennes (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1969,

wonende op het adres: [adres] , [plaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 14 mei 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 mei 2020. Het verhoor heeft via videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is telefonisch bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Vermaat, advocaat te Rotterdam, en een tolk in de Koerdische taal.

De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst tot de zitting van 16 juni 2020 in afwachting van – kort gezegd – nadere informatie met betrekking tot de garantie dat de opgeëiste persoon na aankomst in Frankrijk niet in een detentiecentrum in Fresnes zal worden geplaatst.

Zitting 16 juni 2020

Met instemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing op de zitting van 14 mei 2020. De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 16 juni 2020. Het verhoor heeft via videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Koerdisch-Soeranische taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Iraakse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 20 januari 2020, uitgevaardigd door de vicevoorzitter van de rechtbank van Rennes.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

4.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de feiten in het EAB niet genoegzaam zijn omschreven, omdat niet uit de stukken volgt welke rol de opgeëiste persoon zou hebben gehad.

4.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In deze zaak is, gelet op de feitsomschrijving en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 juni 2020, duidelijk waarvoor de overlevering is gevraagd. De opgeëiste persoon wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij in de periode 1 augustus 2018 tot en met 18 december 2019 een centrale rol heeft gespeeld binnen een criminele organisatie die zich – op Frans grondgebied en elders binnen de Europese Unie – tegen betaling bezighoudt met mensensmokkel en het witwassen van de opbrengsten die daarmee worden gegenereerd. Deze criminele organisatie zou vanuit Frankrijk illegaal migranten naar Groot-Brittannië hebben vervoerd.

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de feiten daarmee genoegzaam zijn omschreven en verwerpt het verweer. Hierbij merkt de rechtbank op dat – volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank – de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten duidelijk moet maken. Vermelding van de gronden van de verdenking is niet vereist. Het is niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de feitsomschrijving er niet toe dient om de opgeëiste persoon tot het voeren van een onschuldverweer in staat te stellen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964).

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1, 3, 9 en 13, te weten:

1) deelneming aan een criminele organisatie;

3) mensenhandel;

9) witwassen van opbrengsten van misdrijven; en

13) hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Frans recht telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder de hiervoor genoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is.

6 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verweer op zitting bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat op diverse dagen in november 2018 betalingen zijn verricht met de bankpas van de opgeëiste persoon.

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat met de bankafschriften niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon op die dagen in november 2018 in Nederland was en de feiten onmogelijk kan hebben gepleegd. Het kan namelijk niet worden uitgesloten dat een andere persoon dan de opgeëiste persoon deze betalingen heeft verricht. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7 Het beroep op gelijkstelling als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW

De overlevering van een Nederlander voor strafrechtelijk onderzoek kan, gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, OLW slechts worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan (de zogenoemde terugkeergarantie). Hetzelfde geldt voor een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling. In artikel 6, vijfde lid, OLW zijn de drie cumulatieve voorwaarden voor gelijkstelling van een vreemdeling met een Nederlander vermeld. Het betreft de volgende drie voorwaarden:

1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. in Nederland vervolgd kunnen worden voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

3. de verwachting moet bestaan dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

7.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Weliswaar heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij brief van 16 maart 2020 aangegeven dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen, maar dit advies is gebaseerd op onvolledige informatie. Het openbaar ministerie heeft in zijn brief van 29 januari 2020 aan de IND een verkeerde voorstelling van zaken gegeven door een te hoge strafbedreiging te noemen. Daarnaast heeft het openbaar ministerie niet meegewogen dat de opgeëiste persoon zwakbegaafd is en aan psychische problemen lijdt, waardoor sprake is van verminderde toerekenbaarheid.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de hiervoor genoemde brief van de IND en vaste jurisprudentie van deze rechtbank de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet kan slagen. Met betrekking tot punt 3) bestaat er bij de IND de verwachting dat het verblijfsrecht verloren zal gaan als gevolg van de veroordeling waarvoor de overlevering wordt gevraagd. De IND is daarbij uitgegaan van de hoogte van de straf die het Nederlandse openbaar ministerie in een geval als dit zou vorderen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van dit uitgangspunt.
Nu de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na de overlevering opgelegde straf of maatregel, kan het beroep op gelijkstelling met een Nederlander op de voet van artikel 6, vijfde lid, OLW niet slagen. Het gebrek aan een terugkeergarantie vormt dus geen reden voor weigering van de overlevering of schorsing van het onderzoek. Het verweer wordt verworpen.

8 Detentieomstandigheden in Frankrijk

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken - kort gezegd - geoordeeld dat ten aanzien van de detentie-instelling in Nîmes sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die daar worden gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld als bedoeld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

Ten aanzien van de detentie-instelling in Bordeaux-Gradignan heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment geen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, maar dat - gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing - nadere gegevens van de Franse uitvaardigende autoriteit nodig zijn om de vraag naar het bestaan van een algemeen gevaar te kunnen beantwoorden.

In een uitspraak van 21 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1102) heeft de rechtbank ten aanzien van de detentie-instelling in Fresnes geoordeeld dat sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 30 januari 2020 (ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD000967115).

In reactie op e-mails van de officier van justitie van 28 februari 2020 en 6 mei 2020 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende verklaard:

(…) please be informed that the person concerned will under no circumstances be detained in Nîmes of Bordeaux-Gradignan.

Op verzoek van de officier van justitie is namens de uitvaardigende justitiële autoriteit bij
e-mail van 15 juni 2020 het volgende verklaard:

In the context of the European arrest warrant (…) against [opgeëiste persoon] (…), I would like to inform you that (…) this person should not be imprisoned in the Fresnes prison centre (…), this e-mail therefore serves as a guarantee that the person concerned will nog be assigned to that particular institution.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit deze informatie kan worden afgeleid dat er voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling in de detentie-instellingen in Nîmes en Fresnes. Verder volgt uit deze informatie dat in deze zaak de vraag of in de detentie-instelling in Bordeaux-Gradignan gedetineerden in het algemeen een reëel gevaar lopen om te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende detentie-omstandigheden geen beantwoording meer behoeft. De detentieomstandigheden vormen geen beletsel voor de overlevering.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie van de rechtbank van Rennes (Frankrijk).


Aldus gedaan door

mr. H.J. Fehmers, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.