Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3205

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
13/751293-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Spaans vervolging EAB. Feitsomschrijving niet genoegzaam. Overlap feiten EAB en Nederlandse vervolging. Schending ne bis in idem. Overlevering toestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751293-20

RK nummer: 20/1821

Datum uitspraak: 30 juni 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 april 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 maart 2020 door de Juzgado Central de Instrucción No. 2, Audiencía Nacional – Madrid (Centrale Onderzoeksrechtbank Nr. 2, Nationaal Hof – Madrid), (Spanje), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1955,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 juni 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is gehoord via telehoren en bijgestaan door zijn raadsman, mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Spaanse taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Colombiaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel of een gelijkwaardige rechterlijke beslissing, te weten een beschikking tot voorlopige hechtenis alsmede de uitvaardiging van een Europees Aanhoudings- en Uitleveringsbevel en een Internationaal Aanhoudingsbevel van 12 maart 2020, uitgesproken in het kader van Gerechtelijk vooronderzoek 36/2019 door Juzgado Central de Instrucción No. 2 de Madrid (Spanje).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Spaans recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

4.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de feitsomschrijving niet genoegzaam is, omdat ten aanzien van de criminele organisatie de pleegdatum en pleegplaats onvoldoende zijn afgebakend en de mogelijkheid bestaat dat zij worden uitgebreid. Tevens wordt niet vermeld waar de rol van de opgeëiste persoon binnen de criminele organisatie uit bestaat. De overlevering moet worden geweigerd.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving genoegzaam is. Uit Form A blijkt dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, zijn gepleegd in 2019 in Colombia, Spanje, Bulgarije en Griekenland.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 10 juni 2020 - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van een strafrechtelijk onderzoek – voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht. Uit deze stukken blijkt namelijk dat de overlevering wordt verzocht voor het als lid van een criminele organisatie deelnemen aan de handel in verdovende middelen, in de periode 29 juni 2019 tot en met 18 augustus 2019, in de landen Griekenland, Bulgarije en Spanje. De opgeëiste persoon zou in het kader van deze handel en als lid van een criminele organisatie op 29 juni 2019 zijn aangekomen in Spanje en op 2 juli 2019 zijn afgereisd naar Sofia (Bulgarije), om vervolgens op 11 augustus 2019 terug te keren naar Madrid. In de periode dat de opgeëiste persoon in Sofia verbleef zou hij samen met een ander cocaïne uit kartonnen dozen met koffie en limoenen hebben geëxtraheerd, welke dozen via de haven van Thessaloniki (Griekenland) waren ingevoerd. In Madrid zou de opgeëiste persoon nadere instructies hebben ontvangen op 14, 16, 17 en 18 augustus 2019. De rechtbank acht de in het EAB opgenomen feitsomschrijving in samenhang met de voornoemde aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteiten genoegzaam. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Hierbij merkt de rechtbank op dat – volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank – de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit duidelijk moet maken. Vermelding van de gronden van de verdenking is niet vereist. Het is niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de feitsomschrijving er niet toe dient om de opgeëiste persoon tot het voeren van een onschuldverweer in staat te stellen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964).

5 Strafbaarheid


Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Dit feit valt op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:

1) deelneming aan een criminele organisatie; en

5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Spaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7 Beroep op de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid aanhef en onder a OLW

7.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een overlap tussen het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht en de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in een zaak in Nederland wordt vervolgd. Daarom is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel (het verbod op dubbele bestraffing) en dient de overlevering te worden geweigerd.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Uit informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de verdenking in het EAB geen betrekking heeft op de feiten die de opgeëiste persoon zou hebben gepleegd in Nederland. Daarnaast blijkt uit de tenlastelegging, zoals weergegeven in de e-mail van 22 mei 2020 van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant, dat de Nederlandse strafzaak op feiten ziet die zijn gepleegd op een andere tijd en plaats dan het feit waarop het EAB betrekking heeft. De opgeëiste persoon wordt in Nederland en Spanje niet voor dezelfde, maar voor soortgelijke feiten vervolgd.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Uit het EAB onder rubriek e) volgt dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht zich zou hebben afgespeeld in de periode 29 juni 2019 tot en met 18 augustus 2019 in Griekenland, Bulgarije, Spanje en Colombia. Bij e-mail van 10 juni 2020 is door de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat de feiten in Griekenland, Bulgarije en Spanje zouden zijn gepleegd. In deze e-mail is uitdrukkelijk vermeld dat de vervolging geen betrekking heeft op feiten die op Nederlands grondgebied zijn gepleegd.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 maart 2020 blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd voor het plegen van Opiumwetdelicten op 18 november 2019 in St. Willebrord (parketnummer 02/276729-19). Per e-mail van 22 mei 2020 heeft het parket Zeeland-West-Brabant de huidige tenlastelegging in die zaak toegezonden. Aan de opgeëiste persoon wordt – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 18 november 2019 in St. Willebrord, gemeente Rucphen, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (voorbereidingshandeling voor het) vervaardigen van en de handel in cocaïne.
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse strafzaak mede gelet op de pleegdatum en
pleegplaats op een ander feitencomplex ziet dan het feitencomplex zoals genoemd in het EAB. In de Nederlandse strafzaak staat het vervaardigen van en handelen in cocaïne in Nederland op 18 november 2019 centraal, terwijl het EAB ziet op de handel in cocaïne binnen een criminele organisatie in de periode 29 juni 2019 tot en met 18 augustus 2019 in de landen Griekenland, Bulgarije en Spanje. Niet is gebleken dat het eerstgenoemde complex van feiten onlosmakelijk is verbonden met het laatstgenoemde complex van feiten. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 9 van de OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Juzgado Central de Instrucción No. 2, Audiencía Nacional – Madrid (Centrale Onderzoeksrechtbank Nr. 2, Nationaal Hof – Madrid), Spanje.


Aldus gedaan door

mr. H.J. Fehmers, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.