Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3176

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
13/034780-20 (A), 13/054008-20 (B), 13/295724-19 (C), 13/018359-20 (D)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD-maatregel. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen, lokaalvredebreuk en bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/034780-20 (A), 13/054008-20 (B), 13/295724-19 (C), 13/018359-20 (D) en 13/236106-17 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 9 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] , [plaats 1] ,

gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie] te [plaats 2] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei 2020. Verdachte is niet bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig geweest, hij werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op 6 april 2020 ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna aangeduid als zaak A, zaak B, zaak C en zaak D.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. Velleman en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. R. Pothast, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort samengevat – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A:

1.Lokaalvredebreuk bij de Media Markt op 8 februari 2020 te Amsterdam;

2.Diefstal van een tablet van het merk Samsung bij de Media Markt op 8 februari 2020 te Amsterdam.

Zaak B:

1.Bedreiging van [persoon 1] op 19 januari 2020 te Amsterdam;

2.Het dragen van een multitool, een wapen van categorie IV, op 19 januari 2020 te Amsterdam.

Zaak C: Diefstal van een camera van de Media Markt op 31 oktober 2019 te Amsterdam.

Zaak D: Diefstal van een camera, merk JVC, van de Media Markt op 1 november 2019 te Amsterdam.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de in zaak A, B, C en D ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van zaak A, feit 2 in zaak B, zaak C en zaak D.

Ten aanzien van feit 1 in zaak B is bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte aangever [persoon 1] heeft bedreigd met een multitool. Allereerst ontkent verdachte dat hij aangever heeft bedreigd. Verder blijkt dat de gehoorde getuige geen onafhankelijke getuige is, omdat hij een collega van aangever is. De getuige is ook pas twee weken na het incident gehoord, zodoende is er voldoende tijd en gelegenheid geweest om de verklaringen op elkaar af te stemmen. De lezing van aangever en getuige wordt bovendien niet ondersteund door de camerabeelden, omdat op de camerabeelden geen mes is waargenomen. Tot slot is ook het opsporingsonderzoek gebrekkig geweest, omdat door de politie geen onafhankelijke getuigen zijn gehoord. Verdachte moet daarom van feit 1 in zaak B worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A en C

Verdachte heeft de in zaak A en zaak C ten laste gelegde feiten bekend. De rechtbank acht deze feiten, mede gelet op het overige bewijs in het dossier (waaronder de aangifteformulieren), bewezen. Nu de verdediging hiervoor ook geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor deze feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen in bijlage II.

Nadere bewijsoverwegingen in zaak B – feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat dat verdachte aangever heeft bedreigd. De rechtbank ziet geen reden om aan de aangifte en de getuigenverklaring te twijfelen of om de verklaring van de getuige onbetrouwbaar te achten. Dat op de camerabeelden geen mes is waargenomen maakt niet dat de lezing van aangever en de getuige niet wordt ondersteund. Uit het proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven blijkt namelijk dat de camera geen volledig zicht had op de door verdachte uitgevoerde handelingen. De ten laste gelegde bedreiging wordt dus bewezen verklaard.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A:

1.
op 8 februari 2020 te Amsterdam, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal, te weten een winkel gelegen aan [adres 2] , in gebruik bij het winkelbedrijf Media Markt, welk binnendringen bestond uit het betreden van die winkel tegen de wil van de rechthebbende, immers nadat door de rechthebbende aan hem, verdachte op 8 november 2019 een besluit om hem, verdachte, de toegang tot dat winkelbedrijf te ontzeggen voor de voor van 24 maanden, was uitgereikt;

2.
op 8 februari 2020 te Amsterdam, een tablet (van het merk Samsung, type Tab S6), dat aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelketen Media Markt aan [adres 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak B:

1.
op 19 januari 2020 te Amsterdam, [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes in een multitool dreigend in de richting van voornoemde [persoon 1] te wijzen en daarbij voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik snijd je keel door en maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.
op 19 januari 2020 te Amsterdam, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een multitool van het merk Letherman, model Skeletool, inhoudende een mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

Zaak C:

op 31 oktober 2019 te Amsterdam, een camera, die aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf de Media Markt (filiaal [adres 2] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak D:

op 1 november 2019 te Amsterdam, een goed (merk JVC), die aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf de Media Markt (filiaal [adres 3] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de bewezen geachte feiten – met uitzondering van zaak B, feit 2 – de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) moet worden opgelegd voor de duur van 2 jaren zonder aftrek van voorarrest.

Verdachte moet voor zaak B, feit 2 worden veroordeeld tot een geldboete van € 200,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van vier dagen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat aan verdachte niet de ISD-maatregel moet worden opgelegd, maar een straf die gelijk is aan het voorarrest. De ISD-maatregel moet niet worden opgelegd, omdat de veronderstelde psychische problematiek onvoldoende wordt onderbouwd, er geen concreet behandelplan ligt, verdachte niet wenst mee te werken aan onderzoek of behandeling en omdat het strafblad van verdachte niet rechtvaardigt dat bescherming van de maatschappij noodzakelijk is. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte pas 24 jaar oud is, hij niet past binnen de doelgroep van de ISD-maatregel, het ‘slagingspercentage’ van de ISD-maatregel heel laag is en dat de maatregel als ultimum remedium moet worden gezien. Indien de rechtbank vindt dat de ISD-maatregel wel moet worden opgelegd, wordt verzocht om deze niet voor de maximale duur van twee jaar op te leggen, maar voor bijvoorbeeld één jaar. Daarnaast moet ook de duur van het voorarrest worden afgetrokken van de duur van de maatregel.

Verder is verzocht om voor de overtreding (zaak B, feit 2) geen straf of maatregel op te leggen, omdat verdachte al drieënhalve maand in voorarrest heeft gezeten.

Tot slot heeft de raadsman de rechtbank verzocht om eerder uitspraak te doen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in zaak A, zaak C en zaak D schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen bij de Media Markt. Diefstallen zijn zeer ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven. Bij feit 1 van zaak A heeft verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk, omdat hij de Media Markt is binnen gedrongen terwijl hem een winkelontzegging was opgelegd.

In zaak B heeft verdachte een beveiliger van een hotel bedreigd met een mes (die in een multi-tool zat) en daarbij gezegd dat hij de keel van het slachtoffer ging doorsnijden. Door zijn handelen heeft verdachte bij het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Uit het strafblad van verdachte van 6 april 2020 blijkt dat hij al vele malen eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten.

Advies van de reclassering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 20 maart 2020, opgemaakt door W. Kunst. Op de zitting heeft de rechtbank voornoemde reclasseringsmedewerker als getuige gehoord en hij bevestigt hetgeen in het rapport staat vermeld. Het rapport houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een delictpatroon, hij voldoet aan de harde en zachte criteria voor de ISD en behoort tot de Top600 aanpak. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Betrokkene beschikt niet over een dagbesteding. Hij ontvangt een bijstandsuitkering, maar kan onvoldoende met zijn geld omgaan. Het delictgedrag komt (deels) voort uit zijn financiële situatie. De psychische problematiek van betrokkene en zijn diabetes zijn daarnaast van grote invloed op zijn functioneren. Uit onderzoek door GGZ Ingeest is gebleken dat betrokkene functioneert op een sociaal emotioneel vermogen van een kind van drie jaar oud. Sinds zijn ouders minder invloed op hem hebben, zou hij minder medicatietrouw zijn geworden en leidt zijn diabetes soms tot verward gedrag en gevaarlijke situaties. Betrokkene vertoont zorgmijdend gedrag en is van mening geen begeleiding en behandeling nodig te hebben. Sinds geruime tijd zijn er aanwijzingen voor psychiatrische klachten, echter weigert betrokkene mee te werken aan diagnostiek.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering om aan betrokkene een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor gedragsverandering. Hierdoor is een reële kans op recidivevermindering door gedragsinterventies in een ambulant kader niet aanwezig. Gezien het aanhoudende delictpatroon en de zorgmijdende houding van betrokkene, ziet de reclassering geen andere optie dan de ISD-maatregel te adviseren. Om een traject tot gedragsverandering een redelijke kans van slagen te geven, is een gesloten kader noodzakelijk, waarbij betrokkene gedurende de intramurale fase van de maatregel psychologisch en/of psychiatrisch wordt onderzocht. De diagnostiek kan tijdens de ISD-maatregel worden uitgevoerd. Hierbij is het van belang om het verstandelijk functionerings-niveau van betrokkene te bepalen, aangezien betrokkene in het dagelijks leven mogelijk overvraagd wordt. Een ISD-maatregel is ook passend ter bescherming van de maatschappij. Daarnaast hoopt de reclassering dat betrokkene de aangeboden mogelijkheid grijpt en mee zal werken aan de aangeboden behandelingen en trajecten binnen de ISD. Omdat de reclassering verwacht dat betrokkene niet wil meewerken aan een trajectbepaling binnen de ISD, adviseert de reclassering aan de ISD-instelling om betrokkene, ook bij een weigerachtige houding, zo spoedig mogelijk middels een extramuraal kader te plaatsen in een beschermde woonvoorziening, zoals bij Domus van het Leger des Heils, of een vergelijkbare woonvoorziening.

Motivering

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 6 april 2020 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de periode meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 april 2020 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.

In het bijzonder overweegt de rechtbank het volgende. Sinds medio 2019 is verdachte steeds vaker met politie en justitie in aanraking gekomen en het lijkt alsof hij steeds ernstigere delicten pleegt. Verdachte zorgt voor veel overlast in de samenleving en de recidive lijkt voort te komen uit zijn financiële situatie en psychische problematiek. Ten aanzien van de psychiatrische problematiek bestaat onduidelijkheid, waar onderzoek naar gedaan moet worden. Uit het hiervoor genoemde reclasseringsrapport leidt de rechtbank af dat verdachte niet van plan is om mee te werken aan onderzoek en/of gedragsinterventies in een ambulant kader. Binnen het ISD-traject kan verdachte wel gemotiveerd worden om mee te werken, wat – hopelijk – een positieve bijdrage zal opleveren, zowel voor verdachte als voor de maatschappij. De rechtbank ziet dan ook geen andere optie dan het opleggen van de ISD-maatregel. Bovendien ziet de reclassering geen mogelijkheden meer voor een toezicht in een ambulant kader met bijzondere voorwaarden.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De raadsman heeft nog betoogd om de ISD-maatregel voor de duur van één jaar op te leggen, maar de rechtbank ziet geen heil in het opleggen van korter durende ISD-maatregel omdat die periode te kort is om de maatregel goed ten uitvoer te leggen en een bestendige gedragsverandering te bewerkstelligen.

Geen straf of maatregel voor zaak B - feit 2

Het voorhanden hebben van het categorie IV-mes (zaak B, feit 2) betreft een overtreding. In verband met de oplegging van de ISD-maatregel voor de misdrijven, zal voor dit feit geen straf of maatregel aan verdachte worden opgelegd.

Verzoek om eerder uitspraak te doen

Het verzoek van de raadsman om eerder uitspraak te doen wordt afgewezen, omdat de rechtbank voldoende tijd nodig heeft om de zaak van verdachte goed te kunnen beoordelen.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    Zaak B: Eén zakmes, goednummer: 5868630;

  • -

    Zaak D: Eén videorecorder, zwart, merk: JVC Everior, goednummer: 5830351.

Verbeurdverklaring

Het in zaak B inbeslaggenomen zakmes behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder feit 1 en 2 van zaak B bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard.

Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat de in zaak D inbeslaggenomen videorecorder dient te worden teruggegeven aan de Media Markt (filiaal [adres 3] te Amsterdam), nu uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat deze onderneming als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/236106-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 15 mei 2018 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot geldboete van € 450,00 (subsidiair negen dagen hechtenis), met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat de rechtbank het toewijzen van de vordering niet opportuun acht, omdat verdachte de ISD-maatregel krijgt opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 38m, 38n, 38p, 57, 138, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1 en 2, zaak B onder feit 1 en 2, zaak C en zaak D ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 in zaak A:

Het in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Ten aanzien van feit 2 in zaak A, zaak C en zaak D:

Diefstal, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 1 in zaak B:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 2 in zaak B:

Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Legt op – ten aanzien van de in zaak A onder feit 1 en 2, zaak B onder feit 1, zaak C en zaak D bewezen verklaarde feiten – de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat ten aanzien van het in zaak B onder feit 2 bewezen verklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart verbeurd:

- Eén zakmes, vallende onder goednummer: 5868630 (zaak B).

Gelast de teruggave aan Media Markt (filiaal [adres 3] te Amsterdam) van:

- Eén videorecorder, zwart, merk: JVC Everior, vallende onder goednummer: 5830351 (zaak D).

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/236106-17.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Thomas, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juni 2020.

[...]